Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ5378

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
200.077.653
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhaal bijstand. Is er sprake van een huwelijk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.077.653

(zaaknummer rechtbank 198056/FA RK 10-10758)

beschikking van de familiekamer van 29 maart 2011

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. S. Demirtas te Utrecht,

en

de gemeente Arnhem,

zetelend te Arnhem,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen “de gemeente”.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Arnhem van 23 augustus 2010, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 19 november 2010, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van de gemeente alsnog af te wijzen dan wel een zodanige lagere bijdrage en latere ingangsdatum van verhaal vast te stellen dan de huidige (met gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de reeds/te veel betaalde bijdragen), als het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 4 januari 2011, heeft de gemeente het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. De gemeente verzoekt (naar het hof begrijpt) de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 Ter griffie van het hof is op 28 februari 2011 een brief van mr. Demirtas van dezelfde datum met bijlagen binnengekomen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 1 maart 2011 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de gemeente is [...] verschenen.

2.5 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.6 Desgevraagd heeft de heer [...] ter mondelinge behandeling, na een leespauze waartoe het hof de behandeling voor enige minuten heeft geschorst, meegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van de brief van mr. Demirtas van 28 februari 2011 met bijlagen, dat hij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat hij instemt met overlegging van die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die bijlagen.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen en de bijstandsverlening

3.1 Volgens het uittreksel uit de basisadministratie van de gemeente Arnhem van 17 november 2010 met betrekking tot de man is de man geboren op [geboortedatum] 1965, heeft de man de Nederlandse en de Iraanse nationaliteit, is hij op 9 november 1987 te Karadj, Iran, gehuwd met mevrouw [betrokkene A.], verder te noemen “de vrouw”, en heeft hij zich op 20 januari 1995 vanuit Iran in Nederland gevestigd.

Volgens het uittreksel uit de basisadministratie van de gemeente Arnhem van 17 november 2010 met betrekking tot de vrouw is de vrouw geboren op [geboortedatum] 1965, heeft zij de Nederlandse en Iraanse nationaliteit, is zij op 9 november 1987 te Karadj, Iran, gehuwd met de man en heeft zij zich op 20 januari 1995 vanuit Iran in Nederland gevestigd.

De man en de vrouw hebben samen een zoon die ten tijde van het indienen van het verweerschrift in eerste aanleg 21 jaar oud was.

3.2 Met ingang van 25 januari 1999 ontvangt de vrouw een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet en sinds 1 januari 2004 krachtens de Wet werk en bijstand, dit vanaf 26 januari 2006 naar de norm voor een alleenstaande. De vrouw lijdt aan Multiple Sclerose (MS). De vrouw heeft in verband met haar MS per 26 januari 2006 een aangepaste woning toegewezen gekregen. De man en de vrouw zijn in 2006 uit elkaar gegaan en de vrouw is deze woning uiteindelijk alleen gaan bewonen. Sinds enige tijd verblijft de vrouw in een verpleeghuis.

3.3 In het kader van periodiek heronderzoek heeft de gemeente Arnhem de man bij brief van 8 januari 2009 aangeschreven en hem gewezen op zijn wettelijke onderhoudsplicht.

Daarbij is aan hem verzocht inlichtingen omtrent zijn financiële omstandigheden te verstrekken. Aan dit verzoek heeft de man geen gevolg gegeven, waarna de gemeente hem bij brief van 9 februari 2009 aan zijn verplichting heeft herinnerd. Ten slotte heeft de gemeente bij brief van 11 maart 2009 de man meegedeeld dat met ingang van 1 februari 2009 de man ambtshalve een verhaalsbedrag werd opgelegd van € 1.025,- per maand.

3.4 Omdat de man in der minne niet tot betaling overging, heeft de gemeente op 18 maart 2010 besloten tot verhaal in rechte en op 18 maart 2010 een verzoek bij de rechtbank ingediend. Daarbij heeft de gemeente verzocht:

1. vast te stellen dat de man ingaande 1 februari 2009 schuldig is een bedrag van € 1.025,- per maand zolang de bijstandsverlening ten behoeve van de vrouw voortduurt;

2. de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.025,- per maand ingaande

1 februari 2009 zolang de bijstandsverlening ten behoeve van de vrouw voortduurt;

3. de man in geval van niet tijdige betaling van hetgeen hij aan de vrouw verschuldigd is te veroordelen tot betaling ineens van de hierboven vermelde bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de man in gebreke is;

4. de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.5 Bij verweerschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 19 mei 2010, heeft de man verzocht het verzoek van de gemeente af te wijzen c.q. te wijzigen in die zin dat de verhaalsbijdrage op nihil wordt gesteld en er geen sprake meer is van verhaalsvordering c.q. de verhaalsbijdrage op een lager bedrag vast te stellen dan door de gemeente is bepaald.

3.6 Bij reactie van de gemeente op het verweerschrift, tevens wijziging van het aanvankelijke verzoek, ingekomen bij de rechtbank op 2 juli 2010, heeft de gemeente het verzoekschrift van 12 november 2009 aangepast en verzocht:

1. vast te stellen en te veroordelen dat de man ingaande 1 februari 2009 schuldig is een bedrag van € 1.025,- per maand en ingaande 2 april 2009 een bedrag van € 447,- per maand zolang de bijstandsverlening ten behoeve van de vrouw voortduurt;

2. de man in geval van niet tijdige betaling van hetgeen hij aan de vrouw verschuldigd is te veroordelen tot betaling ineens van de hierboven vermelde bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de man in gebreke is;

3. de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.7 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het verhaalsbedrag ten behoeve van de vrouw met ingang van 1 februari 2009 tot 1 april 2009 op € 795,- per maand, met ingang van 1 april 2009 tot 2 april 2010 op € 709,- per maand en met ingang van 2 april 2010 op € 447,- per maand en tot zolang de bijstandsverlening voortduurt vastgesteld en de man tot betaling daarvan veroordeeld, vastgesteld dat ter zake van gemaakte en nog te maken kosten van bijstand door de gemeente, indien de man in gebreke mocht blijven het vastgestelde bedrag te voldoen, terstond de alsdan resterende hoofdsom ineens kan worden ingevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de man in verzuim is en het meer of anders verzochte afgewezen.

