Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ5134

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
200.067.743
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind op eigen verzoek uitgesproken. Het enkele feit dat verzoeker daarna spijt van dat verzoek krijgt geen reden verzoek alsnog af te wijzen. Echter de door verzoeker aangevoerde feiten leiden tot oordeel dat bewind moet worden beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 24 februari 2011

Zaaknummer 200.067.743

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[naam appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat mr. F.S. Boedhoe, kantoorhoudende te Almere,

Belanghebbende:

G.H. Jaspers Faijer,

handelend onder de naam Bewindvoeringen Oost Nederland,

gevestigd te Zwolle,

hierna te noemen: de bewindvoerder.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 1 maart 2010 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Lelystad, een bewind ingesteld over alle goederen, die toebehoren of zullen toebehoren aan [appellant] en tot bewindvoerder benoemd G.H. Jaspers Faijer, als zodanig handelend onder de naam Bewindvoeringen Oost Nederland.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 1 juni 2010, heeft de man verzocht de beschikking van 1 maart 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek tot onderbewindstelling af te wijzen.

Het hof heeft tevens kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 18 augustus 2010 van de bewindvoerder.

Ter zitting van 26 januari 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn mr. Boedhoe en mevrouw De Vrij (een kantoorgenoot van de bewindvoerder). [appellant] is - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet verschenen.

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. Op 15 februari 2010 heeft [appellant] de rechtbank verzocht een bewind in te stellen over de goederen die hem toebehoren en zullen toebehoren.

2. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank daarop beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg".

De overwegingen

3. [appellant] komt in hoger beroep van een beslissing van de rechtbank, waarmee hij heeft gekregen waarom hij heeft verzocht. De rechtbank heeft immers overeenkomstig het inleidend verzoek van [appellant] de goederen van [appellant] onder bewind gesteld. Voor zover [appellant] erover klaagt dat de onderbewindstelling ten onrechte is uitgesproken omdat de grond voor onderbewindstelling steeds ontbroken heeft, faalt deze klacht. Een partij die spijt krijgt van zijn in eerste aanleg toegewezen vordering, kan de toewijzing wegens gebrek aan belang niet ongedaan maken in appel.

4. Voor zover [appellant] in hoger beroep stelt dat de grond voor onderbewindstelling niet meer aanwezig is, het contact met de bewindvoerder moeizaam verloopt en de begeleiding bij zijn financiële zaken door een ander kan worden geboden, overweegt het hof het volgende. Hoger beroep strekt niet uitsluitend tot een beoordeling van de juistheid van de in eerste aanleg gegeven beslissing, maar - binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep - tot een nieuwe behandeling en beslissing van de zaak. Daarbij dient het hof te beoordelen naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing. Partijen mogen in geval van veranderingen van omstandigheden in hoger beroep nova aandragen en de eis veranderen of vermeerderen, of het verweer veranderen of aanvullen. Aangezien [appellant] zich op een verandering van omstandigheden beroept, is het hof van oordeel dat hij belang heeft bij zijn appel. [appellant] kan dan ook worden ontvangen in zijn hoger beroep.

5. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting is het hof van oordeel dat de grond voor onderbewindstelling als bedoeld in artikel 1:431 van het BW thans niet meer aanwezig is. Het hof is onvoldoende gebleken dat [appellant] thans als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Het hof neemt tevens in aanmerking dat uit de stukken naar voren is gekomen dat de begeleiding bij de financiële zaken van [appellant] door een ander kan worden geboden en dat de bewindvoerder zich niet tegen de beëindiging van de onderbewindstelling heeft verzet.

Slotsom

6. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

beëindigt het ingestelde bewind over alle goederen die (zullen) toebehoren aan [appellant] met ingang van de datum van deze beschikking.

Aldus gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, M.P. den Hollander en J. Hulsebosch, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 24 februari 2011 in bijzijn van de griffier.