Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ6277

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-05-2011
Datum publicatie
27-05-2011
Zaaknummer
200.081.252
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2010:BP1806, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; patiënte vordert veroordeling om haar in het ziekenhuis met een specifiek medicijn te behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.081.252 en 200.081.251

(zaaknummer / rolnummer rechtbank 210002 / KG ZA 10-824)

arrest in kort geding van de eerste civiele kamer van 24 mei 2011

in de hoofdzaak onder nummer 200.081.252 tussen

de stichting Stichting Katholieke Universiteit,

gevestigd te Nijmegen,

appellante,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.L.H. Maas;

en in de vrijwaringszaak onder nummer 200.081.251 tussen

de stichting Stichting Katholieke Universiteit,

gevestigd te Nijmegen,

appellante,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe,

tegen

de naamloze vennootschap VGZ Zorgverzekeraar N.V.,

gevestigd te Nijmegen,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.F. van der Mersch.

Voorts in beide zaken

Partijen zullen hierna de stichting, [geïntimeerde] en VGZ worden genoemd.

1. Het geding in eerste aanleg in hoofdzaak en in vrijwaring

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding in hoofdzaak en in vrijwaring van 28 december 2010 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem tussen partijen heeft gewezen. In de hoofdzaak trad [geïntimeerde] op als eiseres tegen (onder meer) VGZ en de stichting als gedaagden. In de vrijwaringszaak trad VGZ op als eiseres en de stichting als gedaagde. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep in hoofdzaak en in vrijwaring

2.1 De stichting heeft bij exploot van 24 januari 2011 [geïntimeerde] aangezegd van het hiervoor genoemde vonnis van 28 december 2010, voor zover gewezen in de hoofdzaak, in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof. Daarbij heeft zij acht grieven tegen het bestreden vonnis in hoofdzaak aangevoerd en toegelicht en heeft zij bewijs aangeboden. De stichting heeft aangekondigd te zullen vorderen dat het hof het bestreden vonnis in de hoofdzaak zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog volledig zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde], bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, in de kosten van de beide instanties. Aan het exploot zijn producties gehecht.

2.2 Op de rol van 8 februari 2011 heeft de stichting geconcludeerd overeenkomstig de eis zoals vervat in voormeld exploot.

2.3 Bij memorie van antwoord tevens houdende exceptie van onbevoegdheid heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd, bewijs aangeboden, en producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd (naar het hof begrijpt) dat het hof zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van het hoger beroep, dan wel de stichting niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, althans het bestreden vonnis zal bekrachtigen, zo nodig met verbetering van gronden, met veroordeling van de stichting – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van het hoger beroep, onder bepaling dat over de proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te wijzen arrest.

2.4 De stichting heeft eveneens bij exploot van 24 januari 2011 VGZ aangezegd van het hiervoor genoemde vonnis van 28 december 2010, voor zover gewezen in de vrijwaringszaak, in hoger beroep te komen, met dagvaarding van VGZ voor dit hof. Daarbij heeft zij zes grieven tegen het bestreden vonnis in vrijwaring aangevoerd en toegelicht en heeft zij bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. De stichting heeft aangekondigd te zullen vorderen dat het hof het bestreden vonnis in de vrijwaringszaak zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van VGZ alsnog volledig zal afwijzen, met veroordeling van VGZ, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, in de kosten van de beide instanties, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest en, voor het geval voldoening niet binnen die termijn plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van dit arrest tot aan de dag der algehele voldoening met veroordeling van VGZ in de nakosten van € 131,- danwel, indien betekening plaatsvindt, van € 199,-, te vermeerderen met de eventuele verdere executiekosten.

2.5 Op de rol van 8 februari 2011 heeft de stichting geconcludeerd overeenkomstig de eis zoals vervat in het onder 2.4 vermelde exploot.

