Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ4032

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
21-002783-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2056, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling artikel 6 WVW 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002783-10

Uitspraak d.d.: 4 mei 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 19 juli 2010 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-426733-08, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 april 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr M. 't Sas, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 22 januari 2009 te [plaats], althans in het arrondissement Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de [weg 1] zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, (terwijl ter plaatse een maximum snelheid van 80 kilometer per uur is toegestaan) met (te) hoge snelheid en/of zonder zijn snelheid te verminderen, meerdere voertuigen (waaronder een trekker met oplegger) te passeren welke voertuigen op de rechter rijstrook bestemd voor het rechtdoorgaande verkeer stil stonden voor het verkeerslicht dat rood licht uitstraalde voor het rechtdoorgaande verkeer waarbij hij, verdachte deze stilstaande voertuigen passeerde over de linker rijstrook welke rijstrook ook bestemd was voor het rechtdoorgaande verkeer en/of (vervolgens) het voor hem bestemde rode verkeerslicht te negeren en de kruising met de [weg 2] op te rijden waarbij hij, verdachte, op die kruising is gereden/gebotst tegen een van rechts komende personenauto waarvan de bestuurster die kruising was opgereden terwijl het voor haar bestemde verkeerslicht groen licht uitstraalde waardoor - de bestuurster van die personenauto genaamd [benadeelde 1], licht schedel/hersenletsel en een scapulafractuur (sleutelbeenbreuk) bekwam en/of - de passagier van [benadeelde 1],genaamd [benadeelde 2], whiplash letsel van de nek bekwam en/of - de passagier van verdachte, genaamd [benadeelde 3], een gebroken duim en gekneusde ribben bekwam en aldus aan hen zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiar:

hij, op of omstreeks 22 januari 2009, te [plaats], althans in het arrondissement Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [weg 1], (terwijl ter plaatse een maximum snelheid van 80 kilometer per uur is toegestaan) met (te) hoge snelheid en/of zonder zijn snelheid te verminderen, meerdere voertuigen (waaronder een trekker met oplegger) is gepasseerd welke voertuigen op de rechter rijstrook bestemd voor het rechtdoorgaande verkeer stil stonden voor het verkeerslicht dat rood licht uitstraalde voor het rechtdoorgaande verkeer, waarbij hij, verdachte deze stilstaande voertuigen is gepasseerd over de linker rijstrook welke rijstrook ook bestemd was voor het rechtdoorgaande verkeer en/of (vervolgens) het voor hem bestemde rode verkeerslicht heeft genegeerd en de kruising met de [weg 2] op is gereden, waarbij hij, verdachte, op die kruising is gereden/gebotst tegen een van rechts komende personenauto waarvan de bestuurster die kruising was opgereden terwijl het voor haar bestemde verkeerslicht groen licht uitstraalde door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Ter beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zal het hof achtereenvolgens ingaan op de vraag of en welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren.

Op grond van de in de eventueel later op te maken aanvulling gebezigde bewijsmiddelen acht het hof evenals de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, terwijl het donker en regenachtig weer was,

- na het zien van een voor hem bestemd oranje verkeerslicht, zijn te hoge snelheid niet heeft verminderd en

- zich vervolgens door zijn naast hem zittende zoon heeft laten afleiden,

- waardoor hij het voor hem bestemde verkeerslicht passeerde toen dat rood licht uitstraalde.

