Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR0312

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
200.073.139/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Man had op 12-5-2011 incidenteel beroep ingesteld wat betreft de partneralimentatie; hij is niet-ontvankelijk in zijn in dezelfde procedure eerst bij brief 02-05-2011 bij het hof ingesteld hoger beroep met betrekking tot de bijdrage ten behoeve van de jongminderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 14 juni 2011

Zaaknummer 200.073.139

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. C.G. Blok, kantoorhoudende te Dronten,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.E. Grosscurt, kantoorhoudende te Kampen.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 9 juni 2010, zoals deze luidt na verbetering daarvan bij de bijlage van 14 juli 2010, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, - voor zover voor dit hoger beroep van belang - de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bepaald op € 342,-- per maand en de voor de jongmeerderjarige [kind 1] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van diezelfde datum bepaald op € 180,-- per maand.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 8 september 2010, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 9 juni 2010 alsmede de bijlage van 14 juli 2010 te vernietigen voor zover het de daarbij vastgestelde partneralimentatie betreft en opnieuw beslissende te bepalen dat de man vanaf indiening van het beroepschrift een bijdrage dient te betalen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van

€ 1.128,-- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen voor de eerste van de maand, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 12 november 2010, heeft de man het verzoek bestreden en verzocht dat verzoek van de vrouw af te wijzen.

Tevens heeft de man bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikking van 9 juni 2010 te vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage van € 342,-- per maand dient te voldoen en opnieuw beslissende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud per de echtscheidingsdatum op nihil wordt gesteld, althans op € 122,-- per maand tot 14 april 2011 en daarna op nihil.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 27 december 2010, heeft de vrouw het verzoek in het incidenteel beroep bestreden.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 2 mei 2011 met bijlagen van mr. Blok en een brief van 2 mei 2011 met bijlagen - voor zover het de producties 14 en 15 betreft - van mr. Grosscurt.

Ter zitting van 13 mei 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vrouw en de man, beiden bijgestaan door hun advocaat. Door mr. Grosscurt zijn pleitaantekeningen overgelegd. De door mr. Blok overgelegde pleitaantekeningen overschreden de in het procesreglement genoemde omvang en zijn derhalve geweigerd.

De beoordeling

Te laat binnengekomen stukken

1. Op 3 mei 2011 is een brief, gedateerd 2 mei 2011, met bijlagen van mr. Grosscurt bij het hof binnengekomen. Hoewel de brief meer dan tien dagen voor de zitting door het hof is ontvangen, zijn de producties 11 tot en met 13 en 16 tot en met 21 zonder noodzaak in strijd met het procesreglement niet ten spoedigste aan het hof toegestuurd. Daarom zal het hof deze bijlagen buiten beschouwing laten, waarbij het hof de omvang/hoeveelheid ervan betrekt.

De ontvankelijkheid van het appel met betrekking tot de alimentatie ten behoeve van de jongmeerderjarige [kind 1]

2. Bij zijn brief van 2 mei 2011 heeft mr. Grosscurt namens de man appel ingesteld tegen de bij de bestreden beschikking vastgestelde jongmeerderjarigenalimentatie en verzocht deze alimentatie met ingang van 14 april 2011 op een bedrag van

€ 6,-- per maand te bepalen.

3. Het hof stelt vast dat de man bij zijn verweerschrift, op de griffie van het hof binnengekomen op 12 november 2010, tevens incidenteel appel heeft ingesteld. Dit incidenteel appel is slechts gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie. Gelet daarop is het hof van oordeel dat hetgeen de man ten aanzien van de alimentatie ten behoeve van [kind 1] heeft gesteld in de brief van

2 mei 2011 niet kan worden opgevat als een aanvulling van grieven - zoals de man ingang wil doen vinden -, maar een afzonderlijk appel behelst. De door de man aangehaalde uitspraken van de Hoge Raad zien dan ook op een andere situatie dan het onderhavige geval. Nu er sprake is van een appel tegen de vastgestelde jongmeerderjarigenalimentatie, had de man dit binnen de voor incidenteel appel gestelde termijn moeten instellen. De man heeft dit echter pas bij brief van 2 mei 2011 gedaan, derhalve na ommekomst van de beroepstermijn. Het hof is dan ook van oordeel dat de man te laat heeft geappelleerd tegen de bestreden beschikking voor zover het de alimentatie voor [kind 1] betreft, zodat de man in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn appel.

