Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR0287

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
200.078.484
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kosten voor het voeren van een gerechtelijke procedure door bewindvoerder en mentor

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.078.484

(zaaknummer rechtbank 705366 BH VERZ 10-9889)

beschikking van de familiekamer van 14 juni 2011

op verzoek van [appellant],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen “[appellant]”,

verzoeker in hoger beroep,

advocaat: mr. R.C.H. Bruinier te [woonplaats].

Als overige belanghebbende zijn gemerkt:

[A],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen “[A]”,

[B],

verblijvende in het verpleeghuis Norschoten te [woonplaats],

verder te noemen “[B]”.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Wageningen, verder te noemen “de kantonrechter”, van

27 augustus 2010, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 26 november 2010, is [appellant] mede namens [A] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, die beschikking te vernietigen en [A] en haar te machtigen om de kosten van een aan te vangen gerechtelijke procedure tegen de heer [E], [B], [C] en [D] en de kosten van deze procedure ten laste te brengen van het vermogen van [B].

2.2 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 4 april 2011 een brief van A.H. van Pagee, specialist ouderengeneeskunde, van 1 april 2011;

- op 21 april 2011 een brief van mr. Bruinier van 20 april 2011 met bijlagen.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 12 mei 2011 plaatsgevonden. [appellant] en [A] zijn in persoon verschenen bijgestaan door mr. Bruinier. [B] is, met kennisgeving vooraf, niet verschenen.

2.4 Ter mondelinge behandeling heeft mr. Bruinier, met toestemming van het hof overgelegd:

- een ongedateerde brief van Willy W. aan [A], [appellant] en [B] en anderen;

- een mail van [E] van 29 april 2011 aan [A].

3. De vaststaande feiten

3.1 [B] is geboren op 30 maart 1921.

3.2 Bij beschikking van 24 oktober 2007 heeft de kantonrechter, op verzoek van [B], een bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan [B] ingesteld, [A] en [appellant] benoemd tot bewindvoerders en bepaald dat de bewindvoerders slechts gezamenlijk bevoegd zijn.

3.3 Bij beschikking van 2 november 2007 heeft de kantonrechter, op verzoek van [B], ter behartiging van de belangen van niet-vermogensrechtelijke aard een mentorschap ingesteld ten behoeve van [B] en [A] tot mentor benoemd.

3.4 Op 24 april 2008 is [E], de zoon van [B], in hoger beroep gekomen van de onder 3.2 genoemde beschikking. Bij beschikking van 7 oktober 2008 heeft dit hof, voor zover hier van belang, de onder 3.2 vermelde beschikking van 24 oktober 2007 vernietigd, voor zover daarbij [A] is benoemd tot bewindvoerder van [B] en voor zover daarbij is bepaald dat de bewindvoerders slechts gezamenlijk bevoegd zijn en bekrachtigd, voor zover daarbij [appellant] is benoemd tot bewindvoerder van [B].

3.5 Bij beschikking van 18 februari 2009 heeft de kantonrecht[B] in zijn verzoek [A] als mentor van [B] te ontslaan en [F], [G] en [H] tot mentor te benoemen niet-ontvankelijk verklaard.

3.6 Op 18 mei 2009 [B] in hoger beroep gekomen van de onder

3.5 vermelde beschikking. Bij beschikking van 22 juni 2010 heeft dit hof de beschikking bekrachtigd.

3.7 Bij verzoekschrift van 21 augustus 2010 heeft [appellant] verzocht haar toestemming te verlenen om de kosten van een aan te vangen gerechtelijke procedure tegen de heer [E], [C] en [D] ten laste van het vermogen van [B] te brengen.

3.8 Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [appellant] afgewezen.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Het hof stelt voorop dat uit het beroepschrift is af te leiden dat [appellant] haar verzoek in hoger beroep heeft vermeerderd, in die zin dat het verzoek ook namens [A] als mentor is ingediend. Op grond van artikel 362 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder te noemen “Rv”) in samenhang met artikel 283 Rv en artikel 130 Rv is een dergelijke vermeerdering van het verzoek mogelijk zolang geen eindbeschikking is gegeven en van strijd met de eisen van een goede procesorde geen sprake is. Nu [B] de gelegenheid heeft gehad zich bij verweerschrift en ter mondelinge behandeling tegen het vermeerderde verzoek te verweren, is aan de voorwaarden in voornoemde artikelen voldaan. Het hof zal [A] daarom aanmerken als belanghebbende in deze zaak en op het vermeerderde verzoek beslissen.

4.2 Het hof overweegt dat gebleken is dat [appellant] en [A] aan het begin van de jaren negentig als buren met [B] bevriend zijn geraakt. In 2007 heeft [B] hen gevraagd zijn belangen te behartigen vanaf het moment dat hij daartoe niet meer in staat zou zijn. De in verband met deze belangenbehartiging ingediende verzoeken ten aanzien van het meerderjarigenbewind en het mentorschap zijn door de kantonrechter en het hof toegewezen op de wijze als onder 3 hiervoor is vermeld.

4.3 De uitvoering van het mentor- en bewindvoerderschap is vanaf de aanvang stroef verlopen. De familie van [B], in het bijzonder diens zoon en echtgenote en diens nicht, kon zich niet met de benoeming van [appellant] en [A] verenigen. In de loop der jaren is de verstandhouding tussen deze drie familieleden enerzijds en [appellant] en [A] anderzijds verslechterd. Sinds eind 2007 ontvangen [appellant] en [A] e-mailberichten en brieven van de familieleden, waarin hen wordt verweten zich manipulatief en inhalig te gedragen, leugens te vertellen, bedrog te plegen en goederen te stelen. Deze berichten worden eveneens bezorgd bij buren, kennissen en vrienden van [appellant] en [A]. In december 2010 zijn [appellant] en [A] naar eigen zeggen benaderd voor en genoemd in een uitzending van Omroep Max genaamd “Misstanden onder bewindvoerders”.

