Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ9945

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
04-07-2011
Zaaknummer
24-000342-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank met uitzondering van de strafoplegging. Verdachte wordt ter zake van het medeplegen van een viertal woninginbraken veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de periode die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het hof heeft tevens beslist ten aanzien van de tenuitvoerlegging van een aan verdachte eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

nevenzittingsplaats Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000342-11

Uitspraak d.d.: 30 juni 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 februari 2011 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 07-460511-09, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1991],

gedetineerd en ingeschreven te [woonplaats], [adres],

in [verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 31 maart 2011 en 16 juni 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het hem onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden en tot tenuitvoerlegging van een hem eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. K. Kok, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van de bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafbaarheid van de dader, alsmede de bij deze beslissingen gegeven motiveringen, met uitzondering van de in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen. Het hof zal het bestreden vonnis in zoverre met aanvulling en verbetering van gronden bevestigen.

Ten aanzien van de strafoplegging zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd, om hierna te noemen redenen.

Aanvulling bewijsmiddelen

Het hof is van oordeel dat de zich in het procesdossier bevindende aanvulling van het verkort vonnis, als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering, ten aanzien van feit 3 dient te worden aangevuld met het volgende bewijsmiddel:

* een voor kopie conform het origineel gewaarmerkt proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, RC-nr. 10/587, d.d. 23 september 2010 opgemaakt door de rechter-commissaris H.R. Schimmel.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een mededader schuldig gemaakt aan een viertal woninginbraken. Verdachte heeft telkens uit eigen financieel gewin een groot aantal - kostbare - goederen uit de betreffende woningen weggenomen, waarna deze goederen veelal zijn (door)verkocht. De betreffende woningen zijn hierbij zorgvuldig door verdachte en/of zijn mededader uitgezocht. De slachtoffers van dergelijk delicten ondervinden hiervan - afgezien van de financiële schade - doorgaans nog lang nadelige gevolgen, aangezien zij zich in een voor hen vertrouwde omgeving minder veilig zullen voelen. Verdachte heeft zich van deze mogelijke gevolgen kennelijk keer op keer geen rekenschap gegeven.

Gedurende het onderzoek naar - onder meer - voornoemde feiten is tevens een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine in de woning van verdachte aangetroffen; een goed waarover verdachte heeft verklaard dat dit aan hem toebehoort. Verdachte heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet. De strafwaardigheid van dit feit is in zijn algemeenheid gelegen in de ernstige bedreiging die het gebruik van amfetamine voor de volksgezondheid vormt en de met dit gebruik gepaard gaande criminaliteit, zoals ook in onderhavige zaak is gebleken.

Naast voornoemde op de tenlastelegging genoemde feiten, heeft verdachte zich - naar eigen zeggen - ook schuldig gemaakt aan 17 andere - soortgelijke - strafbare feiten die ad informandum op de dagvaarding zijn gevoegd. Het hof houdt hiermee rekening bij de strafoplegging, evenals met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 18 maart 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een omtrent verdachte door Tactus verslavingszorg opgemaakt reclasseringsadvies van 17 januari 2011. Ten aanzien van de inschatting van het recidiverisico bij verdachte houdt het rapport - onder meer - het volgende in: "Wij achten de kans op recidive in hoge mate aanwezig. Dit wordt ondersteund door de bevindingen van de RISc. Naar onze mening beïnvloeden vooral de denkpatronen, gedrag, vaardigheden, houding en het emotioneel welzijn het recidiverisico in negatieve zin. Dit wordt versterkt door zijn problematisch middelengebruik en zijn beïnvloedbaarheid. Tevens is er sprake van problematisch praktische leefgebieden, zoals het niet hebben van huisvesting of dagbesteding en een slechte financiële situatie." Het advies houdt voorts in: "In de afgelopen vijf jaren heeft betrokkene verschillende (het hof begrijpt: vormen van) hulpverlening gehad, zowel in een ambulante dan wel klinische vorm, een vrijwillig dan wel justitieel kader. Ondanks de ingezette hulpverlening is de kans op recidive niet afgenomen. Hij is meerdere keren gerecidiveerd. Mede gezien zijn problematiek zal een zogeheten 'lange adem' nodig zijn om daadwerkelijk gedragsverandering te kunnen bewerkstelligen. Om de aanwezige kans op recidive te verminderen, achten wij het geïndiceerd dat hij klinisch wordt behandeld in een forensisch kader. In dat kader worden de criminogene factoren van hem behandeld, maar is ook zijn agressie beter hanteerbaar. De forensische klinische behandeling dient plaats te vinden in een justitieel kader. (...) Indien betrokkene zal worden afgestraft en een voldoende groot justitieel kader opgelegd krijgt, kan dit plan van aanpak worden gekaderd in het traject Terugdringen Recidive. Op die manier is het voor het PMO van de gevangenis mogelijk de benodigde DSM-diagnose te stellen, zodat er een indicatiebesluit kan worden afgegeven en betrokkene op basis van artikelplaatsing naar de kliniek kan gaan." Er wordt geadviseerd aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het door verdachte ingestelde appel is blijkens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gericht tegen de aan hem door de rechtbank opgelegde straf. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De raadsman heeft zich ter terechtzitting van het hof op het standpunt gesteld dat er aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden dient te worden opgelegd zodat een - door verdachte gewenste - behandeling zou kunnen plaatsvinden in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. De advocaat-generaal heeft aangegeven zich in het voorstel van de raadsman te kunnen vinden.

Met name de aard en de ernst van de feiten rechtvaardigen naar het oordeel van het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een substantiële duur. Het hof zal deze dan ook aan verdachte opleggen. Het hof ziet - mede gelet op de inhoud van voornoemd reclasseringsadvies - tevens de noodzaak van behandeling van verdachte in. De vraag is echter hoe dit - mede in het licht van de inhoud van het procesdossier - het beste gerealiseerd kan worden. Het ontbreekt het hof op dit moment aan voldoende informatie om in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke straf te bepalen dat verdachte (klinisch) behandeld dient te worden. Met het (alsnog) verkrijgen van dergelijke informatie is tijd gemoeid, terwijl het hof ook inziet dat verdachte baat heeft bij een spoedige afronding van onderhavige zaak. Het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met daaraan (slechts) verbonden de algemene voorwaarde van artikel 14c, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals door de rechtbank is opgelegd, staat een behandeling van verdachte in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de weg. Of verdachte gedurende de executie van een dergelijke voorwaardelijke straf op enig moment in aanmerking komt voor een behandeling, valt buiten de reikwijdte van het rechterlijk oordeel. Dit laatste geldt ook voor het stellen van bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling, waarover - gelet op het bepaalde in artikel 15a, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht - door het openbaar ministerie wordt beslist. Mede gelet echter op voornoemd standpunt van de advocaat-generaal, de inhoud van voornoemd reclasseringsadvies en de door verdachte geuite wens om te worden behandeld, acht het hof het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op dit moment passend en geboden.

Het hof zal - gelet op al het vorenstaande - een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden aan verdachte opleggen, waarbij de behandeling van verdachte kan - en ook zou moeten - plaatsvinden in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 januari 2010, parketnummer 07/460511-09, opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan strafbaar feiten heeft schuldig gemaakt. Derhalve zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14g, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zwolle-Lelystad van 5 januari 2010, parketnummer 07-460511-09, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. W.F. van Zant, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra, griffier,

en op 30 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Van Zant is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.