Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ4036

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
21-003697-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling artikel 6 WVW 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-003697-10

Uitspraak d.d.: 4 mei 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 5 oktober 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1976],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 april 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr G.A. Dorsman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Primair:

hij op of omstreeks 5 maart 2009 rond 04.05 uur te [plaats], althans in het arrondissement Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg,de [weg], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, (terwijl er geen straatverlichting aanwezig was, met uitzondering van een lantaarnpaal welke geplaatst was in de bocht van de weg gelegen net voor de plaats van het ongeval, nabij een kruising, en/of terwijl het wegdek ter plaatse nat was) een bocht in die weg in en/of door te rijden en/of (daarbij) zijn snelheid onvoldoende aan de situatie ter plaatse aan te passen en/of (daardoor) (na de bocht) het door hem bestuurde motorrijtuig zo onvoldoende onder controle te hebben dat hij daarmee is gereden/gebotst tegen een boom welke aan de rechterzijde in de tussenberm stond en/of waarna het motorrijtuig (na over het (brom)fietspad te zijn gereden/gegleden) rechts daarvan tot stilstand is gekomen (deels) in de berm en/of (deels) in een droge sloot, waardoor zijn passagier, [benadeelde], zwaar lichamelijk letsel, te weten een hoge dwarsleasie werd toegebracht;

Subsidiair:

hij, op of omstreeks 05 maart 2009 rond 04.05 uur, te [plaats], in het arrondissement Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [weg] (terwijl er geen straatverlichting aanwezig was, met uitzondering van een lantaarnpaal welke geplaatst was in de bocht van de weg gelegen net voor de plaats van het ongeval, nabij een kruising, en/of terwijl het wegdek ter plaatse nat was) een bocht in die weg in en/of door is gereden en/of (daarbij) zijn snelheid onvoldoende aan de situatie ter plaatse heeft aangepast en/of (daardoor) (na de bocht) het door hem bestuurde motorrijtuig zo onvoldoende onder controle heeft gehad dat hij daarmee is gereden/gebotst tegen een boom welke aan de rechterzijde in de tussenberm stond en/of waarna het motorrijtuig (na over het (brom)fietspad te zijn gereden/gegleden rechts daarvan tot stilstand is gekomen (deels) in de berm en/of (deels) in een droge sloot, door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verzoek tot het verrichten van nader onderzoek

Door de verdediging is verzocht om, indien (het wrak van) de auto waarmee het ongeval heeft plaatsgevonden nog niet is vernietigd, nader onderzoek naar vingerafdrukken van het slachtoffer te laten verrichten aan de handrem van die auto. Nu de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft mede gedeeld dat (het wrak van) de auto is vernietigd, kan dit voorwaardelijk verzoek, zoals ook de raadsman al ter zitting aangegeven heeft, buiten bespreking blijven.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Ter beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zal het hof achtereenvolgens ingaan op de vraag of en welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren.

Op grond van de in de eventueel later op te maken aanvulling gebezigde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, terwijl de weg beperkt verlicht en nat was en hij zich vlakbij een kruising bevond, bij het in- en/of doorrijden van een bocht zijn snelheid onvoldoende aan de situatie ter plaatse heeft aangepast en zijn auto onvoldoende onder controle heeft gehad, ten gevolge waarvan de auto uiteindelijk met zijn achterzijde tegen een boom is aangebotst en even verderop tot stilstand is gekomen. Ten gevolge van het verkeersongeval heeft een passagier van verdachte zwaar lichamelijk letsel (een hoge dwarslaesie) opgelopen.

Het hof heeft daartoe in aanmerking genomen, en vindt daarin in het bijzonder het bewijs voor de te hoge snelheid, dat uit een door het NFI verricht onderzoek naar de snelheidsbepaling voorafgaand aan het ongeval blijkt dat, gelet op de eindpositie van de auto, in technisch opzicht drie scenario's mogelijk zijn:

1) de auto brak tijdens het rijden door de bocht met de achterzijde uit door aantrekken van de handrem,

2) de auto brak tijdens het rijden door de bocht met de achterzijde uit door een overberemde achteras en

3) de auto brak uit door een slingerbeweging met meerdere stuurbewegingen.

