Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR1682

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
15-07-2011
Zaaknummer
200.075.773/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is een tussen partijen overgekomen convenant gewijzigd? Hof acht dit voorshands aannemelijk. Vrouw toegelaten tot tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 23 juni 2011

Zaaknummer 200.075.773

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. H.A. van der Kleij,

kantoorhoudende te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.M. Thoenes-van der Veen,

kantoorhoudende te Zwolle.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 22 juli 2010 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, voor recht verklaard dat de alimentatieafspraken vastgelegd in het convenant/de overeenkomst tot beëindiging van een geregistreerd partnerschap d.d. 6 februari 2004 in goed overleg zijn gewijzigd overeenkomstig het aanvullende echtscheidingsconvenant inhoudende dat: de man met ingang van

1 februari 2006 een bedrag van € 850,- per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal betalen met een jaarlijkse verrekening en afrekening op basis van de overeengekomen eigen inkomstenregeling en met ingang van 24 december 2009 (wegens de eigen inkomstenregeling) € 664,71 per maand. De rechtbank heeft voorts de door partijen overeengekomen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw gewijzigd in die zin dat de man met ingang van

7 januari 2010 € 382,- bruto per maand aan haar dient te betalen. Ook heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 7 januari 2010 een bedrag van

€ 398,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren [in 1997], en [kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren [in 1999].

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 21 oktober 2010, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 22 juli 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende

I. het verzoek van de man tot verklaring voor recht af te wijzen;

II. de bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] respectievelijk een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man met ingang van 1 maart 2004, althans met ingang van een door het hof te bepalen datum te verhogen respectievelijk vast te stellen als volgens de wettelijke maatstaven behoort alsmede te bepalen dat deze bijdragen telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw zullen worden voldaan;

III. de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 3 december 2010, heeft de man het verzoek bestreden.

Tevens heeft de man bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikking van 22 juli 2010 te vernietigen voor zover het de kinder- en partneralimentatie betreft en in zoverre opnieuw beslissende

I. de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] te bepalen, rekening houdende met de door hem aangevoerde grieven in zijn incidenteel appel alsmede te bepalen dat de door hem te betalen bijdragen bij vooruitbetaling worden voldaan;

II. de door hem te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te beëindigen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg, zijnde 23 december 2009;

III. de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en in appel;

IV. de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 12 januari 2011, heeft de vrouw het verzoek in het incidenteel beroep bestreden.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 21 februari 2011 met bijlagen en een brief van 28 februari 2011, beide van mr. Thoenes-van der Veen en een brief van 24 februari 2011 met bijlagen van

mr. Van der Kleij.

Ter zitting van 7 maart 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn partijen en hun advocaten. Mr. Thoenes-van der Veen heeft pleitaantekeningen overgelegd.

De beoordeling

De feiten

1. Partijen zijn op 22 oktober 1992 getrouwd. Dit huwelijk is op 5 februari 2004 omgezet in een geregistreerd partnerschap. Op 10 februari 2004 is dit geregistreerd partnerschap beëindigd.

2. Bij notariële akte van 9 februari 2004 hebben partijen een "convenant/overeenkomst tot beëindiging van een geregistreerd partnerschap (scheiding)" (hierna: het convenant) opgemaakt. Hierin is - kort gezegd - opgenomen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] € 490,- per kind per maand zal voldoen en dat geen partneralimentatie verschuldigd is. Voor de overige relevante passages uit het convenant verwijst het hof naar de beschikking van de rechtbank, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

3. Op 24 december 2009 heeft de man zich tot de rechtbank gewend met het verzoek

voor recht te verklaren dat het tussen partijen opgemaakte convenant van

9 februari 2004 in onderling overleg is gewijzigd in die zin dat de man met ingang

van 1 februari 2006 € 850,- per maand partneralimentatie dient te voldoen met een

jaarlijkse verrekening en afrekening op basis van de overeengekomen eigen

inkomstenregeling. Bij verweerschrift heeft de vrouw tevens zelfstandig verzocht

primair de kinderalimentatie te verhogen en subsidiair partneralimentatie vast te

stellen.

4. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als hiervoor

vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Tegen deze beslissing zijn het

principaal appel van de vrouw en het incidenteel appel van de man gericht.

De geschilpunten

5. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

- de beweerde overeenkomst tot wijziging van het convenant d.d. 9 februari 2004;

- de nietigheid van deze beweerde overeenkomst;

- de grove miskenning van de wettelijke maatstaven;

- de draagkracht van de man en wel op de volgende punten:

- de bijstandsnorm;

- de advocaatkosten;

- de woonlasten;

- de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw in verband met haar

gedrag;

- de kostenveroordeling.

De beweerde overeenkomst tot wijziging van het convenant d.d. 9 februari 2004

6. Tussen partijen is in geschil of het convenant van 9 februari 2004 nadien is gewijzigd. Niet ter discussie staat dat partijen, in aanwezigheid van mrs. S.C.M. Koerhuis en Thoenes-van der Veen, op 2 februari 2006 met elkaar een gesprek hebben gehad, het zogenaamde "viergesprek". Ook staat vast dat de man vanaf de datum van het viergesprek € 850,- per maand is gaan betalen aan de vrouw en per 20 oktober 2006 € 675,- per maand. Dit laatste in verband met de eigen inkomsten van de vrouw. De lezingen van partijen over het doel en het resultaat van het gesprek op 2 februari 2006 lopen echter volstrekt uiteen.