De vaststaande feiten

4. Partijen zijn op 5 juni 1981 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn vier reeds meerderjarige kinderen geboren. Het huwelijk tussen partijen is op 14 september 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 9 juni 2010 in de registers van de burgerlijke stand.

5. De vrouw heeft bij haar verzoek tot echtscheiding onder meer tevens verzocht te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud dient te voldoen van € 1.320,-- per maand. De man heeft verweer gevoerd tegen dat verzoek.

6. Bij de echtscheidingsbeschikking van 9 juni 2010 heeft de rechtbank op het verzoek van de vrouw beslist zoals hiervoor is weergegeven onder 'Het geding in eerste aanleg'. Tegen die beslissing heeft de vrouw hoger beroep ingesteld.

De geschilpunten

7. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

• de behoeftigheid van de vrouw;

• de draagkracht van de man en wel op de volgende punten:

o de hoogte van het inkomen;

o de terugval in inkomen met ingang van 14 april 2011;

o de pensioengelden;

o het spaarloon;

o de woonlasten;

o de bijdrage aan de vakbond;

o de schulden.

De overwegingen

De behoeftigheid van de vrouw

8. Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de behoefte van de vrouw € 1.320,-- netto per maand bedraagt. Het hof zal derhalve van die behoefte uitgaan.

9. De man stelt dat de vrouw zelf in haar behoefte kan voorzien. Hij wijst erop dat de vrouw door middel van haar werkzaamheden als thuiszorgmedewerkster en als schoonmaakster in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Daarnaast stelt de man dat de thuiswonende kinderen kostgeld kunnen betalen, zodat ook daarmee in een deel van de behoefte van de vrouw kan worden voorzien.

10. Met betrekking tot het eventueel door de thuiswonende kinderen betaalde kostgeld overweegt het hof het volgende. Naar het oordeel van het hof betreft de behoeftigheid de vraag of iemand door het genereren van inkomsten in eigen levensonderhoud kan voorzien. Het gaat daarbij om inkomsten uit arbeid. Aangezien kostgeld geen inkomen uit arbeid is, heeft als uitgangspunt te gelden dat kostgeld de behoefte noch de behoeftigheid van een onderhoudsgerechtigde beïnvloedt. Overeenkomstig dit uitgangspunt is het hof van oordeel dat de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in haar kosten van levensonderhoud niet wordt verlaagd door het eventueel door de thuiswonende kinderen betaalde kostgeld. Het hof zal daar dan ook geen rekening mee houden.

11. De vrouw heeft gesteld dat zij bij Thuishulp Overijssel een vast contract heeft voor 12 uren per week en dat zij daarmee gemiddeld € 450,-- netto per maand verdiend. Deze inkomsten zijn door de man niet weersproken. Het hof zal derhalve daarvan uitgaan. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw echter onvoldoende aangetoond dat zij niet voor een groter deel in haar eigen behoefte kan voorzien. Gebleken is dat de vrouw in het verleden schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht. Ter zitting in eerste aanleg heeft zij verklaard daarmee een inkomen van € 150,-- netto per week te genereren. Niet gebleken is dat de vrouw die inkomsten thans niet meer zou kunnen verwerven. Weliswaar heeft de vrouw gesteld dat het gelet op haar leeftijd moeilijk is om werk te vinden, maar de vrouw heeft deze stelling niet onderbouwd door het overleggen van sollicitatiebrieven en/of afwijzingsbrieven. Het hof gaat er daarom vanuit dat de vrouw haar verdiencapaciteit thans nog steeds te gelde kan maken en derhalve € 150,-- netto per week, zijnde € 650,-- netto per maand, kan verdienen naast haar inkomsten bij Thuishulp Overijssel.

12. Op grond van het voorgaande wordt de vrouw geacht voor een bedrag van

(€ 450,-- + € 650,-- =) € 1.100,-- netto per maand in haar eigen behoefte te kunnen voorzien. De resterende behoefte aan een bijdrage van de man bedraagt derhalve (€ 1.320,-- minus € 1.100,-- =) € 220,-- netto per maand.