Gelet op de verklaring van verdachte en de verklaring van het slachtoffer zoals afgelegd bij de politie acht het hof scenario 1 (het aantrekken van de handrem) en scenario 2 (het overberemmen van de remas) niet aannemelijk. Verdachte noch het slachtoffer verklaart over het aantrekken van de handrem of een forse beremming die nodig is om tot overberemming van de achteras te komen, daargelaten of overberemming van de achteras een technisch gebrek aan de reminrichting als oorzaak zou kunnen hebben waarvan bij het technisch onderzoek aan de auto niets is gebleken.

Daarom kan, naar de overtuiging van het hof, het ongeval alleen maar veroorzaakt zijn volgens scenario 3 (slingerbeweging met meerdere stuurbewegingen). Dit scenario past binnen de in de verklaringen van het slachtoffer en verdachte geschetste gang van zaken.

Het slachtoffer verklaart immers dat hij zag dat de auto ineens op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terecht kwam en dat verdachte een ruk aan het stuur naar rechts heeft gegeven. Vervolgens kwam de auto volgens het slachtoffer eerst (naar het hof begrijpt: terug) op de eigen weghelft en vervolgens door de slip weer op de andere weghelft. Verdachte verklaart dat het rechtervoorwiel van de auto in de berm geraakte en dat hij probeerde terug te sturen. Ook verdachte verklaart over het in de slip raken van de auto.

In deze verklaringen is sprake van een slingerbeweging. De slip waarover beiden verklaren kan als een bevestiging daarvan worden gezien. Nu voorts het NFI een enkele stuurbeweging onverenigbaar acht met de eindpositie van de auto, acht het hof niet aannemelijk dat verdachte voorafgaand aan het ongeval slechts één enkele (overmatige) stuurbeweging heeft gemaakt. Wat de precieze aanleiding voor de slingerbeweging en de meerdere stuurbewegingen is geweest kan niet worden vastgesteld. Deze kan gevoeglijk in het midden blijven, nu geen veroorzakende omstandigheid buiten het handelingsdomein van de verdachte aannemelijk is geworden. In die zin verschilt het oordeel van het hof van dat van de rechtbank: uit het voorgaande volgt al rechtstreeks dat verdachte als bestuurder zijn auto onvoldoende onder controle heeft gehad.

Uit het NFI-rapport (pagina 8) blijkt dat in scenario 3 (slingerbeweging met meerdere stuurbewegingen) de door verdachte minimaal gereden snelheid hoger is geweest dan 120 km/h. Een snelheid in die orde van grootte sluit ook aan op de verklaring van het slachtoffer. Het hof acht die snelheid, gegeven de situatie ter plekke (beperkte verlichting, nat wegdek en nabij een kruising) en de aldaar geldende maximumsnelheid van 80 km/h, veel te hoog en merkt deze aan als onvoldoende aangepast.

