Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ6171

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
26-05-2011
Zaaknummer
200.074.460-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moeder telefonisch meegedeeld machtiging UHP voor 6 maanden; in beschikking machtiging voor 1 jaar verleend, zodat sprake is van kennelijke fout. Nu de vrouw bij de rechtbank geen herstelbeschikking of anderszins om een correctie heeft gevraagd, gaat het hof ervan uit dat de machtiging voor een jaar is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 20 januari 2011

Zaaknummer 200.074.460

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. K.A.M. Rademaker, kantoorhoudende te Lelystad,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Lelystad,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad.

Belanghebbenden:

1 [belanghebbende 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader;

2 William Schrikker Groep Jeugdbescherming,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de WSG;

3 [belanghebbende 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 12 augustus 2010 heeft de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, - voor zover hier van belang - de WSG namens Bureau Jeugdzorg Flevoland een machtiging verleend om de minderjarige [kind], geboren [in 2007], met ingang van 12 augustus 2010 uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de termijn van de ondertoezichtstelling, te weten een jaar.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 30 september 2010, heeft de moeder verzocht de beschikking van 12 augustus 2010 te vernietigen voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing betreft en opnieuw beslissende het inleidend verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] af te wijzen, dan wel toe te wijzen voor de duur van zes maanden, kosten rechtens.

De raad heeft bij brief van 7 oktober 2010, binnengekomen op de griffie op 8 oktober 2010, laten weten geen gebruik te maken van de gelegenheid om een verweerschrift in te dienen.

De vader en de WSG zijn in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een faxbrief van 4 oktober 2010, een brief van 7 oktober 2010 met bijlagen en een brief van 23 december 2010 met bijlagen van mr. Rademaker.

Ter zitting van 7 januari 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door mr. Rademaker, de heer W. Kelderhuis namens de raad, en mevrouw S. Kooiman (gezinsvoogd) namens de WSG. De vader is behoorlijk opgeroepen maar niet verschenen.

De beoordeling

De rechtsgang in eerste aanleg

1. De moeder klaagt erover dat de rechtbank haar advocaat telefonisch heeft meegedeeld dat de machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode van zes maanden is verlengd en dat de beschikking ten onrechte vermeldt dat die voor een jaar is verlengd. Volgens haar is er bij het uitwerken van de beschikking kennelijk een fout gemaakt.

2. De moeder heeft desgevraagd laten weten dat zij de rechtbank niet om een herstelbeschikking, noch de rechtbank anderszins om correctie heeft gevraagd. Nu de stelling van de moeder geen steun vindt in de stukken en niet is onderschreven door de andere partijen in dit geding, is de stelling onvoldoende onderbouwd en zal het hof ervan uitgaan dat de machtiging tot uithuisplaatsing voor een jaar is verlengd zoals de beschikking vermeldt.

De machtiging tot uithuisplaatsing

3. In deze zaak staat ter discussie of de door de raad verzochte machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] verleend dient te worden. Een machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verleend indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarige.

4. Het gezag over [kind] berust bij de moeder. De ouders van [kind] zijn niet getrouwd geweest. [kind] is sinds 30 mei 2007 onder toezicht gesteld van de WSG. Sinds april 2008 verblijft hij in een perspectiefbiedend pleeggezin. Niet bestreden is dat de WSG de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing op 30 mei 2010 abusievelijk heeft laten verlopen. Op 29 juli 2010 heeft de raad het inleidend verzoekschrift tot verlening van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing ingediend. De moeder is het niet eens met de machtiging tot uithuisplaatsing.

5. De moeder heeft erop gewezen dat er twee maanden zijn verlopen tussen de verstreken machtiging en de nieuwe machtiging en heeft gesteld sterk de indruk te hebben dat, als zij geen navraag had gedaan en geen kort geding had aangespannen of had aangekondigd, de WSG en de raad het verlopen van de machtiging niet of pas veel later zouden hebben ontdekt. Dat de vorige machtiging was verlopen ten tijde van de bestreden beschikking en dat bij de moeder daardoor naar haar zeggen de hoop is ontstaan dat [kind] weer bij haar zou komen wonen, doet echter niet af aan de bevoegdheid van de kinderrechter om een nieuwe machtiging (eventueel voorafgegaan door een voorlopige machtiging) tot uithuisplaatsing te verlenen, indien die rechter van oordeel is dat de gronden zich daarvoor voordoen. Nu deze zaak het hoger beroep tegen dat oordeel betreft, dient ook het hof te toetsen of die gronden zich voordoen.

6. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [kind] achterloopt in zijn taal- en spraakontwikkeling en dat hij zaken nog niet zo snel verwerkt als andere kinderen van zijn leeftijd. In het contact met de moeder heeft [kind] bovendien zorgelijk gedrag vertoond. Hij accepteerde haar grenzen niet, hij daagde haar uit, sloeg, krabde en schopte haar. Hij verviel tevens in regressief gedrag. Hij ging zich namelijk weer als een baby gedragen. [kind] heeft voorts onvoldoende geleerd om zijn emoties op juiste wijze te uiten. Hij lacht bijvoorbeeld als hij pijn heeft of wanneer hij straf krijgt. Hierdoor is het voor zijn omgeving moeilijk hem te begrijpen of rekening met hem te houden. Hij heeft een duidelijk gestructureerde opvoedingsomgeving nodig waarin hij adequaat voorbeeldgedrag ziet zodat hij leert om op juiste wijze emoties te ervaren en te benoemen. Bovendien heeft hij extra zorg en ondersteuning nodig vanwege zijn ontwikkelingsachterstand. Verder acht het hof van belang dat het ziekenhuis bij een opname van [kind] in februari 2008, toen de moeder en [kind] bijna een jaar in een moeder-kindhuis woonden, melding heeft gemaakt van vermoedens van kindermishandeling. [kind] had blauwe plekken in het gezicht en dit kan hij volgens de kinderarts niet, zoals de moeder had gezegd, zelf gedaan hebben. Het hof neemt verder in aanmerking dat de kinderarts daarnaast het hoofdbonken tegen het bedje en hoofdharen uittrekken zorgelijk vond, ook al heeft de moeder het uittrekken van haren - anders dan het hoofdbonken - zelf niet gezien. Twee maanden later is [kind] in het ziekenhuis opgenomen met een natriumintoxicatie. Bij navraag bleek dat dit een keer eerder was voorgevallen toen de moeder en [kind] op een andere afdeling van het moeder-kindhuis woonden. Het hof neemt in aanmerking dat de moeder, ondanks het feit dat zij en [kind] in het moeder-kindhuis verbleven, [kind] onvoldoende heeft kunnen beschermen tegen de natriumintoxicatie. Dat de moeder nu ergens anders woont, laat het voorgaande onverlet. Dat het [kind] toevallig zou zijn overkomen, ligt overigens ook niet voor de hand.

7. De moeder heeft een verstandelijke beperking en heeft psychische problemen. Ze heeft geen zicht op haar eigen problemen en kan erg impulsief zijn. De moeder heeft moeite haar leven op orde te krijgen en te houden wanneer het bijvoorbeeld gaat om haar leefomgeving en financiën. Zij heeft onvoldoende inzicht in de ontwikkeling van [kind] en heeft moeite zijn gedrag te herkennen en daar adequaat op te reageren. De moeder kan [kind] de extra stimulering in de ontwikkeling die hij nodig heeft niet bieden. Of de achterstanden van [kind] wel of - zoals de moeder heeft gesteld - niet alleen aan haar verweten kunnen worden, maakt dat overigens niet anders. De draaglast van de problematiek van [kind] is groter dan de draagkracht van de moeder. Moeder is niet leerbaar gebleken. Weliswaar staat zij open voor hulpverlening maar zij is onvoldoende in staat een veranderingsproces op gang te brengen en het geleerde vast te houden. Ook is het hof er onvoldoende van overtuigd dat de veiligheid van [kind] bij de moeder gewaarborgd is. Het hof maakt dat op uit het voorgaande, maar ook uit het feit dat de moeder heeft laten blijken het niet meer te zien zitten. De moeder heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat zij een appartement heeft met een slaapkamer voor [kind], maar heeft ter zitting van het hof aangegeven dat haar huidige woning niet geschikt is voor samenleving met [kind]. De moeder heeft ter zitting voorts laten weten dat zij zich niet altijd aan afspraken heeft gehouden, zoals ook het raadsrapport van 27 juli 2010 vermeldt. Een gedwongen kader is dan ook noodzakelijk om de nodige hulpverlening te waarborgen.

8. Vóór het verstrijken van de vorige machtiging tot uithuisplaatsing heeft de moeder zelf ook aangegeven zich te realiseren dat zij de (zware) opvoeding en verzorging van [kind] niet aan zou kunnen. Na afloop van die machtiging is ze daar anders over gaan denken. Het enkele feit dat de WSG niet tijdig heeft verzocht om verlenging van de machtiging verdient weliswaar geen schoonheidsprijs, maar kan de thans door de moeder verzochte conclusie dat zij nu wel (met hulp) voldoende voor hem kan zorgen niet rechtvaardigen. Het hof is van oordeel dat er evenmin anderszins voldoende aanwijzingen zijn dat de huidige situatie van de moeder zo stabiel en veilig is (geworden) dat [kind], met zijn achtergrond en kwetsbaarheid, weer thuis geplaatst kan worden. Het hof acht het in het belang van de verzorging en opvoeding van [kind] noodzakelijk dat hij uithuis geplaatst blijft. Het hof zal daarom de door de rechtbank verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] bekrachtigen. Van feiten of omstandigheden die zouden kunnen rechtvaardigen dat de machtiging tot een half jaar beperkt dient te worden, is overigens niet gebleken.

Slotsom

9. Gelet op het voorgaande zal het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Aldus gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, B.J.J. Melssen en E.F. Groot en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 januari 2011 in bijzijn van de griffier.