Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ5049

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-03-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
200.068.823
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen zwaarwegende belangen die zich tegen omgang tussen vader en zoon verzetten. Geen aanleiding om af te wijken van de in omgangszaken gebruikelijke haal- en brengregeling. Beide ouders hebben uitkering en zullen elkaar financieel niet veel ontlopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 3 maart 2011

Zaaknummer 200.068.823

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[naam moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. R. Zwiers, kantoorhoudende te Almere,

tegen

[naam vader],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.M. Blom, kantoorhoudende te Amsterdam.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 18 maart 2010 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, het verzoek van de vader tot wijziging van de (onderling afgesproken) omgangsregeling toegewezen en een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige [naam kind] (hierna: [kind]), geboren op 20 augustus 2004 te Amsterdam, vastgesteld, inhoudende dat de vader omgang heeft met [kind] eenmaal per veertien dagen, telkens van vrijdag 16.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de vader [kind] bij school ophaalt op vrijdag om 16.00 uur of zoveel eerder dat [kind] vrij van school is en de moeder [kind] weer ophaalt bij de vader op zondag, en de helft van de schoolvakanties en feestdagen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 16 juni 2010, heeft de moeder verzocht de beschikking van 18 maart 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van de vader af te wijzen, althans een zodanige omgangsregeling tussen [kind] en de vader vast te stellen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 28 juli 2010, heeft de vader het verzoek bestreden en verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek althans dit verzoek af te wijzen en de beschikking van 18 maart 2010 te bekrachtigen.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 28 januari 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de moeder en de vader, beiden bijgestaan door hun advocaat.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Uit de - inmiddels verbroken - relatie tussen de vader en de moeder is [kind] geboren. De moeder is alleen met het gezag over [kind] belast. De vader heeft [kind] erkend.

2. De ouders zijn na het verbreken van de relatie in overleg een omgangsregeling overeengekomen, waarbij [kind] een weekend per veertien dagen bij de vader verbleef. De moeder heeft deze omgang opgeschort nadat op of omstreeks

18 oktober 2009 een incident heeft plaatsgevonden. De ouders hebben tijdens de behandeling van een kort geding op 4 december 2009 afgesproken dat de vader en [kind] voorlopig eens per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur omgang met elkaar zullen hebben, waarbij de vader [kind] van het station Almere Centrum zal ophalen en terugbrengen. De moeder heeft de omgang wederom opgeschort, nadat de vader [kind] op 29 december 2009 niet op tijd had teruggebracht naar het station Almere Centrum. De voorzieningenrechter heeft de moeder - bij vonnis van 17 februari 2010 - veroordeeld de op 4 december 2009 gemaakte afspraken over de omgang na te komen, onder oplegging van een dwangsom.

3. De vader heeft de rechtbank - bij inleidend verzoek van 4 januari 2010 - verzocht de omgangsregeling tussen hem en [kind] te wijzigen en te bepalen dat [kind] eens per veertien dagen bij de vader verblijft van vrijdag 16.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de vader [kind] op vrijdag ophaalt bij de moeder en de moeder [kind] op zondag weer ophaalt bij de vader, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen.

4. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist zoals hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Het hoger beroep van de moeder richt zich tegen deze beslissing.

De overwegingen

5. De moeder is van mening dat de omgangsregeling tussen de vader en [kind] moet worden beperkt. De vader zou niet goed voor [kind] zorgen en zou [kind] op een onveilige manier vervoeren. Het MoleMann Instituut heeft [kind] bij de moeder thuis en op school gefilmd. Er is ook gefilmd nadat een omgangsweekend bij de vader heeft plaatsgevonden. De moeder geeft aan dat [kind]'s gedrag in negatieve zin is veranderd. Zij wijt dit aan de omgang. Het MoleMann Instituut heeft volgens de moeder geadviseerd om op zondag geen omgang te laten plaatsvinden tussen [kind] en de vader.

6. De vader stelt dat er geen reden is om de omgangsregeling te beperken, omdat de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling goed verloopt en na de vaststelling van de omgangsregeling geen incidenten meer zijn voorgevallen. De vader zorgt goed voor [kind], [kind] vindt het leuk bij de vader en de vader en [kind] doen samen altijd leuke dingen. De vader is niet op de hoogte van het door het MoleMann Instituut verrichte onderzoek en bij hem thuis is [kind] niet gefilmd.

7. Het hof is van oordeel dat geenszins aannemelijk is geworden dat de omgangsregeling, zoals die door de rechtbank is vastgesteld, in strijd is met de zwaarwegende belangen van [kind] of dat er anderszins sprake is van een ontzeggingsgrond als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW. Wel wekken de ouders de indruk dat zij elkaar niet respecteren. Het is schadelijk voor [kind] dat de ouders op deze wijze met elkaar omgaan. De ouders dienen met elkaar te communiceren en te overleggen over zaken die [kind] aangaan, waaronder de omgangsregeling tussen de vader en [kind]. Het is in het belang van [kind] dat de ouders op een minder belaste wijze met elkaar omgaan en door het scheppen van duidelijkheid over de omgangsregeling tussen de vader en [kind] tracht het hof de ouders hiertoe te bewegen.