2.6 Bij memorie van antwoord heeft VGZ verweer gevoerd. Zij heeft geconcludeerd dat het hof de stichting niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, althans, met verwerping van de aangevoerde grieven, het bestreden vonnis, zo nodig met verbetering en aanvulling van gronden, zal bekrachtigen, met veroordeling van de stichting in de kosten van het hoger beroep.

2.7 Op 22 april 2011 is allereerst een pleidooi gehouden in de hoofdzaak en vervolgens in de vrijwaringszaak. In het pleidooi in de hoofdzaak is namens [geïntimeerde] niemand verschenen. De stichting heeft haar zaak in de hoofdzaak doen bepleiten door mr. P. Bergkamp, advocaat te Nijmegen. Hij heeft daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Mr. Bergkamp voornoemd heeft voorafgaand aan de zitting, bij faxberichten en per gewone post verzonden brieven van 7 april 2011 en 19 april 2011, producties aan [geïntimeerde] en het hof gezonden. Nu namens [geïntimeerde] niemand ter zitting is verschenen, heeft het hof geen acht geslagen op het op voorhand toegezonden bezwaar tegen de op 19 april 2011 verzonden productie. Het hof heeft aan mr. Bergkamp akte verleend van het in het geding brengen van voornoemde (kort en eenvoudig te doorgronden) producties.

In de vrijwaringszaak heeft de stichting haar zaak doen bepleiten door mr. K. Mous, advocaat te Nijmegen en heeft VGZ haar zaak doen bepleiten door mr. M.F. van der Mersch, advocaat te Den Haag. Beide advocaten hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.8 Vervolgens heeft het hof zowel in de hoofdzaak als in de vrijwaringszaak arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten in hoofdzaak en in vrijwaring

Het hof gaat uit van de in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 vastgestelde feiten.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep in hoofdzaak en in vrijwaring

In de hoofdzaak

4.1 [geïntimeerde] heeft zich allereerst beroepen op de onbevoegdheid van het hof om van het onderhavige hoger beroep kennis te nemen. Dat beroep is gegrond op de stelling dat haar vordering in eerste aanleg niet meer beloopt dan € 1.750,-, zodat ingevolge artikel 332 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen hoger beroep tegen het bestreden vonnis openstaat.

4.2 Het hof stelt voorop dat hoger beroep van een non-appellabele uitspraak niet leidt tot onbevoegdheid van het hof doch tot niet-ontvankelijkheid van de appellant. Anders dan [geïntimeerde] is naar het oordeel van het hof echter geen sprake van een non-appellabel vonnis. Immers, [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd de stichting te veroordelen ervoor zorg te dragen dat haar behandeling met infliximab uiterlijk woensdag 29 december 2010 kan plaatsvinden zolang deze medisch geïndiceerd is. Dit betreft een vordering van onbepaalde waarde. Ook wanneer ervan wordt uitgegaan dat [geïntimeerde] nog slechts één behandeling met infliximab in het UMC St. Radboud (hierna: het Radboud Ziekenhuis) wenste, hetgeen gelet op de inhoud van de dagvaarding en de bewoordingen van het petitum “zolang deze medisch geïndiceerd is” niet erg voor de hand ligt, kan gelet op de aard van de vordering niet worden geoordeeld dat deze vordering een bepaalde waarde (lager dan € 1.750,-) vertegenwoordigt. Het voorgaande betekent dat de stichting ontvankelijk is in haar beroep en dat het beroep op onbevoegdheid van het hof faalt.

4.3 De voorzieningenrechter heeft voormelde vordering van [geïntimeerde] toegewezen. Hij heeft daartoe overwogen dat onder de omstandigheden van het geval – waaronder de omstandigheden dat [geïntimeerde] reeds 5 jaar succesvol is behandeld met infliximab, dat zij heeft verklaard de voorkeur te geven aan behandeling met infliximab in het Radboud Ziekenhuis boven toediening van adalimumab thuis, dat het door de stichting genoemde infectiegevaar zich in de afgelopen 5 jaar niet heeft verwezenlijkt, en dat de stichting heeft verklaard dat ook financiële redenen ten grondslag liggen aan de beslissing om [geïntimeerde] voortaan met adalimumab te behandelen – het belang van [geïntimeerde] bij voortzetting van de behandeling met infliximab zwaarder weegt dan het belang van de stichting bij stopzetting ervan. Zolang geen duidelijkheid bestaat over de vraag of toediening van infliximab bij [geïntimeerde] uit medisch oogpunt nodig is – welke vraag in een kort geding niet beantwoord kan worden –, dienden, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, de behandelingen met infliximab voortgezet te worden.