De draagkracht van de man

* De hoogte van het inkomen

13. Partijen zijn het erover eens dat de man naast zijn WAO/WIA-uitkering van

€ 296,20 per vier weken ziekengeld van € 2.461,66 per vier weken ontvangt. Wel staat ter discussie bij welke post dit inkomen dient te worden opgenomen in de draagkrachtberekening. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat het loon in de bouwsector wordt uitbetaald over 52 weken in plaats van over

46 weken, zoals in het verleden werd gedaan. De post 'Bruto arbeidsinkomen bouw' in de draagkrachtberekening gaat echter - zoals de vrouw terecht stelt - nog steeds uit van een loonbetaling over 46 weken. Het hof is daarom met de vrouw van oordeel dat het inkomen van de man in de draagkrachtberekening dient te worden opgenomen onder de post 'Bruto arbeidsinkomsten uit dienstbetrekking'.

14. Anders dan de vrouw is het hof van oordeel dat het inkomen niet dient te worden vermeerderd met de uitkering uit het Tijdspaarfonds (hierna: TSF). Indien de man een vrije dag opneemt, wordt over deze dag immers geen salaris uitgekeerd, maar wordt daarvoor in de plaats een uitkering uit het TSF betaald. Indien naast het volledige salaris tevens de TSF-dagen in de berekening zouden worden opgenomen, zou het inkomen van de man ten onrechte op een te hoog bedrag worden gesteld. Daarentegen dient wel de vakantietoeslag in de berekening te worden opgenomen. Zowel over het salaris als over de TSF-dagen wordt immers 8% vakantietoeslag berekend. Het hof zal daarom wel uitgaan van een vakantietoeslag.

15. Voorts is het hof met de man van oordeel dat niet is gebleken dat hij in december een eindejaarsuitkering of bonus heeft ontvangen. Uit de overgelegde salarisspecificatie volgt dat de laatste periode - anders dan de voorgaande salarisperiodes - niet vier, maar vijf weken betreft. Indien het salaris over vier weken wordt geëxtrapoleerd tot een periode van vijf weken, komt dit nagenoeg overeen met het op de salarisspecificatie over de laatste periode in 2009 vermelde salaris. Het hof acht het dan ook aannemelijk dat de man geen eindejaarsuitkering of bonus ontvangt, zodat daarmee geen rekening zal worden gehouden.

* De terugval in inkomen met ingang van 14 april 2011

16. Op 14 april 2011 heeft de man gedurende twee jaren een ziektewetuitkering ontvangen. Hij is nog steeds volledig arbeidsongeschikt voor de eigen werkzaamheden. Ter zitting van het hof heeft hij verklaard dat de re-integratieadviseur te kennen heeft gegeven dat de man drie dagen per week drie uren per dag kan werken. Hij stelt thans in dienst te zijn bij Flexx Holland, via welk bedrijf hij bij zijn voormalige werkgever kan werken. Indien zijn voormalige werkgever geen passend werk heeft, kan hij bij andere bedrijven aan het werk.

17. Het hof is met de vrouw van oordeel dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn verdiencapaciteit vanaf 14 april 2011. Niet is gebleken welk inkomen de man thans kan genereren en in hoeverre hij (op een andere wijze) in zijn inkomen kan voorzien. De man heeft gesteld dat hij wel volledige dagen op het bouwterrein aanwezig is en daar een leidinggevende functie vervuld. Weliswaar stelt de man dat hij vaker pauze neemt en dat hij voor deze werkzaamheden niet wordt betaald, maar daarvan is niet gebleken. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in de stappen die hij heeft ondernomen teneinde een inkomensdaling te voorkomen, dan wel zijn verdiencapaciteit (weer) volledig te benutten.

18. Nu de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn verdiencapaciteiten en de vrouw heeft betwist dat de man in het geheel niet meer zijn vorige inkomen kan genereren, zal het hof ook na 14 april 2011 uitgaan van het inkomen zoals voor de periode vóór 14 april 2011 is vastgesteld.

* De pensioengelden

19. De vrouw is van mening dat slechts rekening moet worden gehouden met de BPF Bouw van € 143,83 per vier weken. De overige twee pensioenpremies, zijnde de VP-vutaanvulling 55+ en de BV-aanvulling 55-, dienen volgens haar niet te worden meegenomen nu er geen sprake is van een onvolledig pensioen.

20. Het hof volgt de vrouw hierin niet. De man voldeed de genoemde pensioenbijdragen reeds ten tijde van het huwelijk van partijen. Gelet daarop acht het hof het redelijk om ook thans nog rekening met deze lasten te houden.

