Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ7314

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
07-06-2011
Zaaknummer
21-002047-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2007:BB3363, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verklaart verdachte – na terugwijzing door de Hoge Raad – niet strafbaar en legt verdachte de maatregel op van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002047-10

Uitspraak d.d.: 1 juni 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van 12 september 2007 in de strafzaak tegen

[Verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Procesgang

De rechtbank Zutphen heeft verdachte in eerste aanleg bij vonnis van 12 september 2007 onder bewezenverklaring van het aan verdachte onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde, niet strafbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts heeft de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd.

Dit gerechtshof heeft in hoger beroep bij arrest van 24 september 2008 - met vernietiging van bovengenoemd vonnis – de verdachte eveneens ter zake van de feiten 1 subsidiair en 2 niet strafbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts heeft het hof de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd.

Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat

1.

hij op 26 juli 2006 te Neede opzettelijk [slachtoffer] (zijn, verdachtes, moeder) van het leven heeft beroofd, immers is verdachte met dat opzet met een jerrycan gevuld met benzine naar de woning van die [slachtoffer] toegegaan, alwaar die [slachtoffer] zich toen bevond, en heeft hij, verdachte, vervolgens de vloer van de woonkamer van die woning met benzine overgoten en vervolgens die benzine, met een aansteker aangestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is verbrand en overleden;

2.

hij op 26 juli 2006 te Neede opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk benzine over de vloer en goederen in de woonkamer van die woning gesprenkeld/gegoten, en opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met benzine, ten gevolge waarvan die goederen in de woonkamer van die woning geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] en/of de bewoner(s) en aanwezige(n) van/in die omliggende woningen te duchten was en het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad en/of gemeen gevaar voor goederen in de rest van die woning en de omliggende woningen te duchten was.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft op het door verdachte ingestelde beroep in cassatie tegen voornoemd arrest bij arrest van 25 mei 2010 voormeld arrest vernietigd maar uitsluitend wat betreft de beslissing ter zake van de strafbaarheid van de verdachte en de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling, de zaak teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en het beroep voor het overige verworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is -na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad- gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 mei 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. ing. M.J. Jansma, naar voren is gebracht.

Aanhoudingsverzoek

De raadsman heeft ter terechtzitting van 18 mei 2011 verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er door de reclassering in zijn ogen niet is voldaan aan de ter terechtzitting van 28 januari 2011 door het hof gegeven opdracht.

Het hof is echter van oordeel dat de reclassering door middel van het reclasseringsadvies van 15 mei 2011 en de nadere mondeling toelichting van de reclasseringsmedewerker ter terechtzitting van 18 mei 2011, bij de stand van zaken op 18 mei 2011, genoegzaam aan de opdracht van het hof heeft voldaan. Het hof acht zich voldoende voorgelicht.

Het verzoek zal worden afgewezen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent verdachte zijn door A.G.S. de Ranitz, psychiater, J.M. Oudejans, psycholoog, J.J. van Egmond, psychiater en J.J.L. Derksen, psycholoog, rapportages uitgebracht. Voorts is J.J. van Egmond op 7 april 2011 als deskundige door de raadsheer-commissaris gehoord en zijn de andere drie genoemde deskundigen ter terechtzitting van 18 mei 2011 gehoord.

A.G.S. de Ranitz, psychiater, en J.M. Oudejans, psycholoog, hebben in hun multidisciplinaire rapportage, gedateerd 11 juni 2007, geconcludeerd:

