Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ5833

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-04-2011
Datum publicatie
25-05-2011
Zaaknummer
200.062.310
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie, behoefte vrouw en draagkracht man

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.062.310

(zaaknummer rechtbank 186639 / ES RK 09-383)

beschikking van de familiekamer van 19 april 2011

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. N. Vinke te Eindhoven,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. L. Stam te Vught.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Arnhem van 8 januari 2010, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 april 2010, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof die beschikking te vernietigen, voor zover deze betrekking heeft op de daarin vastgestelde onderhoudsbijdrage voor de vrouw en opnieuw beschikkende het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen van € 4.000,- per maand met terugwerkende kracht af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht, kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 mei 2010, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zowel de vaststelling van de behoefte als voor de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 4.000,- per maand.

2.3 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 9 september 2010 een brief van mr. Stam van 8 september 2010 met bijlagen;

- op 10 september 2010 een brief van mr. Vinke van 9 september 2010 met bijlagen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 21 september 2010 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen bijgestaan door hun advocaten.

2.5 Ter mondelinge behandeling van 21 september 2010 heeft het hof de zaak voor een periode van drie maanden aangehouden, de man verzocht het verslag van een boekenonderzoek van de Belastingdienst in het geding te brengen en partijen in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

2.6 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 21 december 2010 een brief van mr. Vinke van 21 december 2010 met als bijlage een

verslag boekenonderzoek van de Belastingdienst van 26 november 2010;

- op 7 januari 2011 een brief van mr. Vinke van diezelfde datum;

- op 18 januari 2011 een brief van mr. Stam van 17 januari 2011;

- op 28 januari 2011 een brief van mr. Vinke van diezelfde datum;

- op 1 februari 2011 een brief van mr. Stam van diezelfde datum;

- op 25 februari 2011 een brief van mr. Vinke van diezelfde datum met bijlagen;

- op 7 maart 2011 een brief van mr. Vinke van diezelfde datum met bijlagen.

2.7 Op 8 maart 2011 is de mondelinge behandeling voortgezet. Namens de man is zijn advocaat verschenen. De vrouw is in persoon verschenen bijgestaan door haar advocaat.

2.8 Desgevraagd heeft mr. Stam tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat zij voldoende heeft kennisgenomen van de onder 2.6 vermelde brief van mr. Vinke van 7 maart 2011 met bijlagen, dat zij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemt met overlegging van die brief met bijlagen. Het hof slaat daarom ook acht op die brief met bijlagen.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 10 augustus 1973 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren [kind 1] (verder te noemen “[kind 1]”), op [geboortedatum] 1977, en [kind 2] (verder te noemen “[kind 2]”), op [geboortedatum] 1980.

3.2 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 20 april 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover hier van belang bepaald, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met € 4.000,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, de proceskosten in de procedure bij de rechtbank in zoverre gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen.

Ten aanzien van de man

3.4 De man, geboren op [geboortedatum] 1950, woont samen met [naam partner], die in eigen levensonderhoud voorziet. De man heeft vier vennootschappen opgericht, waarbinnen hij de feitelijke leiding heeft. Dit zijn:

- [A B.V.], opgericht op 9 augustus 1995, verder te noemen “[A B.V.]”;

- [B B.V.], opgericht op 14 oktober 2005;

- [C B.V.], opgericht op 13 december 2005, verder te noemen “[C B.V.]”;

- [D B.V.] i.o, opgericht op 31 augustus 2008, verder te noemen “[D B.V.]”.

De man houdt 100% van de aandelen van [A B.V.]. [kind 1] en [kind 2] houden ieder 50% van de aandelen in [B B.V.], die op zijn beurt 60% van de aandelen in [C B.V.] en 100% van de aandelen in [D B.V.] houdt. De overige 40% van de aandelen in

[C B.V.] wordt gehouden door (de erven van) een zestal natuurlijke personen.

In de door de man overgelegde jaarrapporten van [C B.V.] over 2006, 2007, 2008 en 2009 is (onder meer) vermeld (in euro’s):

2006 2007 2008 2009

Netto-omzet 55.784 54.517 42.546 11.762

Kosten 48.359 14.901 14.974 27.946

Resultaat na belastingen -/- 6.720 3.437 7.951 -/- 36.501

In het door de man overgelegde boekenverslag van de Belastingdienst van 26 november 2010 van [C B.V.] over 2006 tot en met 2008 is (onder meer) vermeld (in euro’s):

2006 2007 2008

Resultaat na belastingen 21.520 15.623 9.575

In de door de man overgelegde concept jaarrapporten van [D B.V.] over 2008 en 2009 is (onder meer) vermeld (in euro’s):

2008 2009

Netto-omzet 4.089 3.192

Kosten 12.977 12.850

Resultaat na belastingen -/- 13.692 -/- 32.350

De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, maar niet meer dan de ingehouden loonheffing.