4.4 Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde], overeenkomstig die veroordeling, op 29 december 2010 in het Radboud Ziekenhuis is behandeld met infliximab. Nadien heeft [geïntimeerde] de behandelingsovereenkomst met de stichting beëindigd en heeft zij de behandelingen met infliximab voortgezet in een ander ziekenhuis.

4.5 De grieven van de stichting lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.6 De stichting stelt zich – onder meer – op het standpunt dat met het bestreden vonnis de professionele autonomie van de behandelend artsen op ontoelaatbare wijze is ingeperkt. De afdeling maag-, darm- en leverziekten (hierna: de afdeling MDL) van het Radboud Ziekenhuis, waarvan prof. dr. [A.] (hierna: [A.]) hoofd is, heeft in oktober 2010 besloten om alle patiënten met de ziekte van Crohn die met infliximab worden behandeld om te zetten naar adalimumab. Die beslissing vloeit volgens de stichting voort uit het feit dat adalimumab sinds 2007 in Nederland is geregistreerd voor de behandeling van de ziekte van Crohn, dat uit de ervaringen die sindsdien met dat middel zijn opgedaan blijkt dat de behandeling met adalimumab voor patiënten met de ziekte van Crohn net zo effectief is als de behandeling met infliximab, en dat de risico’s die gepaard gaan met behandeling met infliximab aldus kunnen worden vermeden. Deze risico’s betreffen het risico op allergische reacties omdat infliximab anders dan adalimumab geen mensenmolecuul is (maar een muizenmolecuul) en het risico op infusiereacties omdat infliximab intraveneus – door inspuiting in de aderen – moet worden toegediend (in tegenstelling tot adalimumab dat subcutaan – door inspuiting vlak onder de huid – wordt toegediend). Met name de gevolgen van infusiereacties kunnen zeer ernstig zijn. Een infusiereactie kan optreden na iedere infusie, ook wanneer een patiënt na jarenlange behandeling nooit een infusiereactie heeft gehad. Het risico op infusiereacties is volgens de stichting ongeveer 22%. Daarnaast is adalimumab patiëntvriendelijker doordat het thuis kan worden ingespoten, terwijl infliximab alleen in een kliniek kan worden toegediend. De ervaringen die het Radboud Ziekenhuis met de omzetting van patiënten van infliximab naar adalimumab heeft gedaan zijn uitstekend, aldus de stichting.

4.7 [geïntimeerde] betwist niet dat adalimumab even effectief is in de behandeling van patiënten met de ziekte van Crohn als infliximab, doch zij stelt zich op het standpunt dat, wanneer de behandeling met één van beide middelen eenmaal is aangevangen en succesvol verloopt, de substitutie van dat middel door het andere middel niet tot de (huidige) stand van de wetenschap en de praktijk behoort. Wetenschappelijke publicaties die aantonen dat substitutie van beide geneesmiddelen mogelijk is ontbreken, en zowel de nationale richtlijn ‘Diagnostiek en Behandeling van inflammatoire darmziekten bij volwassenen’ als de internationale Guidelines van het National Institute for Health and Clinical Excellence zwijgen over de mogelijkheid van substitutie. Daartegenover staat dat er wel een ‘abstract’ is verschenen naar aanleiding van een onderzoek van prof. G. van Assche, hoogleraar van de afdeling MDL van het Universitair ziekenhuis te Leuven, en collega’s (overgelegd als productie 3 bij inleidende dagvaarding) waaruit blijkt dat TNF-a-remmers niet zonder meer onderling uitwisselbaar zijn en dat het wisselen tijdens een behandeling risico’s met zich brengt. Volgens [geïntimeerde] is de omzettingsbeslissing voornamelijk gestoeld op kostenoverwegingen van het ziekenhuis (de verstrekking van adalimumab drukt, anders dan de verstrekking en toediening van infliximab, niet op het budget van het ziekenhuis). De door [A.] op 19 oktober 2010 meegedeelde behandelbeslissing, die zonder nader onderzoek naar de noodzaak daartoe voor [geïntimeerde] is genomen, is derhalve volgens [geïntimeerde] medisch gezien niet verantwoord. In het kader van de tussen haar en het Radboud Ziekenhuis bestaande geneeskundige behandelingsovereenkomst, mocht zij dan ook continuering van de succesvolle behandeling met infliximab verlangen. Bovendien heeft de voorzieningenrechter haar belangen terecht zwaarder laten wegen dan die van de stichting, aldus [geïntimeerde].