“Betrokkene (…) lijdt aan een persoonlijkheidsverandering en cognitieve stoornissen (…). Dit betreft een complex van stoornissen in mentale verwerkingssnelheid, aandacht, geheugen, vermogen om te plannen, impulscontrole, het abstraherend vermogen, de algemene belastbaarheid, interactie en relatievormend vermogen met anderen, zelfredzaamheid en prikkelbaarheid. Bij betrokkene springt een groot gebrek aan acceptatie van deze, zijn functioneren sterk beperkende, handicaps in het oog. Hij is erg gevoelig en snel gekrenkt voor de al dan niet vermeende indruk niet als volwaardig gezien te worden. Betrokkene is als gevolg van zijn stoornis impulsief, prikkelbaar, ontremd, affectlabiel en hij verliest snel het overzicht. Onmachtgevoelens worden sterk gevoeld en betrokkene is niet in staat hier op een acceptabele of redelijke manier uiting aan te geven, maar reageert veelal met verbale en ook fysieke agressie. In de ten laste gelegde feiten komt tot uiting dat betrokkene eenmaal geraakt op dat punt waarin hij het meest kwetsbaar is, namelijk de overtuiging niet serieus genomen te worden, impulsief agressief reageert. Zonder dat hij het vermogen heeft zijn emoties en gedrag te sturen, niet gehinderd door enige cognitieve remming, gaat hij er toe over het slachtoffer “de waarheid te zeggen” en te tonen dat er met hem “niet te spotten valt”. Bij betrokkene is het vermogen tot sturing dusdanig gestoord dat het tenlastegelegde hem, vanuit gedragskundig oogpunt, niet toegerekend kan worden. Wij achten betrokkene dan ook volledig ontoerekeningsvatbaar.”

A.G.S. de Ranitz en J.M. Oudejans, hebben in hun multidisciplinaire rapportage, gedateerd 29 oktober 2010, geconcludeerd dat aanvullend onderzoek hen geen aanleiding heeft gegeven om ten aanzien van de diagnostiek hun bovengenoemde eerdere conclusies te wijzigen. Dat hebben zij herhaald in hun verklaringen, afgelegd ter terechtzitting van 18 mei 2011.

J.J. van Egmond, psychiater, heeft in zijn rapportage, gedateerd 30 december 2010, geconcludeerd:

“Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis en deze is te omschrijven als een bij perioden optredende paranoïde psychotische stoornis (…) met daarnaast (…) een persoonlijkheidsverandering van het ontremde type. Ten tijde van het plegen van hetgeen waarvoor betrokkene is veroordeeld (…) was hij paranoïd psychotisch met ernstige agressieve ontremming. De ziekelijke stoornis beïnvloedde onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. De conclusie aangaande de toerekeningsvatbaarheid is: ontoerekeningsvatbaar.”

Van Egmond is op verzoek van de raadsman op 7 april 2011 gehoord door de raadsheer-commissaris. In dat verhoor heeft hij zijn conclusies gehandhaafd en verklaard dat hij TBS met verpleging noodzakelijk acht, omdat er sinds 2008 sprake is van een significante achteruitgang van verdachte. Eventueel op te leggen voorwaarden zijn daardoor niet bespreekbaar.

J.J.L. Derksen, psycholoog, heeft twee rapportages, gedateerd 21 februari 2008 en 11 april 2011, over verdachte opgesteld. In die rapportages heeft Derksen – anders dan bovengenoemde deskundigen – geconcludeerd dat verdachtes mentale en fysieke toestand hem verminderd toerekeningsvatbaar maakt. Ter terechtzitting van 18 mei 2011 is hij als deskundige gehoord. Op die terechtzitting heeft hij – anders dan in zijn rapportages – verklaard, zakelijk weergegeven, dat verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten waarschijnlijk psychotisch was en dat - indien hij dat daadwerkelijk was - verdachte toen ontoerekeningsvatbaar was.

Het hof neemt de conclusies van de deskundigen De Ranitz, Oudejans en Van Egmond over, maakt die tot de zijne en acht de verdachte niet strafbaar. Verdachte zal derhalve worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging en dat hem de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis. De raadsman heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat er psychiatrische ziekenhuizen zijn die wel voldoende beveiliging bieden. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat deze maatregel weliswaar slechts voor de duur van één jaar kan worden opgelegd, maar dat een betrokkene na deze maatregel niet zomaar “de poort kan uitwandelen’. Op grond van de Wet BOPZ kan de rechter immers op verzoek van de officier van justitie een machtiging tot voortgezegd verblijf verlenen en de geldigheidsduur van de verblijfstitel kan meermalen worden verlengd, aldus de raadsman.

De hierboven met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte genoemde deskundigen hebben ook geconcludeerd omtrent de op te leggen maatregel.