Ten aanzien van de vrouw

3.5 De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1953, is alleenstaand.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Partijen zijn allereerst verdeeld over de hoogte van de behoefte van de vrouw.

4.2 De man stelt dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat zij behoefte heeft aan een door hem te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 4.000,- per maand. Partijen hebben tijdens hun huwelijk middels het beperkte inkomen van de man, schenkingen, een lening van de zuster van de vrouw, een erfenis van de moeder van de man en de afkoop van een spaarpolis boven hun stand geleefd. Uitgaande van een besteedbaar gezinsinkomen van maximaal € 3.500,- netto per maand, kan de behoefte van de vrouw gesteld worden op 60% daarvan, oftewel € 2.100,- netto per maand, aldus de man.

4.3 De vrouw betwist dat. Zij erkent dat partijen boven hun stand hebben geleefd, maar komt op basis van een door haar opgestelde behoeftelijst op een behoefte van € 2.666,- netto per maand, oftewel € 4.000,- bruto per maand. Omdat de man ten tijde van het huwelijk de administratie verzorgde, is de vrouw niet in staat haar stelling dat zij behoefte heeft met stukken te staven, aldus de vrouw.

4.4 Voor de bepaling van de hoogte van de mede aan de welstand tijdens het huwelijk gerelateerde behoefte van de vrouw dient het hof rekening te houden met alle relevante omstandigheden, waaronder zowel de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk als het uitgavenpatroon in dezelfde periode. De behoefte dient daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud te worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de vrouw redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door het hof op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.

Het gezamenlijk gezinsinkomen aan het einde van het huwelijk dat door beide partijen werd verdiend, geeft een aanwijzing voor die welstand. Omdat een huishouding van een alleenstaande relatief duurder is dan van iemand die samenwoont, kan de behoefte van de vrouw gesteld worden op 60% van dit inkomen.

4.5 Het hof stelt enerzijds vast dat het - tegenover de gemotiveerde betwisting van de man - op de weg van de vrouw gelegen om haar stelling dat zij behoefte heeft aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud van € 2.666,- netto per maand te onderbouwen. De vrouw stelt dat zij hiertoe geen mogelijkheid had, omdat de financiële stukken van partijen in het bezit van de man zouden zijn en zij daardoor in bewijsnood verkeert. Uit het boekenverslag van de Belastingdienst van 26 november 2010 volgt echter dat de vrouw onder andere beschikte over de afschriften van de privé bankrekeningen van partijen over 2007, de afschriften van de voor zakelijke doeleinden van de man gebruikte bankrekening ten name van de zuster van de vrouw en de afschriften van een bankrekening ten name van de overleden moeder van de man. Kennelijk was de vrouw in ieder geval enigszins in staat haar stelling met stukken te staven.

Anderzijds overweegt het hof dat de hoogte van het gezinsinkomen afhangt van het inkomen dat de man tijdens het huwelijk van partijen verdiende. Tussen partijen is immers niet in geschil dat sprake was van een traditioneel rolpatroon, in die zin dat de man buitenshuis tegen inkomen arbeid verrichtte en de vrouw binnenshuis alles op orde hield. Bij deze stand van zaken had de man inzicht in zijn inkomen moeten verschaffen. Zoals hierna onder 4.12 tot en met 4.15 zal blijken, heeft hij dit naar het oordeel van het hof onvoldoende gedaan.

4.6 Nu beide partijen de op hen rustende verplichting om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig aan te voeren niet zijn nagekomen, acht het hof het redelijk om de behoefte van de vrouw vast te stellen op het gemiddelde van € 2.100,- netto per maand, zijnde het standpunt van de man, en € 2.666,- netto per maand, zijnde het standpunt van de vrouw. Dit betekent dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van de man van € 2.383,- netto per maand.

4.7 De man betwist dat de vrouw niet in die behoefte kan voorzien. Hij stelt dat de vrouw sinds januari 2009 zonder een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van de man rondkomt. De vrouw betwist dat. Zij stelt dat zij wordt onderhouden door haar zuster en vrienden. Gezien haar leeftijd, beperkte arbeidsverleden en lichamelijke beperkingen is geen sprake van een verdiencapaciteit, aldus de vrouw.

4.8 Het hof overweegt dat als onweersproken vast staat dat de vrouw 58 jaar oud is, geen arbeidsverleden heeft en kampt met een hoge bloeddruk en een spastisch darmsyndroom. Thans past zij één dag per week onbetaald op haar kleinkind. Gezien deze omstandigheden en de huidige situatie op de arbeidsmarkt is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw niet in staat is geheel of gedeeltelijk door arbeid inkomsten te verwerven.

4.9 Dat de vrouw behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 2.383,- netto per maand staat daarmee vast. Deze bijdrage komt neer op € 3.890,- bruto per maand.

