Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ5863

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
25-05-2011
Zaaknummer
21-004146-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing door de rechtbank van een op zichzelf gerechtvaardigd aanhoudingsverzoek is op grond van de 'kernroljurisprudentie' geen reden om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.

De beleidsvrijheid van het openbaar ministerie om een verdachte te vervolgen vindt haar grenzen in de beginselen van een goede procesorde. Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004146-10

Uitspraak d.d.: 26 april 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 19 november 2010 in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adresgegevens],

thans uit anderen hoofde verblijvende in [verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 april 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr M. Grinwis-Veldman, advocate te Utrecht, naar voren is gebracht.

Verzoek tot terugwijzing

De raadsvrouw heeft in hoger beroep betoogd dat zij in eerste aanleg het verzoek heeft gedaan tot aanhouding van de zaak omdat zij toentertijd hoogzwanger was.

Omdat de rechtbank het verzoek van de raadsvrouw ten onrechte heeft afgewezen, heeft de verdachte één feitelijke instantie moeten missen. De raadsvrouw heeft verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.

Artikel 423 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt in geval van een verschenen verdachte dat, wanneer dit door de advocaat-generaal of de verdachte ter terechtzitting is verlangd, een zaak naar de rechtbank wordt teruggewezen indien ‘de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis’.

De ‘kernroljurisprudentie’(HR 27 mei 1997, LJN ZD0723) heeft voorgaande in zoverre uitgebreid dat een zaak ook dan dient te worden teruggewezen indien in eerste aanleg ‘zich een zodanig gebrek heeft voorgedaan in de samenstelling van het gerecht dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden door een onpartijdige rechterlijke instantie als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, alsmede wanneer de rechter ter terechtzitting aan de behandeling ten gronde niet had mogen toekomen omdat een van de (…) personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting – tot zodanige personen dienen, naast de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, slechts de verdachte en diens raadsman te worden gerekend – aldaar niet is verschenen, terwijl deze niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was’.

Van één van voorgaande situaties of van een omstandigheid die daarmee op een lijn is te stellen, is in het onderhavige geval geen sprake geweest. Hoewel de raadsvrouw een op zichzelf gerechtvaardigd aanhoudingsverzoek heeft ingediend, komt het hof, gelet op de hiervoor weergegeven strikte regeling, niet toe aan terugwijzing van de zaak.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof tot toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht komt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 22 juli 2010 in de gemeente Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bezem, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ambtshalve overweging over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het hof vindt in deze zaak – welke een op het eerste gezicht (zeer) gering feit betreft – aanleiding in te gaan op de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.

Op grond van artikel 167 lid 1 en 242 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering geldt het opportuniteitsbeginsel voor wat betreft de vervolging van strafbare feiten. Lid 2 van deze artikelen bepaalt dat van verdere vervolging kan worden afgezien, ook op gronden aan het algemeen belang ontleend. De beleidsvrijheid van het OM vindt haar begrenzing in de beginselen van een goede procesorde. In dit verband is de vraag in het bijzonder of er sprake is van een kennelijke onredelijke of onbillijke belangenafweging van de kant van het openbaar ministerie.

In het onderhavige geval is de diefstal van een bezem vanaf een boot tenlastegelegd. Kort daarna is verdachte aangehouden en is de bezem aangetroffen. Deze bezem is bijna direct na het feit teruggegeven aan de rechthebbende. Er zijn geen andere slachtoffers/benadeelden van het delict. Verdachte heeft een aanzienlijk strafblad. Hoewel op grond van de zeer geringe ernst van het feit alsmede de omstandigheid dat de bezem is teruggegeven aan rechthebbende een andere afdoening van het feit mogelijk meer in de rede had gelegen, is het hof met name op grond van de omstandigheid dat verdachte een aanzienlijk strafblad heeft, van oordeel dat niet gesproken kan worden van een kennelijk onredelijke of onbillijke belangenafweging bij de keuze om verdachte voor dit feit te vervolgen.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 22 juli 2010 een man zag die naar een boot genaamd [boot A] liep. De man pakte van dat schip een bezem en liep daarmee over de steiger weg. Dit was de man die later door de politie werd aangehouden, verdachte. In zijn onmiddellijke nabijheid werd een bezem aangetroffen. Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij op voornoemde dag een bezem miste die op zijn boot hoorde te liggen. Aangever herkende de bij verdachte aangetroffen bezem als zijn eigendom.

Ter terechtzitting van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij weliswaar een bezem in zijn handen heeft gehad, maar dat dit slechts was om een plastic onderdeel van zijn pijp uit het water te vissen. Het hof acht het onaannemelijk dat verdachte de bezem slechts voor dit doel onder zich had, gelet op de omstandigheid dat hij de bezem nadien niet heeft teruggebracht naar de rechthebbende. Het hof is om die reden van oordeel dat verdachte de bezem zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht het hof, anders dan de advocaat-generaal, het tenlastegelegde bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 22 juli 2010 in de gemeente Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bezem, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1]. in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het bewezenverklaarde levert op:

diefstal

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal. In het algemeen geldt dat het plegen van dit soort strafbare feiten financiële schade en overlast veroorzaakt bij de benadeelden.

Anders dan de rechtbank (die verdachte bij verstek veroordeelde tot een gevangenisstraf van 4 weken onvoorwaardelijk) , acht het hof het, met inachtneming van hetgeen onder ‘Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie’ is overwogen, raadzaam te bepalen dat in verband met de geringe ernst van het feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Dat verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 maart 2011 al eerder en heel vaak is veroordeeld ter zake van het plegen van soortgelijke strafbare feiten, maakt voorgaande niet anders.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Aldus gewezen door

mr J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr B.P.J.A.M. van der Pol en mr B.W.M. Hendriks, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 26 april 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.