8. De moeder wil dat de eindtijd van de omgangsregeling op zondag in ieder geval wordt vervroegd naar 16.00 uur. Als de moeder [kind] pas om 18.00 uur ophaalt, zijn zij erg laat thuis waardoor [kind] op maandag vermoeid op school komt. Daarnaast zitten [kind] en de vader om 18.00 uur vaak nog te eten of hebben zij net gegeten, waardoor de moeder en [kind] het risico lopen om de veerpont te missen.

9. Om het risico te verminderen dat [kind] en de moeder de veerpont zullen missen op zondagavond, zal het hof een omgangsregeling vaststellen waarbij de vader gerechtigd is [kind] bij zich te ontvangen eenmaal in de veertien dagen van vrijdag 16.00 uur tot zondag 17.45 uur. Het hof merkt daarbij ten overvloede op dat [kind] om 17.45 moet klaarstaan voor vertrek.

10. Daarnaast merkt het hof op dat de ouders niet met elkaar geconfronteerd hoeven te worden als de vader [kind] van school haalt. De moeder heeft aangegeven niet meer de dochter van haar huidige partner van het schoolplein te hoeven halen, omdat de dochter van haar huidige partner niet meer naar dezelfde school als [kind] gaat. De moeder staat, naar eigen zeggen, op vrijdag op het schoolplein omdat zij [kind] zal kunnen opvangen als de vader te laat is. De vader stelt nog nooit te laat op het schoolplein te hebben gestaan en geeft aan de moeder te zullen bellen als hij wel vertraging mocht oplopen. Het ligt dus voor de hand dat de moeder niet meer spontaan op de betreffende vrijdagmiddagen naar de school van [kind] gaat, om onnodige confrontaties met de vader te vermijden.

Haal- en brengregeling

11. De moeder is van mening dat de vader [kind] moet ophalen en terugbrengen, omdat de vader geen alimentatie betaalt en de moeder alle kosten voor [kind] alleen moet dragen. Daarnaast moet de moeder ook in de koude wintermaanden met de veerpont, terwijl de vader in het bezit is van een auto. De vader stelt dat het de verantwoordelijkheid is van beide ouders om [kind] op te halen en terug te laten komen, zodat het halen en brengen moet worden gedeeld. Bovendien heeft de vader een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand, zodat hij de benzinekosten niet alleen zal kunnen dragen. De moeder heeft aangegeven niet in de benzinekosten te willen bijdragen.

12. Het hof is van oordeel dat onvoldoende onderbouwd is waarom afgeweken dient te worden van de gebruikelijke haal- en brengregeling. De ouders hebben beiden een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand en zullen elkaar financieel gezien dus niet veel ontlopen. Het hof ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke haal- en brengregeling.

13. Het hof zal in het dictum vastleggen dat de vader [kind] op vrijdagmiddag van school zal ophalen en de moeder [kind] op zondagmiddag bij de vader zal ophalen.

Zwemmen van [kind]

14. De moeder stelt dat [kind] op 5 februari 2011 om 12.00 uur moet afzwemmen voor zijn zwemdiploma A. De moeder wil graag dat de omgang tussen de vader en [kind] in dat weekend pas zal beginnen op zaterdag na het afzwemmen. De ouders hebben in onderling overleg afgesproken dat de vader [kind] op 5 februari 2011 pas zal ophalen nadat het afzwemmen heeft plaatsgevonden. Aangezien deze datum inmiddels in het verleden ligt, zal het hof deze afspraak niet in het dictum van deze beschikking opnemen.

15. Daarnaast zal [kind] volgens de moeder doorgaan met de zwemlessen voor zijn zwemdiploma B. Deze zwemlessen zullen plaatsvinden op de zaterdagen vanaf 10.30 uur. De moeder geeft aan dat het niet gelukt is de zwemlessen naar een andere dag te verplaatsen. De ouders hebben afgesproken dat de vader [kind], zolang [kind] zwemlessen volgt voor zijn zwemdiploma B, pas op zaterdag na de zwemles zal ophalen bij het zwembad.

16. Het hof zal deze afspraken in het dictum vastleggen. Indien [kind] geen zwemlessen meer heeft voor zijn zwemdiploma B, zal het aanvangstijdstip van de omgangsregeling zoals hierboven omschreven weer hebben te gelden.

Slotsom

17. Hoewel de beschikking waarvan beroep inhoudelijk grotendeels bekrachtigd zou kunnen worden, zal het hof deze in zijn geheel vernietigen en opnieuw beslissen. Daarmee wordt bereikt dat uit deze beschikking inzichtelijk blijkt hoe de omgangsregeling luidt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

stelt tussen de vader en de minderjarige [naam kind] (hierna: [kind]), geboren op 20 augustus 2004, een omgangsregeling vast in die zin dat de vader gerechtigd is [kind] bij zich te ontvangen:

zolang [kind] zwemlessen voor zijn zwemdiploma B volgt:

- eenmaal in de veertien dagen op zaterdag na de zwemles van [kind] tot zondag 17.45 uur;

- de vader haalt [kind] op bij het zwembad en de moeder haalt [kind] op bij de vader;

- de helft van de schoolvakanties en feestdagen;

indien [kind] géén zwemlessen voor zijn zwemdiploma B meer volgt:

- eenmaal in de veertien dagen op vrijdag van 16.00 uur tot zondag 17.45 uur;

- de vader haalt [kind] op van school en de moeder haalt [kind] op bij de vader;

- de helft van de vakanties en feestdagen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, R. Feunekes en E.F. Groot, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 3 maart 2011 in bijzijn van de griffier.