Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BR0277

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
200.083.967
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De ouders hebben gezamenlijk gezag. De moeder verzoekt toestemming voor een tijdelijke verhuizing met de kinderen naar Dubai.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.083.967

(zaaknummer rechtbank 117079 / FA RK 10-2072)

beschikking van de familiekamer van 14 juni 2011

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen “de moeder”,

advocaat: mr. S.W.F. Rouwette te Apeldoorn,

en

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep, verder te noemen “de vader”,

advocaat: mr. R.J.Th. Leijzer te Elst.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zutphen van 15 december 2010, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 14 maart 2011, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, haar verzoek in eerste aanleg alsnog toe te wijzen en te bepalen dat zij gerechtigd is met de kinderen te verhuizen naar Dubai, dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 april 2011, heeft de vader het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. Hij verzoekt het hof de moeder niet ontvankelijk te verklaren in haar beroep, althans dit beroep af te wijzen.

2.3 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 28 april 2011 een brief van mr. Rouwette van 27 april 2011 met bijlagen;

- op 3 mei 2011 een brief van mr. Leijzer van dezelfde datum met bijlage.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 13 mei 2011 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is mr. M.H.C. Pinxteren verschenen.

3. De vaststaande feiten

3.1 Partijen zijn op [datum] 2002 met elkaar gehuwd. Uit dit huweli[kind 1]eboren

- [kind 1] (verder te noemen “[kind 1]”), op [geboortedatum] 2003, en

- [kind 2] (verder te noemen “[kind 2]”), op [geboortedatum] 2005 (tezamen te noemen “de kinderen”).

Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.

3.2 Bij echtscheidingsconvenant, gedateerd op 12 februari 2007, zijn partijen, voor zover hier van belang, overeengekomen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben en dat een omgangsregeling geldt tussen de vader en de kinderen, waarbij uitgangspunt is dat de kinderen in ieder geval een weekend per veertien dagen, iedere week één dag (woensdag), twee weken aaneengesloten tijdens de zomervakantie en een week tijdens de wintervakantie bij de vader zullen zijn.

3.3 Bij beschikking van 15 maart 2007 heeft de rechtbank Arnhem, voor zover hier van belang, echtscheiding tussen partijen uitgesproken, bepaald dat de kinderen hun gewone verblijfplaats bij de moeder hebben en dat de inhoud van de het echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van de beschikking.

3.4 Nadien is uit de relatie van de moeder met[A] (verder te noemen “[A]”), op [geboortedatum] 2010 [kind 3] geboren. In december 2010 zijn de moeder en [A] gehuwd.

3.5 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 2 november 2010, heeft de moeder de rechtbank verzocht om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking te bepalen dat zij gerechtigd is met de kinderen te verhuizen naar Dubai, dan wel een beslissing te nemen als de rechtbank juist acht.

3.6 Bij verweerschrift, tevens voorwaardelijk verzoek, ingekomen bij de rechtbank op

6 december 2010, heeft de vader de rechtbank verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel dit verzoek af te wijzen, en, voor het geval dat de rechtbank het verzoek toewijst, te bepalen dat de toestemming wordt verleend voor maximaal vier jaren en voorts, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, een contactregeling vast te leggen, inhoudende dat de kinderen bij de vader zullen verblijven:

- drie aaneengesloten weken in de zomervakantie;

- twee aaneengesloten weken in de kerstvakantie;

- een week in de voorjaarsvakantie;

waarbij de moeder de kinderen naar de vader zal brengen en hen zal ophalen en te bepalen dat de moeder een dwangsom verschuldigd zal zijn van € 250,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de moeder niet meewerkt aan deze contactregeling.

3.7 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om te bepalen dat zij gerechtigd is met de kinderen naar Dubai te verhuizen afgewezen.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Tussen partijen is in geschil de verblijfplaats van de kinderen. De moeder heeft het voornemen om met [kind 1] en [kind 2] naar Dubai te verhuizen en de vader kan zich daarmee niet verenigen. Omdat partijen gezamenlijk zijn belast met het ouderlijke gezag over de kinderen, heeft de moeder de toestemming van de vader nodig als zij met de kinderen wil verhuizen.

4.2 Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank, en in hoger beroep het hof, worden voorgelegd.

4.3 De moeder heeft - kort weergegeven - in haar beroepschrift en ter mondelinge

behandeling het volgende aangevoerd. Zij stelt dat zij niet de keuzevrijheid heeft om met de kinderen in Nederland te blijven. Als zij dat wel zou doen, dan verliest [A] zijn huidige baan en gaat het gezinsinkomen verloren. De rechtbank heeft ten onrechte geen rekening gehouden met het recht op gezinsleven, bedoeld in artikel 8 EVRM. Het belang van de moeder en de kinderen om het gezinsverband voort te zetten weegt zwaarder dan het belang van de vader op omgang met de kinderen. De kinderen zijn in staat om de verhuizing goed te doorstaan. Zij maken een normale ontwikkeling door en zij hebben steun in het gezin waarvan [A] deel uitmaakt. De dagelijkse aanwezigheid van [A] als (stief)vader en dagelijks opvoeder is noodzakelijk, ook als rustgevende en voorspelbare factor in het leven van zowel [kind 1] en [kind 2] als van [kind 3]. De moeder heeft een omgangsregeling met de vader voorgesteld waarbij volgens haar de omgang weliswaar minder frequent maar langduriger zal zijn, te weten zes weken in de zomervakantie, twee weken in december en één week in maart/april en zij is bereid de vader op kosten van de werkgever van [A] in te laten vliegen een week in november, februari en mei. Daarnaast maken de moderne communicatiemiddelen een regelmatig en frequent contact tussen de vader en de kinderen mogelijk. De moeder wil de vader hierin tegemoet komen door alle middelen te regelen die daarvoor nodig zijn.

