Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR0743

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
11-00014
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BV8959, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BV8959
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Woongedeelte boerderij is terecht tot het ondernemingsvermogen gerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1831
FutD 2011-1654
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00014

uitspraakdatum: 28 juni 2011

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 november 2010, nummer AWB 10/232, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd over het jaar 2000. Daarbij is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het hogerberoepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 10 januari 2011 ter griffie van het Hof ingekomen en is aangevuld bij brief met bijlagen van 16 februari 2011.

1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2011 te Arnhem. Namens belanghebbende is daar verschenen A. Namens de Inspecteur is verschenen B.

1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende was tot zijn pensionering werkzaam als vrachtwagenchauffeur. Daarnaast dreef hij een landbouwonderneming. Belanghebbende woont aan de a-straat 1 te Z.

2.2. Bij de verdeling in 1984 van de nalatenschap van de schoonvader van belanghebbende is aan belanghebbendes echtgenote toegescheiden de onroerende zaak b-straat 1 te Q (hierna: de onroerende zaak), bestaande uit een boerderij met grond en opstallen. Belanghebbende heeft de onroerende zaak gerekend tot zijn ondernemingsvermogen.

2.3. Kort na de verkrijging heeft belanghebbende de boerderij verbouwd, waarbij een scheidingsmuur is geplaatst tussen de stal en het woongedeelte. Als gevolg hiervan kon het woongedeelte zelfstandig rendabel worden gemaakt. Belanghebbende heeft het als woning verhuurd. Hij heeft de stal en omliggende grond gebruikt in het kader van zijn onderneming.

2.4. In het jaar 2000 heeft belanghebbende het woongedeelte onttrokken aan het ondernemingsvermogen en gerekend tot zijn privévermogen. In de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen staat daarover:

“ Op grond van de wetswijziging per 27 06 2000 wordt de woning b-straat 1 overgeboekt van bedrijfsvermogen naar privé vermogen. (…)

De fiscaal belaste boekwinst is als volgt berekend:

getaxeerde waarde ondergrond (wev): 330.000

idem bij agrarische bestemming: 165.000

verschil wev-wevab: 165.000

na toepassing factor 65% i.v.m. verhuurd, wordt dit: 107.250

getaxeerde waarde opstal: 146.000

na toepassing factor 65% i.v.m. verhuurd, wordt dit: 94.900

boekwaarde: 65.000

29.900

137.150 ”

2.5. Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij zij onder meer zijn overeengekomen dat de Inspecteur de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van belanghebbende op het onderdeel van de (voorgenomen) keuzeherziening en de hieraan gerelateerde geschillen en gevolgen zal vaststellen overeenkomstig de ingediende aangifte en dat belanghebbende zich ten aanzien van de geschilpunten waarop de overeenkomst betrekking heeft en de hieraan gerelateerde gevolgen niet zal beroepen op het ontbreken van een nieuw feit en/of het verstreken zijn van de termijn waarbinnen een navorderingsaanslag kan worden vastgesteld.

2.6. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 207.786.

2.7. Nadien heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de te belasten boekwinst ƒ 294.644 bedroeg. Hij heeft toen de in geschil zijnde navorderingsaanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van (ƒ 207.786 + ƒ 294.644 - ƒ 137.150 =) ƒ 365.280. Daarbij is een bedrag van ƒ 33.601 aan heffingsrente in rekening gebracht.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is primair in geschil of de woning behoort tot het ondernemingsvermogen. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, is tussen partijen in geschil of de bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente moet worden verminderd in verband met schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

3.2. Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, primair tot gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslag en de heffingsrentebeschikking, en subsidiair tot vermindering van de heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een onroerende zaak deel uitmaakt van het ondernemingsvermogen van een belastingplichtige, is in het algemeen beslissend de wil van die belastingplichtige zoals die in zijn boekhouding of op andere wijze tot uiting is gekomen, tenzij daardoor de grenzen der redelijkheid te buiten zouden zijn gegaan (vergelijk Hoge Raad 20 juni 1962, nr. 14819, LJN: AX8064, BNB 1962/272).

4.2. De onroerende zaak, bestaande uit het woongedeelte waar het hier om gaat en de stal en omliggende grond, is juridisch niet gesplitst. Belanghebbendes echtgenote heeft de gehele onroerende zaak in één transactie, de verdeling van de nalatenschap, verkregen. Het woongedeelte is zelfstandig rendabel te maken en dat heeft belanghebbende ook gedaan door het te verhuren. Belanghebbende heeft niet zelf in het woongedeelte gewoond. De stal en de omliggende grond heeft belanghebbende in zijn onderneming gebruikt. Onder deze omstandigheden heeft belanghebbende zonder de hiervoor vermelde grenzen der redelijkheid te overschrijden in 1984 het woongedeelte tot zijn ondernemingsvermogen mogen rekenen. Niet gesteld of gebleken is dat zich nadien een bijzondere omstandigheid heeft voorgedaan die aanleiding kon zijn het woongedeelte te onttrekken aan het ondernemingsvermogen.

4.3. Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank met betrekking tot de navorderingsaanslag een juiste beslissing genomen. Het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank in zoverre bevestigen.

4.4. Partijen zijn ter zitting overeengekomen de in rekening gebrachte heffingsrente te beperken tot ƒ 16.800. Het hoger beroep is in zoverre gegrond.

5. Kosten

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep voor de Rechtbank en het hoger beroep voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Gelet op artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen hiervoor in aanmerking de door belanghebbende gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 4½ punten (beroepschrift, zitting Rechtbank, nadere inlichtingen, hogerberoepschrift en zitting Hof) × 1 (gewicht van de zaak) × € 437, ofwel op € 1.966,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Niet gesteld of gebleken is dat andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt.

6. Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarin het beroep inzake de navorderingsaanslag ongegrond is verklaard;

- vernietigt die uitspraak voor het overige;

- verklaart het beroep bij de Rechtbank inzake de heffingsrente gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de heffingsrente;

- vermindert de heffingsrente tot ƒ 16.800;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 1.966,50; en

- gelast de Staat het griffierecht van (€ 41 + € 111 =) € 152 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, J.P.M. Kooijmans en G.T.K. Meussen, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 28 juni 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.