De vraag is vervolgens of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten tegen dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Een automobilist heeft onder meer de bijzondere zorgplicht zijn snelheid voldoende aan de omstandigheden aan te passen en zijn auto onder controle te houden. Verdachte heeft deze zorgplichten, gelet op de bewezenverklaarde gedragingen, zeer veronachtzaamd. Terwijl de weg beperkt verlicht en nat was en verdachte een kruising naderde, heeft verdachte een bocht in- en/of doorgereden met een veel hogere snelheid gereden dan ter plaatse toegestaan en gelet op de omstandigheden verantwoord was. Verdachte heeft daarbij de controle over zijn auto verloren. Het hof acht op grond hiervan wettig en overtuigend bewezen dat verdachtes handelen als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt en dat hij schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 tengevolge waarvan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 5 maart 2009 rond 04.05 uur te [plaats], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg,de [weg], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig terwijl er geen straatverlichting aanwezig was, met uitzondering van een lantaarnpaal welke geplaatst was in de bocht van de weg gelegen net voor de plaats van het ongeval, nabij een kruising, en terwijl het wegdek ter plaatse nat was), een bocht in die weg in en/of door te rijden en daarbij zijn snelheid onvoldoende aan de situatie ter plaatse aan te passen en het door hem bestuurde motorrijtuig zo onvoldoende onder controle te hebben dat hij daarmee is gereden tegen een boom welke aan de rechterzijde in de tussenberm stond en waarna het motorrijtuig na over het (brom)fietspad te zijn gereden/gegleden rechts daarvan tot stilstand is gekomen (deels) in de berm en/of (deels) in een droge sloot, waardoor zijn passagier, [benadeelde], zwaar lichamelijk letsel, te weten een hoge dwarsleasie werd toegebracht;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte door zeer onvoorzichtig rijgedrag een eenzijdig verkeersongeval heeft veroorzaakt tengevolge waarvan zijn passagier onherstelbaar zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van een hoge dwarslaesie. Het slachtoffer is hierdoor voor de rest van zijn leven zo goed als volledig verlamd. Verdachte heeft nimmer contact gezocht met het slachtoffer of diens naasten, die hij door de gevolgen van zijn onverantwoordelijke wijze van rijden onvoorstelbaar verdriet heeft aangedaan. Verdachte heeft op geen enkele wijze medeleven betuigd of enig blijk gegeven van inzicht in de ernst van hetgeen hij het slachtoffer heeft aangedaan. Ter terechtzitting heeft de echtgenote van het slachtoffer bij monde van haar advocaat laten blijken hoezeer verdachte met deze ogenschijnlijke onverschilligheid het dragen van dat verdriet bemoeilijkt. Ook in hoger beroep is verdachte niet in persoon ter terechtzitting verschenen - hetgeen hem juridisch vrijstaat - , maar heeft hij zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigd raadsman, in het bijzonder om verweer te voeren tegen het in eerste aanleg toegewezen voorschot van 5000 euro op de vordering van de benadeelde partij. De ernst van de gedragingen, het bewezenverklaarde schuldverwijt, de verstrekkende en onherstelbare gevolgen en de attitude van verdachte jegens het slachtoffer en diens naasten sluiten naar het oordeel van het hof het opleggen van een andere straf dan een gevangenisstraf uit. Het hof zal, gelet op de ernst van het feit, daarnaast tevens een rij-ontzegging opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 5.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Door de verdediging is betoogd dat de benadeelde partij naast voeging in de strafprocedure tevens een civielrechtelijke procedure heeft aangespannen. In die procedure zou de aansprakelijkheid door de verzekering zijn erkend en het thans alleen nog gaan over de vraag wat de mate van eigen schuld is geweest. Omdat dit ertoe zou kunnen leiden dat de benadeelde partij de schade dubbel vergoed krijgt, dient de vordering van de benadeelde partij volgens de verdediging niet-ontvankelijk te worden verklaard of te worden afgewezen.

Het hof overweegt daaromtrent dat het de benadeelde partij vrij staat om naast de voeging in de strafprocedure tevens een civiele procedure aan te spannen. Gelet op de beperkte behandeling van de (civiele) vordering in de strafprocedure en gegeven de complexiteit van de civiele component van onderhavige strafzaak ligt het zelfs voor de hand dat de benadeelde partij zich in casu niet heeft beperkt tot voeging in de strafprocedure. De vordering van de benadeelde partij heeft in een zaak als de onderhavige slechts een accessoir karakter. De benadeelde partij heeft dit, nu in de strafprocedure slechts een voorschot wordt gevorderd, ook niet miskend. Daarbij komt dat verdachte het door hem betaalde voorschot, voor zover nodig, op grond van het bepaalde in de polis van de motorrijtuigenverzekering ten laste van zijn verzekeraar kan brengen en dat dat wordt verrekend in de civiele hoofdzaak, hetgeen immers het meest in het oog springende kenmerk is van een voorschot-betaling. Het door de verdediging gevoerde verweer leidt derhalve niet tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij of afwijzing van de door de benadeelde partij ingediende vordering op grond van de gestelde vrees dat de benadeelde dit bedrag van 5000 euro mogelijk dubbel betaald zou krijgen. De raadsman ziet met dit verweer bovendien over het hoofd dat de "action directe", die de benadeelde aan de WAM ontleent op de verzekeraar, de aansprakelijkheid van verdachte als pleger van de onrechtmatige daad onverlet laat.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte (kort gezegd: overtreding van artikel 6 WVW 1994) rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Ontzegt de verdachte terzake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde] terzake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr M. Otte, voorzitter,

mr P.R. Wery en mr A.G. Coumans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Robroek, griffier,

en op 4 mei 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.