* Het spaarloon

21. Naar de mening van de vrouw is ten onrechte geen spaarloon opgenomen in de draagkrachtberekening. De man ontvangt per vier weken een spaarloon van

€ 57,15. Daarvan dient volgens de vrouw conform de Tremanormen een bedrag van € 31,43 per vier weken te worden meegenomen.

22. Het hof zal in de draagkrachtberekening niet afzonderlijk een bedrag voor spaarloon opnemen. Het hof gaat bij de berekening uit van het brutosalaris dat uit de door de man overgelegde salarisspecificaties blijkt. Het bedrag voor spaarloon wordt op dat salaris ingehouden. Het brutosalaris op die specificaties is derhalve inclusief het ingehouden spaarloon. Indien daarnaast afzonderlijk rekening wordt gehouden met een bedrag aan spaarloon, wordt het inkomen van de man ten onrechte op een te hoog bedrag vastgesteld.

* De woonlasten

23. De vrouw stelt dat de man samenwoont en dat zijn huurovereenkomst in samenwerking met deze partner is opgesteld. Zij betwist dat de man structureel maandelijkse betalingen van € 600,-- (inclusief gas, water en elektrisch) aan de verhuurder voldoet.

24. Het hof volgt de vrouw niet in haar stellingen. Niet is gebleken dat de man daadwerkelijk samenwoont. De man heeft de stellingen hieromtrent gemotiveerd betwist. De vrouw heeft geen bewijsaanbod gedaan. Het hof gaat er daarom van uit dat de volledige huur voor rekening van de man komt. Uit de door de man overgelegde bankafschriften volgt dat hij de huur ook daadwerkelijk voldoet. Gelet daarop is het hof van oordeel dat de volledige huur in de draagkrachtberekening dient te worden opgenomen.

25. Ter discussie staat van welk huurbedrag vervolgens moet worden uitgegaan. Volgens de vrouw is in de huur van € 600,-- per maand een bedrag van € 100,-- per maand begrepen voor gas, water en elektrisch. De man betwist dit. Volgens hem betreft het bedrag van € 600,-- per maand de kale huur en dient hij daarnaast nog een bedrag van € 100,-- per maand te voldoen voor de nutsvoorzieningen.

26. Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de kale huur

€ 600,-- per maand bedraagt en dat de man daarnaast maandelijks een bedrag van € 100,-- dient te voldoen voor nutsvoorzieningen. Weliswaar merkt de vrouw terecht op dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de man in één keer een bedrag van € 600,-- heeft betaald, maar naar het oordeel van het hof is de verklaring van de man, dat hij het voorschot voor de nutsvoorzieningen steeds betaald wanneer hij een financiële meevaller heeft, aannemelijk. Het hof zal dan ook in de draagkrachtberekening een bedrag van € 600,-- per maand aan huur opnemen.

* De bijdrage aan de vakbond

27. Partijen verschillen van mening over de vraag de bijdrage die de man aan de vakbond voldoet, dient te worden opgenomen in de draagkrachtberekening. Het hof overweegt hieromtrent dat niet is gebleken dat de man verplicht is deze bijdrage te voldoen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de vakbondsbijdrage niet prevaleert boven de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw. De man dient deze bijdrage dan ook vanuit zijn vrije ruimte te voldoen. Het hof zal deze last daarom buiten beschouwing laten.

* De schulden

28. De man stelt een lening van € 4.000,-- bij zijn werkgever en een lening van

€ 2.000,-- bij zijn nichtje te hebben. Hij was genoodzaakt deze schulden aan te gaan in verband met de hoge alimentatie die in de voorlopige voorzieningenprocedure was vastgesteld en voorts voor de aanschaf van inboedel. Voorts stelt de man advocaatkosten te maken, waarmee ook rekening moet worden gehouden. De vrouw betwist het bestaan van de schulden. De man heeft echter verklaringen overgelegd waaruit het bestaan van de schulden blijkt, zodat het hof daarvan uitgaat.

29. In beginsel dient met alle schulden rekening te worden gehouden bij de vaststelling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige. Niet van belang is wanneer de schulden zijn aangegaan en of er op de schulden wordt afgelost. Wel kunnen er redenen zijn om met die schulden geen rekening te houden. Zo dient de noodzaak voor het aangaan van de schulden vast te staan.

