Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ9479

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-06-2011
Datum publicatie
27-06-2011
Zaaknummer
TBS P11/0104
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De terbeschikkinggestelde is op 24 november 2010 na een incident uit de [kliniek] ontslagen. Op 26 november 2010 wordt hij door de rechter-commissaris heengezonden, waarna hij bij zijn moeder is gaan wonen. De reclassering heeft met de terbeschikkinggestelde na zijn ontslag uit de [kliniek] afspraken gemaakt over onder andere urinecontroles. Gebleken is dat de terbeschikkinggestelde sindsdien diverse malen cannabis, cocaïne, amfetamine en XTC heeft gebruikt, wat door middel van urinecontroles is vastgesteld.

Nu een voorwaarde verbonden aan de terbeschikkingstelling niet is gerealiseerd en een dwingend kader -vanwege een forse terugval in middelengebruik, met het daarbij behorende risico op delictgevaarlijk gedrag- geboden is, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verpleging van overheidswege eist als in de hierna te vermelden beslissing is vervat. Het hof heeft in de beslissing betrokken dat de terbeschikkinggestelde aan de reclassering geen openheid heeft gegeven over het gebruik van drugs en de toename daarvan, zodat dit ook niet bespreekbaar is geworden.

Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen. Het hof komt weliswaar tot dezelfde beslissing als die door de rechtbank is gegeven, maar is van oordeel dat deze beslissing uitsluitend dient te worden gegeven op grond van overtreding van de voorwaarde dat de veroordeelde geen cannabis of andere drugs zal gebruiken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P11/0104

Beslissing d.d. 20 juni 2011

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [plaats] (land) op [geboortedatum],

verblijvende in PI [PI], Huis van Bewaring [Huis van Bewaring], [plaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 3 maart 2011, houdende het bevel dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde d.d. 4 maart 2011;

- het advies van de Reclassering Nederland, regio [regio], van 20 mei 2011, met als bijlage het voortgangsverslag TBS van de reclassering van 20 mei 2011.

Het hof heeft ter zitting van 6 juni 2011 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw Mr. B.A.S.E. Maandag, advocaat te Rotterdam, de getuige-deskundige [getuige-deskundige], als reclasseringswerker verbonden aan de Reclassering Nederland, Toezichtunit [plaats], en de advocaat-generaal mr G.R.C. Veurink.

Overwegingen

Het advies van de Reclassering Nederland

In het advies van de reclassering van 17 december 2010 wordt uiteengezet dat de terbeschikkinggestelde zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden verbonden aan de maatregel. De terbeschikkinggestelde is op 2 augustus 2010 opgenomen in de [kliniek]. In de klinische fase is hij constant de confrontatie en discussie aangegaan. Niettemin heeft de [kliniek] op 9 november 2010 besloten de proefbehandeling te hervatten. Vervolgens heeft op 11 november 2010 een incident plaatsgevonden tijdens de arbeidstherapie, waarbij de terbeschikkinggestelde een medepatiënt heeft verwond met een gloeiende lasdraad. Hierop heeft de kliniek besloten om de behandeling stop te zetten. Op 24 november 2010 is de terbeschikkinggestelde opgehaald bij [kliniek]. Hij is op 26 november 2010 voorgeleid aan de rechter-commissaris. Bij beschikking van 26 november 2010 heeft de rechter-commissaris de vordering tot voorlopige verpleging van de terbeschikkinggestelde afgewezen. De terbeschikkinggestelde is toen bij zijn moeder gaan wonen.

De reclassering heeft op 30 november 2010 afspraken met de terbeschikkinggestelde gemaakt, waaronder de afspraak dat hij zijn medewerking zal verlenen aan twee urinecontroles per week. Bij urinecontroles in de daaropvolgende weken is gebleken dat de ter beschikking gestelde cannabis, cocaïne, amfetamine en XTC (fors) heeft gebruikt.