7. De man stelt dat partijen tijdens het gesprek op 2 februari 2006 definitieve afspraken hebben gemaakt over de herziening/evaluatie van de alimentatie-verplichtingen, te weten - kort gezegd - met ingang van 1 januari 2006 € 850,- per maand partneralimentatie in plaats van kinderalimentatie. De vrouw stelt daarentegen dat het viergesprek een oriënterende bespreking was in het kader van schikkingsonderhandelingen, maar dat dit niet heeft geleid tot overeenstemming over de herziening van het convenant van 9 februari 2004. De vrouw is van mening dat het convenant nog steeds onverkort van toepassing is en dat de man vanaf maart 2006 in gebreke is de overeengekomen kinderalimentatie te betalen.

8. Uit een brief van 8 februari 2006 van mr. Thoenes-Van der Veen aan

mr. Koerhuis komt het volgende naar voren. Tijdens het viergesprek op 2 februari 2006 zijn definitieve afspraken gemaakt rondom de herziening van de alimentatie.

Mr. Thoenes-Van der Veen heeft tijdens het gesprek toegezegd dat een en ander schriftelijk zal worden vastgelegd. Na haar vakantie zal zij het concept aan

mr. Koerhuis doen toekomen. Overigens gaat mr. Thoenes-Van der Veen ervan uit dat de afspraken voor partijen helder zijn en dat de man thans overeenkomstig de gemaakte afspraken een bedrag van € 850,- per maand bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

9. In het dossier bevindt zich een niet ondertekend concept van een aanvullend echtscheidingsconvenant. Voor zover hier van belang is daarin - kort gezegd - opgenomen dat partijen de bij convenant van 9 februari 2004 overeengekomen kinder- en partneralimentatie wensen te wijzigen. Partijen gaan over tot het geheel vervallen verklaren van artikel 2 over de kinderalimentatie en het gedeeltelijk vervallen verklaren van artikel 4 over de partneralimentatie. In aanvulling op artikel 4 zijn partijen volgens het concept convenant - voor zover hier van belang - het volgende overeengekomen:

"4.1 De man zal met ingang van 1 februari 2006 maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw een bruto alimentatie van € 850,- betalen."

"4.1.3 Het is de bedoeling van partijen dat de door de man in het jaar 2005 maandelijks betaalde alimentatie van € 980,- voor de man fiscaal aftrekbaar is en voor de vrouw fiscaal belast is. De man en de vrouw nemen de betaalde bedragen in hun belastingaangifte over het jaar 2005 in aanmerking als partneralimentatie."

10. De eerstvolgende correspondentie die zich in het dossier bevindt dateert van

25 augustus 2008. Bij brief van die datum heeft mr. Van der Kleij de man

namens de vrouw aangesproken op het betalen van achterstallige

kinderalimentatie. Ruim één jaar later, te weten 3 november 2009, heeft de

deurwaarder de man na betekening van het convenant van 9 februari 2004 bevolen

over te gaan tot betaling van achterstallige kinderalimentatie vanaf maart 2004 tot

en met november 2009 van in totaal € 16.606,39. Dit heeft ertoe geleid dat de man

zich op 24 december 2009 tot de rechtbank heeft gewend.

Bewijsopdracht

11. Gelet op de inhoud van het concept van het aanvullend convenant en van de brief van 8 februari 2006 van mr. Thoenes-Van der Veen aan mr. Koerhuis in combinatie met het feit dat de vrouw de sinds 2 februari 2006 door de man aan haar gedane (aangepaste) betalingen gedurende geruime tijd heeft aanvaard, acht het hof de stelling van de man dat het convenant van 9 februari 2004 per

1 februari 2006 is gewijzigd zoals vastgelegd in het niet ondertekende concept aanvullend convenant voorshands aannemelijk geworden.

12. Het hof zal, alvorens verder te beslissen, de vrouw in de gelegenheid stellen het tegendeel te bewijzen door alle middelen rechtens, in het bijzonder door het overleggen van stukken, dan wel het oproepen van getuigen. De vrouw dient aan het hof aan te geven hoe zij dit bewijs wenst te leveren.

Slotsom

13. Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens verder te beslissen:

stelt de vrouw in de gelegenheid, door alle middelen rechtens, te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het tussen partijen op 9 februari 2004 opgemaakte convenant niet per 1 februari 2006 is gewijzigd zoals vastgelegd in het niet ondertekende concept aanvullend convenant;

bepaalt - voor zover de vrouw het bewijs zou willen leveren door middel van het overleggen van stukken - dat de vrouw binnen vier weken na heden stukken dient over te leggen;

bepaalt - voor zover de vrouw het bewijs zou willen leveren door middel van getuigen - dat het verhoor zal plaatsvinden in het Paleis van Justitie, Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden, op een nader te bepalen tijdstip ten overstaan van mr. G.M. van der Meer, hiertoe tot raadsheer-commissaris benoemd;

bepaalt dat partijen binnen vier weken na heden opgave doen van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuigen, voor een periode van drie maanden na de datum van die opgave, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.J.J. Melssen, voorzitter, G.M. van der Meer en E.F. Groot, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 23 juni 2011 in het bijzijn van de griffier.