4.10 De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om enige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. Van de vier vennootschappen, waarin hij de feitelijke leiding heeft, ontvangt hij al jaren niet of nauwelijks een arbeidsvergoeding. [B B.V.] is een beheersmaatschappij waarbinnen geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. [A B.V.] is sinds 2005 een slapende vennootschap. [C B.V.], een vennootschap die in de bouwwereld tussen vakmensen en klanten bemiddelt, ondervindt veel hinder van de kredietcrisis. De man ontvangt al sinds jaren geen of slechts een zeer geringe arbeidsvergoeding van deze vennootschap. [D B.V.], een vennootschap die bij het samenstellen van bloemstukken bemiddelt, krijgt onvoldoende opdrachten binnen. In verband met hartklachten kan niet van de man worden verwacht dat hij zich inspant om meer inkomen te verdienen, aldus de man.

4.11 De vrouw betwist dat. Zij stelt dat de man niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. De overgelegde definitieve financiële stukken zien slechts op de periode tot 2009 en niet op de periode daarna. Bovendien zijn de stukken onvolledig en ontoegankelijk. Dat gezondheidsproblemen de man in zijn verdiencapaciteit belemmeren, heeft de man evenmin onderbouwd. De daartoe bij brief van 7 maart 2011 in het geding gebrachte verklaring van de cardioloog van de man is gemanipuleerd. Deze bevat geen ziekenhuislogo en is niet door de specialist ondertekend. Het is kwalijk dat de man niet bereid is ter mondelinge behandeling een nadere toelichting op de stukken te geven, aldus de vrouw.

4.12 Met de vrouw is het hof van oordeel dat de door de man overgelegde financiële stukken onvolledig en onhelder zijn. In dit kader overweegt het hof als volgt.

4.13 Hoewel gesteld noch gebleken is welke formele positie de man bekleedt, staat vast dat hij betrokken is bij vier vennootschappen. Van [B B.V.]. en [A B.V.] zijn geen financiële stukken overgelegd. Van [C B.V.] zijn de jaarrapporten over 2007 en 2008 in het geding gebracht en van [D B.V.] concept jaarrapporten van 2008 en 2009. Omdat de stukken van [B B.V.]. en [A B.V.] ontbraken, van alle vennootschappen geen financiële stukken over 2009 en 2010 waren overgelegd en uit voornoemde stukken geen duidelijk beeld van de financiële situatie van de man was af te leiden, heeft het hof de man ter mondelinge behandeling van 21 september 2010 opgedragen een door de Belastingdienst op te stellen boekenverslag in het geding te brengen. Inmiddels is gebleken dat dit verslag evenmin helderheid verschaft.

4.14 Anders dan de verwachting was, ziet het verslag boekenonderzoek van de Belastingdienst van 26 november 2010 alleen op [C B.V.] in de periode tot en met 2008. Van de financiële situatie van [C B.V.] in de jaren 2009 en 2010 is wederom niets bekend. [B B.V.]. en [A B.V.] vallen buiten het bestek van het onderzoek, omdat hierbinnen in de periode van 2005 tot 2008 geen bedrijfsactiviteiten zijn verricht. Hieruit valt niet af te leiden dat dit in de periode vanaf 2009 ook het geval is geweest. Ten aanzien van [D B.V.] is in het verslag vermeld dat een onderzoek naar deze vennootschap wegens het niet verschaffen van de aangifte over 2009 niet mogelijk was. Op de jaarrapporten van die onderneming over 2009 en 2010, die het hof reeds had ontvangen, is vermeld dat deze conceptstukken betreffen en dat daarover geen accountantscontrole heeft plaatsgevonden. De stukken zijn met het oog hierop niet bruikbaar. Daarbij komt dat de in die stukken opgenomen cijfers niet overeenkomen met de cijfers die bij brief van 25 februari 2011 van [D B.V.] over 2009 en 2010 zijn ingediend en over de post “personeelskosten” onduidelijkheid bestaat. De stelling van de man dat deze post ziet op het salaris van zijn partner, die hem financieel gezien onderhoudt, strookt niet met zijn eerdere stelling dat [D B.V.] in verband met tegenvallende opdrachten niet in staat is arbeidsvergoedingen uit te keren.

4.15 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat zijn draagkracht ontoereikend is enige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. De gevolgen hiervan blijven voor rekening van de man in die zin dat hij met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand wordt geacht de onder 4.8 vermelde bijdrage van € 3.890,- per maand aan de vrouw te betalen. Het feit dat de man thans met hartproblemen kampt, zoals hij stelt, brengt niet zonder meer mede dat hij geen verdiencapaciteit heeft en doet daarom aan het oordeel van het hof niet af.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen en te beslissen als volgt.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 8 januari 2010, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 20 april 2010, de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 3.890,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Loo, M.H.H.A. Moes en R. Krijger, bijgestaan door mr. A. Mul als griffier, en is op 19 april 2011 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.