Tengevolge hiervan is verdachte met zijn bedrijfsauto in botsing gekomen met een andere auto en hebben twee inzittenden van die auto, alsmede de zoon van verdachte meer of minder ernstig letsel opgelopen waaruit (minst genomen) tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De vraag is vervolgens of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Een automobilist heeft onder meer de bijzondere zorgplicht zijn snelheid voldoende aan de omstandigheden op de weg aan te passen, zijn aandacht op het verkeer te richten en te stoppen voor een rood stoplicht. Verdachte heeft deze zorgplichten, gelet op de bewezenverklaarde gedragingen, ernstig veronachtzaamd. Terwijl het donker was en het weer regenachtig heeft verdachte, die met de gecompliceerde verkeerssituatie ter plekke bekend was, zijn hoge snelheid niet verminderd toen het verkeerslicht oranje was. Verdachte heeft zich laten afleiden en daardoor niet waargenomen dat het verkeerslicht rood licht uitstraalde toen hij dat passeerde. Het hof acht op grond hiervan evenals de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachtes handelen als zeer onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt en dat hij schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 tengevolge waarvan drie slachtoffers letsel hebben opgelopen waaruit (minst genomen) tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 januari 2009 te [plaats], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de [weg 1] zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, (terwijl ter plaatse een maximum snelheid van 80 kilometer per uur is toegestaan) met te hoge snelheid en zonder zijn snelheid te verminderen, meerdere voertuigen (waaronder een trekker met oplegger) te passeren welke voertuigen op de rechter rijstrook bestemd voor het rechtdoorgaande verkeer stil stonden voor het verkeerslicht dat rood licht uitstraalde voor het rechtdoorgaande verkeer waarbij hij, verdachte deze stilstaande voertuigen passeerde over de linker rijstrook welke rijstrook ook bestemd was voor het rechtdoorgaande verkeer en vervolgens het voor hem bestemde rode verkeerslicht te negeren en de kruising met de [weg 2] op te rijden waarbij hij, verdachte, op die kruising is gebotst tegen een van rechts komende personenauto waarvan de bestuurster die kruising was opgereden terwijl het voor haar bestemde verkeerslicht groen licht uitstraalde waardoor

- de bestuurster van die personenauto genaamd [benadeelde 1], licht schedel/hersenletsel en een scapulafractuur (sleutelbeenbreuk) bekwam en

- de passagier van [benadeelde 1], genaamd [benadeelde 2], whiplash letsel van de nek bekwam en

- de passagier van verdachte, genaamd [benadeelde 3], een gebroken duim en gekneusde ribben bekwam

en aldus aan hen zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft door zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag een ongeval veroorzaakt waarbij drie personen lichamelijk letsel hebben opgelopen. Naast zijn zoontje, die evenmin als verdachte een autogordel droeg, waren dat twee inzittenden van de auto waarmee verdachte in botsing is gekomen. Van één die twee inzittenden is het letsel, hoewel niet tenlastegelegd en bewezenverklaard, als zwaar lichamelijk letsel aan te merken. Verdachte heeft door te handelen als bewezenverklaard de slachtoffers veel leed aangedaan. Daartegenover staat dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep blijk heeft gegeven van inzicht in de door hem gemaakte verkeersfout. Het hof is er van overtuigd dat ook verdachte is aangegrepen door het ongeval en de daardoor veroorzaakte gevolgen. Deze last van verdachte valt echter (uiteraard) in het niet bij het leed van de slachtoffers. Gezien de ernst van het bewezenverklaarde verkeersgedrag is in beginsel de door de rechtbank opgelegde straf alleszins op zijn plaats. Nu verdachte nooit eerder voor een misdrijf is veroordeeld, alsmede gelet op de omstandigheid dat verdachte als zzp-er voor zijn werk (koerier) en gezinsinkomen sterk afhankelijk is van zijn rijbewijs, zal het hof de rij-ontzegging van 12 maanden geheel voorwaardelijk opleggen. Het hof zal ter compensatie de door de rechtbank opgelegde werkstraf verhogen naar de wettelijk maximale duur van 240 uren.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 569,57. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 369,57. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte (kort gezegd: overtreding van artikel 6 WVW 1994) schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. Evenals de rechtbank zal het hof het bedrag dat voor vergoeding van de verloren gegane kleding in aanmerking komt in verband met de afschrijving stellen op EUR 200,=. De benadeelde partij kan voor het overige in haar vordering niet worden ontvangen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van het Kantongerecht te Utrecht van 27 november 2008 opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, zal de bij dat vonnis vastgestelde proeftijd met 1 (één) jaar worden verlengd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14f, 14h, 14i, 14j, 22c, 22d, 24c, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte terzake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde 2] terzake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 369,57 (driehonderdnegenenzestig euro en zevenenvijftig cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], een bedrag te betalen van EUR 369,57 (driehonderdnegenenzestig euro en zevenenvijftig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Tenuitvoerlegging

Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van het kantongerecht te Utrecht van 27 november 2008 met een termijn van 1 (een) jaar.

Aldus gewezen door

mr M. Otte, voorzitter,

mr P.R. Wery en mr A.G. Coumans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. drs R. Robroek, griffier,

en op 4 mei 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.