30. Voor zover de man de schulden is aangegaan teneinde de in de voorlopige voorzieningenprocedure en de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie te betalen, zal het hof daarmee geen rekening houden. Aan de hand van een berekening heeft de rechter immers de draagkracht van de man vastgesteld en op basis daarvan de te betalen alimentatiebijdrage bepaald. De man wordt dan ook geacht in staat te zijn die onderhoudsbijdragen te voldoen. Derhalve was er naar het oordeel van het hof geen noodzaak om een lening aan te gaan teneinde de onderhoudsbijdragen te kunnen betalen.

31. Het hof acht het aannemelijk dat de man een lening heeft moeten aangaan voor inrichting van zijn woning. De vrouw heeft ter zitting van het hof erkend dat de man bij zijn vertrek uit de woning geen inboedel heeft meegenomen en daar derhalve ook niet over beschikte. De man was dan ook genoodzaakt goederen aan te schaffen voor de inrichting van de woning. Het hof acht het aannemelijk dat de man over onvoldoende financiële middelen beschikte om deze inrichtingskosten zonder lening te kunnen voldoen. Daarom zal rekening worden gehouden met het voor deze post gebruikelijke bedrag van € 125,-- per maand aan aflossing.

32. Aflossingen wegens advocaatkosten worden in familierechtelijke procedures niet gezien als een noodzakelijke last die voorrang heeft boven de onderhoudsverplichting. Dit is slechts anders wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken, zodat het hof daarmee geen rekening zal houden.

* De berekening van de draagkracht

33. Gelet op het voorgaande en gelet op de overige, niet-betwiste bedragen, zoals die blijken uit de aan de bestreden beschikking draagkrachtberekening, wordt de draagkracht van de man aan de hand van de tarieven van januari 2010 als volgt berekend.

Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking € 31.769

Bruto WAO/WIA-uitkering € 3.851 +

Vakantietoeslag € 2.542 +

Bruto inkomsten € 38.162

Ingehouden pensioenpremie € 2.747 -

VUT / FPU-premie e.d. € 4.128 -

Loon voor premies werknemersverzekeringen € 31.287

Vergoedingen Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW-werkgever € 2.225 +

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 33.512

- € 6.092 schijf 33,45%

- € 6.094 schijf 41,95%

- € 325 schijf 42,00%

Inkomensheffing box 1 € 12.511

Totale inkomsten € 33.512

Inkomensheffing box 1 € 12.511

Heffingskorting en standaard heffingskorting € 3.476 -

Verschuldigde inkomensheffing € 9.035 -

Besteedbaar inkomen per jaar € 24.477

Besteedbaar inkomen per maand € 2.039

Bijstandsnorm inclusief vakantiegeld € 909

Kale huur € 600

Af: 'gemiddelde bijstandsnorm' € 207 -

Woonlasten € 393 +

Nominale premie basisverzekering ZVW € 97

Premie aanvullende ziektekostenverzekering € 41 +

Verplicht eigen risico € 14 +

Door werkgever/uitk.instantie ingeh. bijdrage € 185 +

Af: in bijstandsnorm begrepen deel ZVW € 44 -

Ziektekosten € 293 +

Herinrichtingskosten € 15 +

Draagkrachtloos inkomen € 1.720 -

Draagkrachtruimte € 319

34. Van de draagkrachtruimte is 60%, derhalve € 191,-- per maand, beschikbaar voor alimentatie. Maandelijks draagt de man met een bedrag van € 180,-- bij in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind 1], zodat een bedrag van € 11,-- per maand resteert ten behoeve van partneralimentatie voor de vrouw. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking nemende het fiscaal voordeel is de man in staat een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 19,-- per maand te voldoen.

35. In het licht van al hetgeen is aangevoerd, begrijpt het hof het verzoek van de man aldus dat hij de partneralimentatie in ieder geval op een lager bedrag wenst te zien dan het door de rechtbank bepaalde. Het hof zal de door de man met ingang van

9 juni 2010 te betalen partneralimentatie dan ook vaststellen op het hiervoor berekende bedrag van € 19,-- per maand.

Slotsom

36. De beschikking waarvan beroep dient gedeeltelijk te worden vernietigd en er zal opnieuw worden beslist zoals hieronder aangegeven.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn beroep voor zover het betreft de jongmeerderjarigenalimentatie ten behoeve van [kind 1];

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 342,-- per maand dient te voldoen;

en in zoverre opnieuw beslissende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op € 19,-- per maand;

bepaalt dat deze bijdrage, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te worden voldaan;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, voorzitter, B.J.J. Melssen en H. van Lokven-van der Meer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

14 juni 2011 in bijzijn van de griffier.