De reclassering heeft op 30 november 2010 het IFZ verzocht om een herindicatie forensische zorg op te stellen. Het IFZ heeft gerapporteerd dat de ter beschikking gestelde langdurig intensieve behandeling nodig heeft, waarbij een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk is, en dat de [kliniek] de meest geschikte kliniek is voor de behandeling van zijn persoonlijkheidsproblematiek. Er is geen andere FPK geschikt, gelet op de problematiek van de ter beschikking gestelde. Evenmin is een Forensisch Psychiatrische Afdeling (hierna: FPA) geschikt voor hem, omdat het beveiligingsniveau daar niet toereikend is. De terbeschikkinggestelde heeft gespecialiseerde behandeling nodig op het niveau van een FPK en een behandelprogramma dat (buiten de TBS-instellingen) alleen wordt geboden in [kliniek].

De reclassering heeft op basis van het vorenstaande geconcludeerd dat door het gedrag van de ter beschikking gestelde geen invulling kan worden gegeven aan de voorwaarde dat hij zich laat behandelen in de [kliniek] (of een soortgelijke instelling) en dat hij zich niet begeleidbaar opstelt. Daarnaast heeft hij bij herhaling de voorwaarde overtreden dat hij zich dient te onthouden van middelengebruik. Aangegeven is dat momenteel sprake is van een risicovolle en gevaarlijke situatie, die door de reclassering niet meer verantwoord te hanteren is. Daarom wordt omzetting van de van de terbeschikkingstelling met voorwaarden in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege geadviseerd.

Uit het aanvullend advies van 20 mei 2011 komt naar voren dat, omdat de [kliniek] de behandeling staakte, aan het NIFP/IFZ een herindicatie is verzocht.

Het IFZ heeft op 16 december 2010 bericht in een (nieuwe) afgegeven indicatiestelling dat gelet op de ernst van het tenlastengelegde en de persoonlijkheidsproblematiek en de bevindingen van de [kliniek], die concluderen dat hun beveiligingsniveau voor betrokkene niet afdoende is, gezien zijn impulsieve, risicovolle gedrag, een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk is en dat de behandelintensiteit hoog zal moeten zijn en de behandeling langdurig. Het IFZ heeft daaraan toegevoegd dat na bestudering van het straf- en persoonsdossier alsmede intern overleg geen ander indicatieadvies kan worden gegeven voor klinische plaatsing binnen de inmiddels opgelegde maatregel van TBS met voorwaarden, dan reeds is gedaan. Het NIFP/IFZ wil benadrukken dat de [kliniek] de meest geschikte kliniek is voor behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene. De beide andere Nederlandse Forensische Psychiatrische klinieken zijn toegerust voor de behandeling van (chronisch) psychotische stoornissen. Deze behandeling is voor betrokkene, gelet op de vigerende persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek, niet geschikt en eerder gecontraïndiceerd. Het FPA niveau is qua beveiligingsmogelijkheden niet toereikend en valt daardoor ook af als geschikt alternatief. Betrokkene heeft gespecialiseerde behandeling nodig op het niveau van een FPK en een behandelprogramma dat (buiten de TBS instellingen) alleen wordt geboden in de [kliniek].

Nu er geen mogelijkheden zijn om op verantwoorde wijze uitvoering te geven aan een reclasseringstoezicht in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt door de reclassering geadviseerd de omzetting in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

De ter zitting gehoorde getuige-deskundige [getuige-deskundige] heeft het advies van de reclassering gehandhaafd en heeft daaraan toegevoegd dat de terbeschikkinggestelde in een periode van ongeveer vijf weken zeven keer een positieve urinecontrole op drugs heeft gehad en dat hij pas na zijn aanhouding op 5 januari 2011 het gebruik van drugs heeft bekend.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat gebleken is dat voor de terbeschikkinggestelde een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk is. De terbeschikkinggestelde heeft niet in voldoende mate zijn medewerking aan de behandeling in de [kliniek] verleend. Na zijn ontslag daar is hij bij urinecontroles op het gebruik van drugs positief bevonden. Er is geen andere mogelijkheid dan de omzetting in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, aldus de conclusie van de advocaat-generaal.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw

