Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ9478

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-06-2011
Datum publicatie
27-06-2011
Zaaknummer
TBS P10/0369
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft in aanmerking genomen dat [psychiater], psychiater, in zijn rapport van 10 maart 2010 heeft aangegeven dat de weg naar de voorwaardelijke beëindiging dient te worden gekozen omdat deze meer mogelijkheden biedt om een resocialisatie vorm te geven en dat ook dr. [klinisch psycholoog], klinisch psycholoog, in zijn rapport van maart 2010 heeft vermeld dat de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging de meest werkbare juridische modus lijkt.

Uit het maatregelrapport van het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering te [plaats] van 6 mei 2011, de schriftelijke aanvulling daarop, de verklaring van de reclasseringswerker [getuige-deskundige] ter zitting van het hof, alsmede hetgeen verder ter zitting (met betrokkene) is besproken, heeft het hof niet de overtuiging gekregen dat de kans van slagen van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging erg groot is. Onder meer zal de reclassering niet in staat zijn om de terbeschikkinggestelde zonder de inzet van multidisciplinaire deskundigen op een verantwoorde wijze te begeleiden. De terbeschikkinggestelde heeft bovendien nog geen vrijheden, zodat hij niet naar de intakegesprekken met de AFPN te [plaats] kan gaan. Overigens zegt betrokkene zelf geen idee te hebben waarvoor hij bij het AFPN behandeld zou moeten worden. Tenslotte is niet gebleken dat de terbeschikkinggestelde over een solide netwerk en opvangadres beschikt.

Gelet op het bovenstaande en in het bijzonder gelet op de mate van delictgevaarlijkheid van de terbeschikkinggestelde die bij beëindiging van de maatregel als hoog wordt ingeschat, acht het hof het vanuit veiligheidsoverwegingen niet verantwoord om de verpleging van overheidswege thans voorwaardelijk te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P10/0369

Beslissing d.d. 20 juni 2011

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] [land] op [geboortedatum],

verblijvende in [kliniek] te [plaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Assen van 14 oktober 2010, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde d.d. 20 oktober 2010;

- de brieven van mr J.A.W. Knoester, raadsman van de terbeschikkinggestelde, van 26 oktober 2010 en 21 januari 2011, met bijlagen;

- het faxbericht van het ressortsparket Arnhem gericht aan de Reclassering [plaats] van 28 januari 2011;

- de processen-verbaal van de zittingen van het hof van 21 maart 2011 en 12 mei 2011;

- de aanvullende informatie van [kliniek] van 4 maart 2011, met als bijlage de wettelijke aantekeningen over de periode van 16 juni 2010 tot en met 26 januari 2011;

- het maatregelrapport van het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering te [plaats] van 6 mei 2011;

- de door getuige-deskundige [getuige-deskundige] op de zitting van het hof overgelegde bescheiden, met name een brief van de terbeschikkinggestelde van 27 april 2011 en een aanvulling op het maatregelrapport van 3 juni 2011.

Het hof heeft ter zitting van 6 juni 2011 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr S. Marjanovic, advocaat te Den Haag, de getuige-deskundige [getuige-deskundige], als reclasseringswerker verbonden aan het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering te [plaats], en de advocaat-generaal mr G.R.C. Veurink.

Overwegingen:

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat het recidivegevaar nog als hoog wordt ingeschat en dat op grond daarvan een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging een riskante optie is. De maatregel dient met twee jaar verlengd te worden.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw

Door en namens de terbeschikkinggestelde is aangevoerd dat de verpleging van overheidswege onder voorwaarden kan worden beëindigd, zoals reeds in maart 2010 door de externe deskundigen is aangegeven. De kliniek heeft deze adviezen naast zich neergelegd. De terbeschikkinggestelde heeft verklaard dat hij vertrouwen heeft in de reclassering en het AFPN in [plaats] en dat hij bereid is de door de reclassering voorgestelde voorwaarden na te komen.

Het oordeel van het hof

In het verlengingsadvies van de kliniek wordt onder meer het volgende gesteld.

Behandelpogingen in twee klinieken hebben tot een zeer beperkt behandelresultaat geleid. De kernproblematiek is niet wezenlijk toegankelijk voor verdere behandeling. Daar pathologie en delictgevaarlijkheid verweven zijn, dient betrokkene dan ook als onverminderd recidivegevaarlijk te worden beschouwd.

Het hof heeft in aanmerking genomen dat [psychiater], psychiater, in zijn rapport van 10 maart 2010 heeft aangegeven dat de weg naar de voorwaardelijke beëindiging dient te worden gekozen omdat deze meer mogelijkheden biedt om een resocialisatie vorm te geven en dat ook dr. [klinisch psycholoog], klinisch psycholoog, in zijn rapport van maart 2010 heeft vermeld dat de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging de meest werkbare juridische modus lijkt.

Uit het maatregelrapport van het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering te [plaats] van 6 mei 2011, de schriftelijke aanvulling daarop, de verklaring van de reclasseringswerker [getuige-deskundige] ter zitting van het hof, alsmede hetgeen verder ter zitting (met betrokkene) is besproken, heeft het hof niet de overtuiging gekregen dat de kans van slagen van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging erg groot is. Onder meer zal de reclassering niet in staat zijn om de terbeschikkinggestelde zonder de inzet van multidisciplinaire deskundigen op een verantwoorde wijze te begeleiden. De terbeschikkinggestelde heeft bovendien nog geen vrijheden, zodat hij niet naar de intakegesprekken met de AFPN te [plaats] kan gaan. Overigens zegt betrokkene zelf geen idee te hebben waarvoor hij bij het AFPN behandeld zou moeten worden. Tenslotte is niet gebleken dat de terbeschikkinggestelde over een solide netwerk en opvangadres beschikt.

Gelet op het bovenstaande en in het bijzonder gelet op de mate van delictgevaarlijkheid van de terbeschikkinggestelde die bij beëindiging van de maatregel als hoog wordt ingeschat, acht het hof het vanuit veiligheidsoverwegingen niet verantwoord om de verpleging van overheidswege thans voorwaardelijk te beëindigen.

Het hof is verder van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd, met de volgende aanvulling:

De terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege werd bij arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 3 april 1995 aan de terbeschikkinggestelde opgelegd terzake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten: meermalen diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen dan wel poging daartoe en feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Het hof merkt ten aanzien van de verdere behandeling van de terbeschikkinggestelde op dat ook aan de terbeschikkinggestelde zelf de keuze is om al dan niet (te trachten) aan een behandeling zijn medewerking te verlenen. Tot nu toe heeft hij niet laten blijken dat hij voor enige vorm van behandeling gemotiveerd is en/of bereid is daarvoor inspanningen te leveren.

Beslissing

Het hof:

Bevestigt met aanvulling van gronden de beslissing van de rechtbank Assen van 14 oktober 2010 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].

Aldus gedaan door

mr J.M.J. Denie als voorzitter,

mr Y.A.J.M. van Kuijck en mr E. van der Herberg als raadsheren,

en drs. R. Vecht-van den Bergh en drs. T. van Iersel als raden,

in tegenwoordigheid van mw M.C.L. Roelofs als griffier,

en op 20 juni 2011 in het openbaar uitgesproken.

Mr Denie en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.