Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ4031

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
21-002845-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling artikel 6 WVW 1994. Roekeloosheid

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2011/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002845-10

Uitspraak d.d.: 4 mei 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Almelo van 20 juli 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 april 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr J.G. Luiten, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Primair:

hij op of omstreeks 15 oktober 2009 in de gemeente [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg(en), de [straat] en/of de [laan], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers is hij, verdachte, terwijl hij (aanmerkelijk) onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, rijdend op de [straat], - gezien verdachtes rijrichting - linksaf de [laan] in-/opgereden en/of is hij, verdachte, (daarbij) een aldaar geplaatste middengeleider aan de - gezien verdachtes rijrichting - linkerzijde gepasseerd en/of is hij, verdachte, (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig gaan rijden op de - gezien verdachtes rijrichting - linkerrijstrook, bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomend verkeer en/of is hij, verdachte (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig (frontaal) tegen een hem tegemoetkomend motorrijtuig gereden en/of gebotst, waardoor de bestuurder van dat tegemoetkomende motorrijtuig (genaamd [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel, te weten (ernstig) rug- en/of nekletsel, werd toegebracht, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Subsidiair:

A: hij op of omstreeks 15 oktober 2009 in de gemeente [plaats] als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,46 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn

en/of

B: hij op of omstreeks 15 oktober 2009 in de gemeente [plaats] als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg(en), de [straat] en/of de [laan], niet voortdurend de nodige voorzichtigheid en oplettendheid heeft betracht en/of niet voortdurend in staat is geweest de handelingen te verrichten die van hem werden vereist en/of, rijdend op de [straat], - gezien verdachtes rijrichting - linksaf de [laan] is in-/opgereden en/of (daarbij) een aldaar geplaatste middengeleider aan de - gezien verdachtes rijrichting - linkerzijde is gepasseerd en/of (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig is gaan rijden op de - gezien verdachtes rijrichting - linkerrijstrook, bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomend verkeer en/of (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig (frontaal) tegen een hem tegemoetkomend motorrijtuig is gereden en/of gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Ter beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zal het hof achtereenvolgens ingaan op de vraag of en welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen, of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren en of die schuld bestaat in roekeloosheid.

Op grond van de in de eventueel later op te maken aanvulling gebezigde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 15 oktober 2009 rond 23.30 uur frontaal tegen een tegemoetkomende auto is gebotst doordat hij bij een kruispunt linksaf is geslagen maar daarbij in strijd met bord D2 van het RVV 1990 (gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft) de verhoogde op het midden van de weg geplaatste middengeleider aan de linkerzijde is gepasseerd en is gaan rijden op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer. Dit alles vond plaats binnen de bebouwde kom op een kruispunt dat ook door voetgangers en fietsers gebruikt wordt. Verdachte was bekend met die verkeerssituatie.

Voorafgaand aan de frontale botsing heeft verdachte gedurende de dag een forse hoeveelheid alcohol genuttigd. Nadat hij om 12.00 uur voor de laatste keer die dag had gegeten heeft hij eerst thuis, volgens eigen schatting, 9 à 10 blikjes bier gedronken. Daarna is hij rond 18.00 uur naar bekenden in [plaats] gereden. Ook daar heeft hij bier gedronken. Verdachte weet echter niet meer hoeveel: "We zaten met een paar man daar. Ik weet het echt niet meer". Uiteindelijk is verdachte aan het eind van de avond met de auto bij de bekenden vertrokken; korte tijd later heeft het verkeersongeval plaatsgevonden. Na het ongeval (om 23.40 uur) werd door een van de ter plaatse gekomen verbalisanten waargenomen dat de adem van verdachte naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank rook, verdachte bloeddoorlopen ogen had, met dubbele tong sprak en onvast ter been was. Verdachte was niet of nauwelijks aanspreekbaar. Uit het bloedonderzoek (afgenomen op 16 oktober 2009 te 01.17 uur) bleek dat het alcoholgehalte van het bloed van verdachte 2,46 mg alcohol per ml bloed bedroeg.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij van die dag niet veel meer kan herinneren. Hij was volgens eigen zeggen zo dronken doordat hij overspannen was en het niet meer zitten zag: "Ik had een gevoel van drink me maar van de wereld af, of nog erger". Over het moment vlak voor de botsing heeft verdachte bij de politie als volgt verklaard: "Hoe het is gekomen weet ik niet, maar ik had ineens in de gaten dat ik aan de verkeerde kant van de vluchtheuvel reed".