Ten aanzien van de financiële positie van de man

3.8 De man is alleenstaand. Hij is vanaf het moment dat hij en de vrouw uit elkaar gingen (2006) een eigen bedrijf, een eenmanszaak in het leggen van parketvloeren, begonnen. Volgens de winst-en verliesrekening over 2009 bedroeg het positief resultaat in 2008 € 32.518,- en in 2009 € 29.533,-.

3.9 Zijn maandelijkse lasten bedragen:

- € 543,79 aan huur;

- € 224,94 aan ziektekosten:

- € 189,50 premie zorgverzekering ZVW,

- € 79,44 op aanslag zelf betaalde ZVW,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW

€ 44,- per maand;

- € 103,- aan aflossing op een schuld aan Nuon met ingang van 1 april 2009;

- € 75,- aan aflossing op een schuld aan Menzis met ingang van 1 juli 2010;

- € 122,- aan aflossing via deurwaarderskantoor Brehler-Alkema en Vloet.

4. De motivering van de beslissing

4.1 De man voert allereerst aan dat hij niet onderhoudsplichtig is jegens de vrouw aangezien hij en de vrouw nimmer met elkaar gehuwd zijn (geweest).

De man stelt dat er in Iran nooit een officieel burgerlijk huwelijk tussen hem en de vrouw is gesloten, maar dat er alleen een islamitisch huwelijk is voltrokken. Ter onderbouwing van zijn stelling voert de man aan dat het huwelijk niet voorkomt in de klappers van het huwelijk van de registers van de burgerlijke stand der gemeente ’s-Gravenhage. Huwelijksaangifte van Nederlanders/personen die in het buitenland zijn gehuwd dient plaats te vinden bij de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage. De gemeente ‘s Gravenhage heeft geen huwelijksakte aangetroffen. Bij nader onderzoek is naar voren gekomen dat er ook bij de gemeente Arnhem geen huwelijksakte aanwezig is. Nu geen sprake is van een huwelijk is hij niet gehouden om een bijdrage te voldoen en dienen de vorderingen van de gemeente dan ook te worden afgewezen, aldus de man.

4.2 De gemeente betwist de stellingen van de man en voert aan dat er wel een rechtsgeldig huwelijk is tussen de man en de vrouw. Het is niet verplicht om een buitenlandse akte te laten inschrijven. Dat het huwelijk niet voorkomt in de klappers van het huwelijksregister van de gemeente ’s-Gravenhage is daarom niet doorslaggevend. Uit informatie van de afdeling bevolking van de gemeente Arnhem blijkt dat indien er een datum bekend is van het huwelijk inschrijving alleen mogelijk is wanneer betrokkenen een huwelijksakte bij de afdeling bevolking van de gemeente hebben overgelegd. Dat heeft ook in dit geval plaatsgevonden. Het is niet verplicht om een buitenlands huwelijk te laten inschrijven in het huwelijksregister van de gemeente Den Haag. Bij het GBA is alsnog navraag gedaan inzake de huwelijksgegevens van betrokkenen en er zijn alsnog kopieën gevonden van het vertaalde document betreffende het huwelijk van betrokkenen en op basis hiervan is het huwelijk in het GBA opgenomen.

4.3 Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de man tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de gemeente niet heeft aangetoond en aannemelijk gemaakt dat hij niet is gehuwd noch gehuwd is geweest met de vrouw en dat er om die reden geen sprake kan zijn van een door hem te betalen verhaalsbijdrage. Gebleken is dat het huwelijk in het GBA van de gemeente Arnhem is ingeschreven zodat het hof van die gegevens dient uit te gaan. Dat op de kopie van de originele huwelijksakte de handtekening van de vrouw ontbreekt doet, zo daar al sprake van zou zijn, hier niet aan af. De eerste grief faalt daarom.

4.4 De man stelt in zijn tweede grief dat er bij de omvang van de verhaalsbijdrage en vaststelling van de ingangsdatum geen althans niet voldoende rekening is gehouden met de (financiële) stukken, de (toekomstige) gevolgen voor de verzekeringen, leningen/schulden, (vrijwillige) bijdragen (die zijn voldaan), zijn draagkracht en de persoonlijke omstandigheden van hem en de vrouw. Hij stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om het vastgestelde verhaalsbedrag te voldoen.

4.5 Het hof overweegt als volgt. De man heeft in zijn appèlschrift en verdere stukken, noch bij de mondelinge behandeling in hoger beroep aangegeven in welke zin de rechtbank geen rekening heeft gehouden met zijn draagkracht en de persoonlijke omstandigheden van hem en de vrouw. Het hof is dan ook van oordeel dat de man zijn grief onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en onvoldoende heeft onderbouwd, zodat ook de tweede grief faalt.

4.6 Nu geen van de grieven slaagt dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 23 augustus 2010.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Krijger, G.J. Rijken en M.L. van der Bel, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, en is op 29 maart 2011 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.