4.8 In artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de hulpverlener bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht moet nemen en dat hij daarbij moet handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Het hof merkt daarbij op dat de professionele autonomie van de arts met zich brengt dat de civiele rechter zich bij de beantwoording van de vraag of een patiënt in het kader van een geneeskundige behandelingsovereenkomst een specifieke medische behandeling kan afdwingen van zijn zorgverlener, terughoudend dient op te stellen. In beginsel zal voor toewijzing van een door een patiënt gevorderde medische behandeling dan ook slechts plaats zijn indien de patiënt aantoont, dan wel – in het geval van een kort geding – voldoende aannemelijk maakt, dat weigering van de verlangde behandeling strijdig is met de medisch-professionele standaard en dat een zorgvuldig handelend arts in redelijkheid niet tot die weigering had kunnen komen. In het kader van de in een kort geding uit te voeren belangenafweging kan het voorts zo zijn dat een eventuele noodtoestand die voor de patiënt zou ontstaan ten gevolge van het niet verlenen van de door de patiënt gewenste behandeling, aanleiding kan vormen een voorziening te treffen teneinde die noodtoestand af te wenden.

4.9 Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] in het onderhavige kort geding onvoldoende aannemelijk gemaakt dat wijziging van haar behandeling met infliximab in een behandeling met adalimumab medisch gezien onverantwoord en in strijd met de medisch-professionele standaard is. Weliswaar zou het onder 4.7 genoemde ‘abstract’ een aanwijzing kunnen vormen voor mogelijke risico’s bij omzetting op adalimumab, doch tussen partijen staat vast dat dit abstract niet is gebaseerd op of heeft geleid tot een ‘peer reviewed’ wetenschappelijke publicatie. De stichting heeft uitgelegd dat (en waarom) in het Radboud Ziekenhuis beslissingen die in de klinische praktijk worden genomen niet op resultaten worden gebaseerd die uitsluitend in ‘abstractvorm’ zijn gepubliceerd. Daarbij heeft zij verwezen naar de inhoud van de brief van prof. dr. [B.], vice-voorzitter/decaan van de Raad van Bestuur van het Radboud Ziekenhuis (hierna: [B.]), die op 16 december 2010 aan de advocaat van [geïntimeerde] is gezonden en waarin de redenen van dit beleid zijn uiteengezet (deze brief is overgelegd als productie 4 bij inleidende dagvaarding). Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft de stichting daarmee voldoende gemotiveerd betwist dat op basis van voornoemd abstract kan worden aangenomen dat omzetting van infliximab op adalimumab medisch gezien onverantwoord is.

4.10 Ook het feit dat er (in andere ziekenhuizen) MDL-artsen zijn die – op basis van dat abstract, dan wel op grond van het ontbreken van wetenschappelijke studies die aantonen dat TNF-a-remmers onderling uitwisselbaar zijn – ervoor kiezen om de behandeling met infliximab bij patiënten met de ziekte van Crohn niet om te zetten in een behandeling met adalimumab, zoals uit de door [geïntimeerde] overgelegde verklaringen en opinies blijkt, is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat die omzetting in strijd is met de medisch-professionele standaard. Binnen de professionele standaard kan immers verschil van inzicht bestaan over de te prefereren wijze van behandeling.

