Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ5110

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-05-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
24-002962-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan mishandeling. Veroordeling tot gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, m.a.

Vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

nevenzittingsplaats Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002962-10

Uitspraak d.d.: 17 mei 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 november 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1980],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 mei 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze niet-ontvankelijk zal verklaren.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,

mr. R.W. van Faassen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 22 maart 2010 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of in/tegen de rug, althans het lichaam heeft geschopt en/of getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

feit 2:

hij op of omstreeks 22 maart 2010 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

feit 1:

hij op 22 maart 2010 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], tegen het hoofd heeft geslagen en in de rug heeft geschopt, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

feit 2:

hij op 22 maart 2010 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [benadeelde], op het hoofd heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert telkens op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Op 22 maart 2010 heeft verdachte zich onder invloed van alcoholhoudende drank in de woning van de hem bekende [slachtoffer], schuldig gemaakt aan mishandeling van voornoemde [slachtoffer] en van de eveneens in de woning aanwezige hem, verdachte, bekende [benadeelde]. Als gevolg hiervan hebben zij pijn ondervonden. Verdachte heeft door aldus te handelen de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en [benadeelde] geschonden.

Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 10 maart 2011, waaruit - ten nadele van verdachte - blijkt dat hij eerder ter zake geweldsdelicten is veroordeeld.

Ter terechtzitting heeft de raadsman het hof verzocht om aan verdachte in plaats van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

Het hof is echter - met name gelet op het strafrechtelijke verleden van verdachte en bezien vanuit het oogpunt van normhandhaving en vergelding - van oordeel dat ter bestraffing van het plegen van de bewezen verklaarde feiten met geen andere straf kan worden volstaan dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Aan verdachte zal - zoals in eerste aanleg opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd - een gevangenisstraf voor de duur van zes weken worden opgelegd, met aftrek van de tijd die hij in verzekering heeft doorgebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.

Blijkens het voegingsformulier vordert de benadeelde partij vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 285,20 en immateriële schade tot een bedrag van € 4.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep, niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel dat het rechtstreekse verband tussen de door de benadeelde partij geclaimde schade (voortvloeiend uit een gebroken rug) en het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit onvoldoende concreet is onderbouwd om tot een inhoudelijke beoordeling hiervan te geraken. Gelet hierop dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard te worden in zijn vordering, met bepaling dat de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof,

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken;

bepaalt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, en/of artikel 27a Sr bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde], in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. P.W.J. Sekeris, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. T.H. Bosma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen, griffier,

en op 17 mei 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.