Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ8065

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-05-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
200.078.363
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2010:BO3786, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Family life grootmoeder en kleinkind?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.078.363

(zaaknummer rechtbank 202554 / OR RK 10-113)

beschikking van de familiekamer van 31 mei 2011

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de moeder”,

advocaat: mr. H.C.D. Bos te Arnhem,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de grootmoeder”,

advocaat: mr. G. Altena, te Arnhem.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Arnhem van 11 oktober 2010, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 30 november 2010, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de grootmoeder in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek af te wijzen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 januari 2011, heeft de grootmoeder het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. Daarbij heeft de grootmoeder tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De grootmoeder verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de verzoeken van de moeder af te wijzen, althans de moeder in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren en in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking ten dele te vernietigen,

a. voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de omgangsregeling ten huize van de moeder moet plaatsvinden al dan niet in aanwezigheid van de moeder eenmaal per twee weken op zaterdag of zondag gedurende twee uren;

b. voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de achternaam van de minderjarige “[...]” luidt;

en de beschikking voor het overige in stand te laten, en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen en vast te stellen dat de grootmoeder omgang heeft met [het kind], iedere week ter keuze van de moeder op zaterdag of zondag, van 11.00 uur tot 17.00 uur, kosten rechtens.

2.3 Daarop heeft de moeder in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 7 maart 2011, waarin zij het hof verzoekt de verzoeken van de grootmoeder in het hoger beroep af te wijzen, althans haar daarin niet-ontvankelijk te verklaren.

2.4 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 13 april 2011 een brief van mr. Altena van 12 april 2011 met bijlage;

- op 22 april 2011 een brief van mr. Bos van 21 april 2011 met bijlagen.

2.5 Bij brief van 22 april 2011 heeft de moeder haar verzoek vermeerderd, aldus dat zij verzoekt de beschikking van het hof uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.6 De mondelinge behandeling heeft op 3 mei 2011 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Verder is A. el Manouzi, beedigd tolk, verschenen, die het verhandelde ter zitting ten behoeve van de grootmoeder heeft vertaald. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is [...] verschenen.

3. De vaststaande feiten

3.1 De moeder is op 27 augustus 2009 gehuwd met [de vader] (verder te noemen: de vader), de zoon van de grootmoeder. Uit hun huwelijk is op [geboortedatum] 2009 [het kind] geboren, verder te noemen [het kind]. De vader is op 16 januari 2010 in Marokko overleden. De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag.

3.2 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 23 juli 2010, heeft de grootmoeder verzocht een omgangsregeling vast te stellen tussen haar en [het kind], iedere week ter keuze van de moeder op zaterdag of zondag vanaf 11.00 uur tot 17.00 uur.

3.3 Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de grootmoeder recht heeft op omgang met [het kind] éénmaal per 14 dagen op zaterdag of zondag gedurende twee uren bij de moeder thuis in onderling overleg tussen partijen overeen te komen, al dan niet in aanwezigheid van de moeder.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel 1:377a BW geldt dat een kind recht heeft op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. De rechter stelt op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

4.2 Met de eerste grief komt de moeder op tegen het oordeel van rechtbank dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootmoeder en [het kind].

Het hof stelt voorop dat grootmoeder in haar verzoek kan worden ontvangen indien zij voldoende concrete omstandigheden stelt voor het bestaan van gezinsleven (‘family life’) als bedoeld in artikel 8 lid 1 EVRM tussen haar en [het kind]. Daarvoor is het biologisch grootouderschap op zichzelf ontoereikend en komt het aan op de vraag of sprake is van bijkomende omstandigheden. Het hof overweegt dat de grootmoeder bijkomende omstandigheden naar voren moet brengen waaruit een nauwe persoonlijke betrekking met [het kind] kan volgen.

4.3 De grootmoeder stelt dat sprake is van ‘family life’, omdat zij nauw contact onderhield met haar zoon en zijn gezin en zij veelvuldig bij elkaar op bezoek gingen. De moeder betwist dit en stelt dat zij slechts sporadisch bij de grootmoeder op bezoek gingen. Daarnaast voert zij aan dat het gezin na de geboorte van [het kind] tien dagen op vakantie is geweest en de moeder enige tijd borstvoeding heeft gegeven, zodat er weinig tijd en ruimte was voor intensief contact tussen de grootmoeder en [het kind].

4.4 Voorts stelt de grootmoeder dat zij geregeld – in afwezigheid van de moeder – op [het kind] heeft gepast en voor hem heeft gezorgd. De moeder erkent dat zij [het kind] tweemaal aan de grootmoeder heeft toevertrouwd, éénmaal gedurende ongeveer anderhalf uur en éénmaal gedurende ongeveer drie uur of daaromtrent. Zij stelt echter dat zij [het kind] voorafgaand aan deze gelegenheden zelf de fles heeft gegeven en dat [het kind] (grotendeels) sliep gedurende de tijd dat zijn de grootmoeder op hem paste. De grootmoeder heeft dit niet betwist.

4.5 Vast staat dat het contact tussen de moeder en haar schoonfamilie vrij kort na het overlijden van de vader is verbroken. [het kind] was toen ongeveer drie maanden oud. Het hof overweegt dat de grootmoeder, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de moeder, onvoldoende concrete feiten heeft gesteld ter onderbouwing van haar stelling dat gedurende deze korte periode sprake was van frequenter en intensiever contact dan normaal is tussen een grootouder en een kleinkind. Het hof volgt de grootmoeder voorts niet in haar stelling dat het begrip ‘family life’ gelet op de jonge leeftijd van [het kind] zo ruim opgevat moet worden dat daavan reeds sprake is onder de hiervoor genoemde omstandigheden. Het feit dat [het kind] nog zeer jong is en er slechts korte tijd mogelijkheid is geweest voor het opbouwen van ‘family life’, brengt niet mee dat andere criteria van toepassing zijn.

4.6 Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken van bijkomende bijzondere omstandigheden die het bestaan van ‘family life’ als bedoeld in artikel 8 lid 1 EVRM tussen de grootmoeder en [het kind] opleveren. De conclusie in het principaal hoger beroep is dat de eerste grief slaagt, zodat het verzoek van de grootmoeder niet voor toewijzing in aanmerking komt. Hieruit volgt dat de overige grieven in het principaal hoger beroep geen bespreking meer behoeven. Nu de afwijzing van het verzoek van de grootmoeder zich niet leent voor tenuitvoerlegging, zal het hof het verzoek van de moeder de beschikking van het hof uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, afwijzen.

4.7 Uit het voorgaande volgt eveneens dat de eerste grief in het incidenteel hoger beroep niet kan slagen. Ten slotte overweegt het hof dat, hoewel de achternaam van [het kind] volgens de gegevens in de GBA in het dictum van de bestreden beschikking onjuist is gespeld en daarmee de tweede grief in het incidenteel hoger beroep terecht is voorgesteld, dit niet kan leiden tot een andere beslissing.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te beslissen als volgt.

5.2 Gelet op de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende,

in het principaal hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 11 oktober 2010, en, opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de grootmoeder af;

in het incidenteel hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep;

in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Loo, B.M. Mens en B.F. Keulen, bijgestaan door mr. F.C. Alink als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2011.