Het hof merkt het rijgedrag van verdachte reeds op zichzelf aan als zeer onvoorzichtig, hetgeen schuld oplevert aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte heeft als automobilist de bijzondere zorgplicht bewust en alert aan het verkeer deel te nemen en daarbij de plaats op de weg in te nemen die de (verkeers)wetgever hem heeft voorgeschreven. Die voorzorgen heeft verdachte zeer veronachtzaamd. Met betrekking tot de tenlastegelegde roekeloosheid overweegt het hof in het bijzonder dat verdachte, na een dag fors alcoholgebruik zonder daarbij voldoende te eten, auto is gaan rijden. Verdachte heeft blijkens de hoge mate van alcohol in zijn bloed sterk onder invloed aan het verkeer deelgenomen, waardoor - zoals ook al in zijn rijgedrag treffend tot uitdrukking komt - er geen sprake meer kon zijn van voldoende bewustzijn en alertheid bij zijn deelname aan het verkeer. Uit het gedurende de hele dag stug innemen van alcohol, het hoge alcoholpromillage dat daarvan het gevolg was, de ernstige tekortkomingen aan de manier van deelname aan het verkeer en de algemene ervaringsregel dat iedere automobilist (en dus ook verdachte, temeer verdachte in het verleden meerdere malen reeds veroordeeld was ter zake rijden onder invloed) moet hebben geweten dat dit samenstel van factoren onaanvaardbare risico's met zich brengt, leidt het hof af dat verdachte door zich niettemin daaraan schuldig te maken welbewust onaanvaardbare risico's heeft genomen. Verdachtes rijgedrag kan dan ook naar het oordeel van het hof als roekeloos worden aangemerkt.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 oktober 2009 in de gemeente [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de wegen, de [straat] en de [laan], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers is hij, verdachte, terwijl hij aanmerkelijk onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde, roekeloos, rijdend op de [straat], - gezien verdachtes rijrichting - linksaf de [laan] ingereden en is hij, verdachte, daarbij een aldaar geplaatste middengeleider aan de - gezien verdachtes rijrichting - linkerzijde gepasseerd en is hij, verdachte, vervolgens met dat door hem bestuurde motorrijtuig gaan rijden op de - gezien verdachtes rijrichting - linkerrijstrook, bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomend verkeer en is hij, verdachte vervolgens met dat door hem bestuurde motorrijtuig frontaal tegen een hem tegemoetkomend motorrijtuig gebotst, waardoor de bestuurder van dat tegemoetkomende motorrijtuig (genaamd [benadeelde] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte met zijn auto de weg is op gegaan terwijl hij veel te veel bier had gedronken om zich nog bewust te zijn van wat de deelname aan het verkeer van hem vergde. Verdachte is bij het afslaan op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terecht gekomen en op een tegenligger gebotst, waarbij de bestuurster van die auto letsel heeft opgelopen. Het letsel heeft haar gedurende langere tijd verhinderd haar normale werkzaamheden te verrichten. Verdachte treft voor zijn roekloze weggedrag een ernstig verwijt. Verdachte is op lichtzinnige wijze omgesprongen met de risico's die aan verkeersdeelname verbonden zijn en met zijn roekeloze manier van rijden heeft hij letsel toegebracht aan het slachtoffer. Bij dit roekeloze weggedrag en de gevolgen daarvan past niets anders dan een gevangenisstraf. Verdachtes persoonlijke omstandigheden, en meer in het bijzonder zijn werkzaamheden voor de gemeente en zijn gezinssituatie, acht het hof onvoldoende zwaarwegend om tot een andere strafmodaliteit te komen. Het hof heeft daarbij naast de ernst van het schuldverwijt, tevens in aanmerking genomen dat verdachte in het verleden reeds vele malen is veroordeeld ter zake verkeersmisdrijven, waaronder ook rijden onder invloed. Wel zal het hof de straf enigszins matigen en voorts deels voorwaardelijk opleggen, zodat verdachte de mogelijkheid geboden wordt het onvoorwaardelijk deel van zijn gevangenisstraf eventueel te ondergaan tijdens een verlofperiode van zijn werkzaamheden voor de gemeente. Gelet op de ernst van het feit en met het oog op de speciale preventie in verband met verdachtes recidive, zal het hof naast de deels voorwaardelijke gevangenisstraf een langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen.

Vordering benadeelde partij [benadeelde]

Door de advocaat-generaal is gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] zal worden toegewezen. Het hof stelt echter vast dat uit het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg noch uit het strafdossier en de van de rechtbank ontvangen inventarislijst, enige vordering van de benadeelde partij blijkt. Een beslissing als bedoeld in artikel 361 Sv zal het hof dan ook achterwege laten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte terzake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr M. Otte, voorzitter,

mr P.R. Wery en mr A.G. Coumans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Robroek, griffier,

en op 4 mei 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.