4.11 Als productie 1 bij memorie van grieven heeft de stichting overgelegd een notitie van [A.] waarin de medisch-inhoudelijke argumenten van de afdeling MDL van het Radboud Ziekenhuis zijn toegelicht. Daarin wordt onder meer gewezen op de risico’s verbonden aan (de wijze van toediening van) infliximab (aangehaald onder 4.6) en op het feit dat observaties bij patiënten met de ziekte van Crohn die er zelf de voorkeur aan hebben gegeven om te switchen van infliximab naar adalimumab aantonen dat het switchen naar adalimumab veilig is en geen verergering geeft van de ziekte. Ten pleidooie in hoger beroep is dienaangaande door [A.] nader toegelicht dat er in 2008 en 2009 al verscheidene patiënten op eigen verzoek zijn omgezet en dat de ervaringen daarmee goed zijn. Datzelfde geldt voor de patiënten die op instigatie van de afdeling MDL in oktober 2010 zijn omgezet op adalimumab. Voorts is ten pleidooie (onbetwist) gesteld dat er in het Erasmus MC in 2007 al een omzetting van de behandeling met infliximab naar een behandeling met adalimumab heeft plaatsgevonden op vergelijkbare schaal als thans in het Radboud Ziekenhuis.

4.12 [geïntimeerde] heeft niet (gemotiveerd) betwist dat aan behandeling met infliximab de door de stichting genoemde risico’s zijn verbonden. Evenmin heeft zij (voldoende gemotiveerd) betwist de stelling dat de tot nu toe opgedane ervaringen met omzetting op adalimumab positief zijn.

4.13 Nu [geïntimeerde] ook overigens onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangedragen die haar stelling kunnen schragen dat de omzetting op adalimumab medisch gezien onverantwoord is, gaat het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, voorshands ervan uit dat zowel de beslissing tot continuering van ingezette behandelingen met infliximab als de beslissing tot omzetting van de behandeling met infliximab naar een met adalimumab, (op dit moment) behoort tot de medisch-professionele standaard. Dat de afdeling MDL van het Radboud Ziekenhuis, in verband met de door haar gekozen beleidswijziging, in redelijkheid niet kon weigeren haar behandeling met infliximab voort te zetten, is dan ook niet aannemelijk geworden. Indien [geïntimeerde] zich niet kon verenigen met het nieuwe beleid kon zij, zoals zij in januari 2011 ook heeft gedaan, de geneeskundige behandelingsovereenkomst met het Radboud Ziekenhuis beëindigen en een nieuwe behandelingsovereenkomst aangaan met een hulpverlener die er wel voor kiest de behandeling met infliximab te continueren.

4.14 Resteert de vraag of de in kort geding uit te voeren belangenafweging, in verband met een mogelijke noodtoestand aan de kant van [geïntimeerde], maakte dat de gevorderde behandeling met infliximab op uiterlijk 29 december 2010 bij wege van voorlopige voorziening moest worden toegewezen, in die zin dat de stichting ervoor diende te zorgen dat [geïntimeerde] nog eenmaal in het Radboud Ziekenhuis met infliximab behandeld zou worden.