4.4 Teneinde een einde te maken aan de stroom negatieve berichtgeving over hen zijn [appellant] en [A] voornemens een civielrechtelijke procedure aanhangig te maken. Zij zullen vorderen dat de rechtbank voor recht verklaart dat de drie familieleden zich onrechtmatig jegens hen hebben gedragen, met een verbod dit gedrag in de toekomst nogmaals te vertonen en op straffe van een dwangsom. De kosten van deze procedure wensen zij ten laste van het vermogen van [B] te brengen. Ter mondelinge behandeling heeft de advocaat van [appellant] toegelicht dat de grondslag van het in deze procedure ingediende verzoek daartoe een machtiging te verlenen, is gelegen in het feit dat sprake is van onvermijdelijke kosten die voortvloeien uit het mentor- respectievelijk bewindvoerderschap.

4.5 Het hof maakt ten aanzien van de grondslag van het verzoek onderscheid tussen het bewindvoerderschap en het mentorschap.

4.6 Ter zake van het bewindvoerderschap overweegt het hof dat ingevolge artikel

1:447 lid 1 BW de kantonrechter, op verzoek van de bewindvoerder, op grond van bijzondere omstandigheden voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning van de bewindvoerder anders kan regelen dan bij de instelling of door de wet is aangegeven. Het Landelijk Overleg Voorzitters Civiele en Kanton-Sectoren heeft op 1 juni 2004 aanbevelingen gepubliceerd ter nadere invulling van deze bepalingen. Ingevolge artikel

C. sub 3 van die regeling kan een bewindvoerder de kosten die in het belang van het bewind gemaakt moeten worden in rekening brengen. De kosten van de voorgenomen procedure merkt het hof voor [appellant] als bewindvoerder aan als kosten in de hiervoor bedoelde zin.

4.7 Wat betreft het mentorschap is in artikel 1:460 BW bepaald dat de mentor bij de vervulling van zijn taak de noodzakelijk gemaakte kosten aan de betrokkene in rekening mag brengen. Voor [A] als mentor gelden de kosten voor het voeren van de voorgenomen procedure naar het oordeel van het hof als noodzakelijk gemaakte kosten in de zin van dit artikel.

4.8 Nu de verzoeken van [appellant] en [A] op voormelde wettelijke grondslagen zijn gebaseerd, zijn zij daarin ontvankelijk.

4.9 Het hof is met [appellant] en [A] van oordeel dat de kosten van de voorgenomen procedure voortvloeien uit het feit dat zij respectievelijk bewindvoerder en mentor zijn. De verwijten van de familieleden van [B] houden daarmee verband. [appellant] en [A] stellen in emotionele zin veel last te hebben van de verwijten. Dat zij trachten daartegen gerechtelijke stappen te ondernemen, valt dan ook te rechtvaardigen. Nu [appellant] en [A] ter mondelinge behandeling onweersproken hebben verklaard dat de politie heeft laten weten dat aan aangifte door [appellant] en [A] in het strafrechtelijk kader waarschijnlijk geen consequenties worden verbonden, staat slechts de civielrechtelijke weg voor hen open. Het hof is van oordeel dat deze kosten noodzakelijk zijn voor een goede vervulling van het bewindvoerderschap en het mentorschap en daarmee in het belang van [B]. Het hof zal daarom [appellant] en [A] machtigen de procedure uit het vermogen van [B] te bekostigen.

4.10 Ter mondelinge behandeling hebben [appellant] en [A] verklaard de kosten te begroten op € 5.000,- tot

€ 10.000,-. Het hof zal de machtiging daarom beperken tot € 5.000,-. [appellant] en [A] hebben toegezegd dat zij gelden van een mogelijke proceskostenveroordeling van de wederpartijen en eventueel verbeurde dwangsommen in het vermogen van [B] zullen laten terugvloeien. Het hof gaat ervan uit dat zij zich aan deze toezegging zullen houden. Ter waarborging hiervan zal het hof, overeenkomstig een hiertoe ter mondelinge behandeling aangevuld verzoek van [appellant], de toezegging als voorwaarde aan de te verlenen machtiging verbinden. In het voorgaande ziet het hof eveneens aanleiding om de kosten van deze procedure als na te melden ten laste van het vermogen van [B] te brengen.

5. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te beslissen als volgt.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Wageningen, van 27 augustus 2010 en opnieuw beschikkende:

verleent [appellant] en [A] machtiging om de kosten van een aan te vangen civielrechtelijke procedure tegen de he[B][B], [C] en [D] ten belope van € 5.000,- en de kosten van deze procedure, begroot op € 1.264,-, ten laste te brengen van het vermogen van [B];

verbindt aan de verleende machtiging als voorwaarde dat [appellant] en [A] de uit, dan wel als uitvloeisel van de procedure van de wederpartijen te ontvangen gelden zullen terugstorten in het vermogen van [B];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Rijken, J.H. Lieber en M.A.J.S. de Vries Robbé-de Roy van Zuydewijn, bijgestaan door mr. A. Mul als griffier, en is op 14 juni 2011 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.