De Ranitz en Oudejans hebben in hun rapportage van 11 juni 2007 geconcludeerd:

“ Wanneer betrokkene opnieuw geraakt zou worden op het snijvlak tussen behoefte aan autonomie, onvermogen en acceptatieproblematiek achten wij de kans op herhaling van impulsief agressieve delicten met groot gevaar voor anderen en/of betrokkene zelf, groot. (…). Betrokkenes echtgenote, haar eventuele nieuwe partner en betrokkenes broer [broer van verdachte] lopen op het moment van schrijven van dit rapport het grootste risico een dergelijke plaats in te nemen. Er bestaat echter ook gevaar voor escalatie in alle andere omstandigheden waarin betrokkene zich niet serieus genomen en benadeeld voelt. Vanwege bovenstaande overwegingen en het feit dat de aandoening van betrokkene van een dergelijke aard, ernst en omvang is dat volledig herstel uitgesloten en langdurige begeleiding en behandeling noodzakelijk is, adviseren wij om aan betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen.”

In hun nadere rapportage van 29 oktober 2010 en ter terechtzitting van 18 mei 2011 zijn De Ranitz en Oudejans bij deze conclusie gebleven. Ter terechtzitting hebben deze deskundigen nog verklaard dat zij de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar te kort vinden voor een goede behandeling en dat het noodzakelijke beveiligingsniveau niet te realiseren is in een psychiatrisch ziekenhuis.

Ook Van Egmond heeft in zijn rapportage van 30 december 2010 en bij zijn verhoor door de raadsheer-commissaris op 7 april 2011 geconcludeerd dat hij de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk acht.

Derksen heeft in zijn beide rapportages alsmede ter terechtzitting van 18 mei 2011 geadviseerd om verdachte de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen. Derksen heeft verklaard dat verdachte het beste kan worden behandeld in een psychiatrisch ziekenhuis. Behandeling in een TBS-kliniek is wel mogelijk, aldus Derksen, maar deze behandeling zal niet van hetzelfde niveau zijn als die in een psychiatrisch ziekenhuis.

Oordeel hof

Het hof neemt de conclusies van de deskundigen De Ranitz, Oudejans en Van Egmond over en maakt die tot de zijne. Op grond van deze conclusies acht het hof het zeer waarschijnlijk dat de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis niet lang genoeg van duur is om verdachte goed te behandelen. Mede in aanmerking genomen het als hoog ingeschatte recidiverisico eist de veiligheid van personen, in het bijzonder de hiervoor genoemde bekenden van verdachte, de oplegging van de maatregel van terbeschikking met dwangverpleging.

De vrees van de deskundige Derksen dat verdachte in een TBS-kliniek in zijn ogen niet de optimale zorg zal krijgen, maakt dat niet anders. Immers, de andere deskundigen zijn van mening dat hij wel degelijk goede zorg kan krijgen in een TBS-kliniek. Voorts heeft Derksen slechts verklaard dat de kwaliteit van de behandeling in een door hem met naam genoemd psychiatrisch ziekenhuis, vanwege het feit dat daar een behandelteam om de patiënt heen staat, hoger is dan die in een TBS-kliniek, maar dat de behandeling van verdachte in een TBS-kliniek wel degelijk mogelijk is. Ten slotte staat naar het oordeel van het hof niets een TBS-kliniek in de weg om ten behoeve van de behandeling van verdachte zonodig collegiaal advies in te winnen of expertise van buiten de kliniek in te schakelen.

Ook de door de raadsman aangevoerde mogelijkheden op grond van de Wet BOPZ maken dat niet anders, nu het hof om algemene veiligheidsredenen bij zijn beslissing en het vervolg daarop niet afhankelijk wil zijn van een eventueel verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf van een officier van justitie.

Het hof zal derhalve de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van verdachte bevelen, nu de bewezen verklaarde feiten misdrijven zijn die worden genoemd in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1º van het Wetboek van Strafrecht en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist.

Het hof overweegt dat de terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van misdrijven, te weten doodslag en opzettelijke brandstichting, die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 55, 157 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het ter zitting van 18 mei 2011 gedane verzoek om aanhouding;

Vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre – ten aanzien van het bij arrest van dit gerechtshof van 24 september 2008 in het oorspronkelijke hoger beroep onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde – opnieuw recht:

Verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Aldus gewezen door

mr H. Abbink, voorzitter,

mr M.L.H.E. Roessingh-Bakels en mr B.W.M. Hendriks, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr W.B. Kok, griffier,

en op 1 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.