4.15 In het kader van die belangenafweging acht het hof van belang dat, naar tussen partijen vaststaat, [geïntimeerde] om de zes weken infliximab kreeg toegediend, dat aan haar reeds op 19 oktober 2010 is meegedeeld dat het ziekenhuis haar voortaan wilde behandelen met het geneesmiddel adalimumab, dat zij daarna op 5 november 2010 nog eenmaal behandeld is met infliximab, en dat [A.] bij brief van 15 november 2010 (op het bij brief van de advocaat van [geïntimeerde] van 10 november 2010 gedane verzoek) heeft uitgelegd wat de medische beweegredenen zijn van de substitutie. Vervolgens heeft de advocaat van [geïntimeerde] bij brief van 14 december 2010 verzocht om de behandeling met infliximab voort te zetten. Daarop is bij brief van 16 december 2010 door [B.] afwijzend gereageerd. Bij die brief werd zij uitgenodigd om toch op de reeds afgesproken dag 22 december 2010 te verschijnen voor de start van de behandeling met adalimumab, doch zij heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Niet is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] na het gesprek op 19 oktober 2010 (vruchteloos) heeft geprobeerd een ander ziekenhuis te vinden dat wel bereid was de behandeling met infliximab te continueren; dat dit een reële optie was blijkt al uit het feit dat zij later (naar de stichting ten pleidooie onbetwist heeft gesteld: medio januari 2011) alsnog ervoor heeft gekozen de behandeling in een ander ziekenhuis voort te zetten. [geïntimeerde] koos ervoor om, uiteindelijk middels dit kort geding (ingeleid bij dagvaarding van 27 december 2010), te pogen behandeling met infliximab in het Radboud Ziekenhuis af te dwingen. Aldus heeft [geïntimeerde] zichzelf in de situatie gebracht waarin er eind december 2010 een dringende noodzaak bestond voor toediening van een TNF-a-remmer (naar de wens van [geïntimeerde] het middel infliximab). Voormelde omstandigheden in aanmerking nemend, oordeelt het hof dat ook een belangenafweging niet ertoe kan leiden dat de stichting gehouden was [geïntimeerde] (uiterlijk 29 december 2010) nog eenmaal met infliximab te behandelen.

4.16 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient de door [geïntimeerde] jegens de stichting gevorderde voorziening alsnog te worden afgewezen. Hetgeen [geïntimeerde] overigens nog heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. [geïntimeerde] heeft bewijs aangeboden van haar stellingen. Deze kort gedingprocedure leent zich echter niet voor bewijslevering, zodat het hof reeds om die reden aan dat bewijsaanbod voorbijgaat.

In de vrijwaringszaak

4.17 Nu de vordering in hoofdzaak alsnog zal worden afgewezen, luidt de conclusie dat de vordering in vrijwaring eveneens alsnog dient te worden afgewezen. Het hof komt derhalve niet toe aan de behandeling van het hoger beroep in vrijwaring.

In de hoofdzaak en de vrijwaringszaak voorts

Slotsom

4.18 Het hoger beroep in de hoofdzaak treft doel. Het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De vordering van [geïntimeerde] jegens de stichting zal alsnog worden afgewezen. [geïntimeerde] zal veroordeeld worden in de door de stichting gemaakte proceskosten in beide instanties.

4.19 Uit het slagen van het hoger beroep in de hoofdzaak vloeit voort dat het vonnis in vrijwaring zal worden vernietigd en dat de vordering in vrijwaring alsnog dient te worden afgewezen. VGZ zal worden veroordeeld in de kosten van de vrijwaring in beide instanties.

5. De beslissing in hoofdzaak en in vrijwaring

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

In de hoofdzaak

vernietigt het tussen [geïntimeerde] en de stichting in hoofdzaak gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem van 28 december 2010 en doet opnieuw recht;

wijst de jegens de stichting gevorderde voorziening alsnog af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van de stichting wat betreft de eerste aanleg begroot op € 816,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 560,- voor griffierecht en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep begroot op € 2.682,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, op € 649,- voor griffierecht, en op € 90,81 aan explootkosten;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In de vrijwaringszaak

vernietigt het tussen VGZ en de stichting in vrijwaring gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem van 28 december 2010 en doet opnieuw recht;

wijst de vordering in vrijwaring alsnog af;

veroordeelt VGZ in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van de stichting wat betreft de eerste aanleg begroot op € 816,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep begroot op € 2.682,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, en op € 90,81 aan explootkosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt VGZ in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval VGZ niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart de (proces)kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, A. Smeeïng-van Hees en H.L. Wattel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2011.