Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR1161

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
TBS P11/0102
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemaximeerde terbeschikkingstelling?

Zie LJN: BQ6616

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P11/0102

Beslissing d.d. 30 juni 2011

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[Terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

onder verantwoordelijkheid van FPC De Kijvelanden verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2011, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het verlengingsadvies van FPC De Kijvelanden, d.d. 11 november 2010;

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde, d.d. 3 maart 2011;

- de aanvullende informatie van FPC De Kijvelanden, d.d. 31 mei 2011, alsmede de wettelijke aantekeningen van het derde kwartaal van 2010 tot en met het eerste kwartaal van 2011.

Het hof heeft ter zitting van 16 juni 2011 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr H.W.F. Klarenaar, advocaat te Dordrecht, en de advocaat-generaal,

mr G.J. de Haas.

Overwegingen

Het standpunt van het openbaar ministerie

Uit de aanvullende informatie van de kliniek blijkt dat er wordt gestreefd naar een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging in 2012. Momenteel wordt er gekeken of de terbeschikkinggestelde zich staande kan houden in een nieuwe omgeving. Dit kan echter niet alsmaar voortduren. De advocaat-generaal concludeert tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank Rotterdam, met daarbij de uitdrukkelijke overweging dat de kliniek zal streven naar een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging in 2012. Ten aanzien van de vraag of in onderhavige zaak sprake is van een gemaximeerde TBS refereert de advocaat-generaal zich aan het oordeel van het hof.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De terbeschikkinggestelde volgt al jaren geen therapie meer en het resocialisatietraject verloopt voorspoedig. Het klopt dat de terbeschikkinggestelde ontevreden is over zijn woonomstandigheden, maar zijn huidige woonsetting is verre van ideaal.

De terbeschikkinggestelde had toentertijd psychische problemen en ook fysieke elementen, zoals een gedereguleerde schildklier, speelden een belangrijke rol bij de door de terbeschikkinggestelde gepleegde indexdelicten. Inmiddels is de terbeschikkinggestelde al drieënhalf jaar uitbehandeld en heeft hij zijn weg gevonden. De maatregel dient te worden beëindigd.

Het oordeel van het hof

Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt.

Voor verlenging van een TBS-maatregel die als gevolg daarvan een totale duur van vier jaren te boven zal gaan is ingevolge artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht vereist dat de terbeschikkingstelling is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. In onderhavige zaak is de terbeschikkingstelling opgelegd (onder meer) ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, strafbaar gesteld in artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

In artikel 359 lid 7 en 8 van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat een vonnis waarbij een TBS-maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen dit aangeeft onder opgave van redenen, op straffe van nietigheid. De rechtbank Rotterdam heeft in haar vonnis van 25 januari 2006 expliciet noch impliciet een overweging gewijd aan genoemd artikel. Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van het bepaalde in artikel 359 lid 7 van het Wetboek van Strafvordering in voormeld vonnis derhalve sprake van een verzuim. Het vonnis is evenwel onherroepelijk en enig rechtens relevant gevolg kan daarom niet meer aan dit verzuim worden verbonden. Het hof zal daarom zelfstandig dienen te beoordelen of sprake is van een gemaximeerde dan wel niet-gemaximeerde TBS-maatregel.

Blijkens recente jurisprudentie van het hof dient er thans een meer beperkte uitleg te worden gegeven aan dat begrip, in die zin, dat het hof in zijn algemeen van oordeel is, dat voor het aannemen van een misdrijf als hier bedoeld vereist is, dat een dreigende uiting voorafgegaan, vergezeld, of gevolgd wordt door niet-verbaal handelen dat naar zijn aard agressief is jegens de bedreigde; gedacht wordt bij voorbeeld aan het tonen van een wapen of het met een auto inrijden op een persoon. Indien het delict van artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht slechts bestaat uit een verbale bedreiging kan niet zonder meer worden aangenomen dat er sprake is van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Hetzelfde geldt als er slechts sprake is van een schriftelijke bedreiging.

Nu er in dit geval alleen sprake is geweest van verbale bedreigingen, zonder dat deze voorafgegaan, vergezeld, of gevolgd zijn door niet-verbaal handelen dat naar zijn aard agressief was jegens de bedreigde, is naar het oordeel van het hof aan betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling niet opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Derhalve is ingevolge dezelfde wettelijke bepaling de duur van de opgelegde maatregel beperkt tot vier jaar.

Nu de maatregel is ingegaan op 9 februari 2006 is deze termijn van vier jaar inmiddels verstreken en staat de wet de gevorderde verlenging van de maatregel niet toe. Ook het andere indexdelict, “opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is” leidt niet tot een niet gemaximeerde maatregel.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2011 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].

Wijst af de vordering van de officier van justitie.

Aldus gedaan door

mr T.M.L. Wolters als voorzitter,

mr Y.A.J.M. van Kuijck en mr J.H.M. Zwinkels als raadsheren,

en dr. A. Verheugt en prof. dr. B.C.M. Raes als raden,

in tegenwoordigheid van mr C.M.M. van der Waerden als griffier,

en op 30 juni 2011 in het openbaar uitgesproken.

De raden en mr J.H.M. Zwinkels zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.