De terbeschikkinggestelde heeft erkend dat hij drugs waaronder cocaïne heeft gebruikt. Hij heeft verder verklaard dat hij van mening is dat hij onvoldoende door de reclassering is ondersteund bij pogingen om elders dan in de [kliniek] te worden geplaatst. Namens de terbeschikkinggestelde is aangevoerd dat niet vaststaat dat de [kliniek] de terbeschikkinggestelde niet (alsnog) opnieuw wil opnemen, zodat een onderzoek daarnaar dient te geschieden. Subsidiair is gesteld dat er te weinig onderzoek is gedaan naar de andere door de rechtbank in het vonnis genoemde behandelmogelijkheden zoals een opname in [kliniek] dan wel [kliniek]. De behandeling van het beroep dient daarom voor nader onderzoek te worden aangehouden. Meer subsidiair is de raadsvrouw van oordeel dat de vordering tot omzetting afgewezen dient te worden omdat het drugsgebruik tijdens een periode van “invrijheidstelling” op zichzelf nog niet dwingt tot een omzetting.

Het oordeel van het hof

Het hof wijst het verzoek tot aanhouding voor het doen van nader onderzoek af, nu het hof dit niet noodzakelijk acht en zich gelet op de voorhanden zijnde informatie voldoende voorgelicht acht om op het beroep te beslissen. Het IFZ heeft immers aangegeven dat ook na herindicatie de [kliniek] de meest geschikte kliniek voor de behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek van de terbeschikkinggestelde is.

De [kliniek] heeft echter in de ontslagbrief van 16 november 2010 vermeld dat besloten is de behandeling van de terbeschikkinggestelde te stoppen en dat naar de mening van de [kliniek], gezien de krenkbaarheid, autoriteitsproblematiek en gebrekkig inzicht, sterk te betwijfelen is of de behandeling binnen een voorwaardelijk kader haalbaar is. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden waaruit volgt dat de [kliniek] op dat standpunt zal terugkomen.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat er geen mogelijkheden voor een behandeling van de terbeschikkinggestelde zijn anders dan in het kader van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Op 4 mei 2010 is aan de terbeschikkinggestelde de TBS-maatregel met voorwaarden opgelegd terzake van een eendaadse samenloop van poging tot doodslag en mishandeling, en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat één van de meest essentiële voorwaarden door de terbeschikkinggestelde niet is nageleefd, te weten de voorwaarde dat de veroordeelde geen cannabis of andere drugs zal gebruiken.

De terbeschikkinggestelde is op 24 november 2010 na een incident uit de [kliniek] ontslagen. Op 26 november 2010 wordt hij door de rechter-commissaris heengezonden, waarna hij bij zijn moeder is gaan wonen.

De reclassering heeft met de terbeschikkinggestelde na zijn ontslag uit de [kliniek] afspraken gemaakt over onder andere urinecontroles. Gebleken is dat de terbeschikkinggestelde sindsdien diverse malen cannabis, cocaïne, amfetamine en XTC heeft gebruikt, wat door middel van urinecontroles is vastgesteld.

Nu een voorwaarde verbonden aan de terbeschikkingstelling niet is gerealiseerd en een dwingend kader -vanwege een forse terugval in middelengebruik, met het daarbij behorende risico op delictgevaarlijk gedrag- geboden is, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verpleging van overheidswege eist als in de hierna te vermelden beslissing is vervat. Het hof heeft in de beslissing betrokken dat de terbeschikkinggestelde aan de reclassering geen openheid heeft gegeven over het gebruik van drugs en de toename daarvan, zodat dit ook niet bespreekbaar is geworden.

Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen. Het hof komt weliswaar tot dezelfde beslissing als die door de rechtbank is gegeven, maar is van oordeel dat deze beslissing uitsluitend dient te worden gegeven op grond van overtreding van de voorwaarde dat de veroordeelde geen cannabis of andere drugs zal gebruiken.

Beslissing

Het hof:

Wijst af het verzoek tot aanhouding.

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 3 maart 2011 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].

Beveelt dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd.

Aldus gedaan door

mr J.M.J. Denie als voorzitter,

mr Y.A.J.M. van Kuijck en mr E. van der Herberg als raadsheren,

en drs. R. Vecht-van den Bergh en drs. T. van Iersel als raden,

in tegenwoordigheid van mw M.C.L. Roelofs als griffier,

en op 20 juni 2011 in het openbaar uitgesproken.

Mr Van der Herberg en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.