4.4 De vader heeft – kort weergegeven – in zijn verweerschrift en ter mondelinge behandeling gesteld dat er geen noodzaak is voor de moeder om te verhuizen. Het is een afgeleid belang van de carrièrewensen van [A]. De verhuizing is niet in het belang van de kinderen. Voor de kinderen is van belang dat zij intensief contact met hun vader kunnen onderhouden en dat hij zicht houdt op hun dagelijkse gang van zaken. De omgangsregeling zoals door de moeder voorgesteld is geen verruiming van de omgangsdagen en ook het contact met de kinderen zal anders worden. Bij de voorgestelde omgangsregeling wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheden van de man. Hij heeft een eigen bedrijf, een makelaarskantoor, en kan niet in de zomervakantie zes weken vrij nemen. Er is geen sprake van schending van het recht op gezinsleven, want de moeder en [A] hadden geen gezinsleven, omdat hij veel in België was. Daarnaast kan de moeder wel een gezinsleven hebben met [A], maar hij kiest ervoor om te worden uitgezonden naar Dubai. De man is van mening dat zijn belangen dienen te prevaleren boven de belangen van [A] als stiefvader.

4.5 Ter mondelinge behandeling heeft de raad aangegeven de standpunten van beide ouders te begrijpen. De raad heeft overleg gehad met een gedragsdeskundige over de vraag wat in het belang van de kinderen is. De beste optie voor de kinderen is dat iedereen in Nederland blijft wonen. De tweede optie is dat de ouders er in onderling overleg uitkomen, dit zou voor de kinderen prettig zijn. De derde optie is dat de kinderen naar Dubai verhuizen, omdat het in het belang van de kinderen is dat zij een gezin vormen met de moeder, [A] en hun halfzusje met daarnaast contact met hun vader. De kinderen zijn zes en acht jaar. Zij weten wie hun vader is en zij hebben goed contact met hun vader. Ze hoeven daarom niet

per se elke veertien dagen contact te hebben. Het is ook een tijdelijke verhuizing.

4.6 Het hof stelt voorop dat uit het bepaalde in artikel 1:253a BW volgt dat het een

zodanige beslissing dient te nemen als het hof in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij deze beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

4.7 Het hof overweegt als volgt. De moeder erkent dat een frequent contact tussen de kinderen en de vader in het belang van de kinderen is. Met het oog daarop heeft zij ook een omgangsregeling voorgesteld die dat frequente contact inderdaad zou waarborgen. Het hof is van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem praktisch gezien, vanwege de moeilijke situatie waarin hij met zijn makelaarskantoor verkeert, niet haalbaar is om uitvoering te geven aan de door de moeder voorgestelde omgangsregeling. Dit heeft tot gevolg dat het contact tussen de vader en de kinderen onder druk komt te staan. Dit contact kan niet worden gecompenseerd door inzet van de huidige communicatiemiddelen. De kinderen dienen een zo goed mogelijk contact met beide ouders te hebben. De door de moeder bepleite verhuizing van haar en de kinderen naar Dubai zou afbreuk doen aan de verplichting van de moeder om de ontwikkeling van de banden van de kinderen met de vader te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 BW). De kinderen hebben echter ook groot belang bij het gezinsleven dat zij hebben met de moeder en [A], de vader van hun halfzusje. Dat belang zou mogelijk dienen te prevaleren als [A] de functie in Dubai niet met het oog op zijn carrière heeft aanvaard, doch in de gegeven omstandigheden feitelijk geen andere keus had gehad dan deze functie te accepteren. Dat nu heeft de moeder niet aannemelijk gemaakt. Anders dan de moeder stelt volgt uit de brief van de werkgever van [A] van 21 januari 2011 niet dat [A] op dit moment verplicht is om deze carrièrestap te maken; daaruit volgt niet meer dan dat deze stap belangrijk is voor zijn verdere ontwikkeling en doorgroeimogelijkheden binnen het bedrijf. Uit de brief valt ook niet op te maken dat een andere beslissing van [A] tot diens ontslag zou leiden en het hof acht dat, gelet op het feit dat [A] al vanaf 1999 bij zijn huidige werkgever werkt, ook niet aannemelijk. Bovendien is door de moeder niet aannemelijk gemaakt dat als het inkomen van [A] zou wegvallen, dit tot gevolg heeft dat het gezinsinkomen verloren gaat. Gelet op haar opleiding en werkervaring moet de moeder ook in staat worden geacht voor het gezinsinkomen zorg te dragen. De moeder heeft naar het oordeel van het hof, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk gemaakt dat haar verhuizing naar Dubai onontkoombaar is, en dat haar belang bij deze verhuizing zo zwaarwegend is, dat dit opweegt tegen het belang van de vader en de kinderen om frequent contact met elkaar te hebben. Dit zo zijnde komt het hof het in het belang van de kinderen wenselijk voor dat zij niet naar Dubai zullen verhuizen. De bestreden beschikking wordt daarom bekrachtigd.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zutphen van 15 december 2010.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.F. Hillen, H.L. van der Beek en F.M.P.M. Strengers, bijgestaan door mr. W. Nagelhout als griffier, en is op 14 juni 2011 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.