Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2892

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-04-2011
Datum publicatie
02-05-2011
Zaaknummer
24-003005-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2010:BP2169, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OM-appel gericht tegen de in eerste aanleg opgelegde straf. Verdachte wordt ter zake van het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag en een overval op een hoogbejaarde vrouw veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. Het hof heeft tevens beslist op een vordering van een benadeelde partij en een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-003005-10

Parketnummer eerste aanleg: 07-662275-10 en 07-610058-09 (tul)

Arrest van 28 april 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 december 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1991] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in [verblijfplaats],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte mr. A.J.M. Bommer, advocaat te Rotterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, heeft een maatregel opgelegd, heeft beslist op de vorderingen van benadeelde partijen en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Zij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 21 februari 2011 en 14 april 2011, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Uit de appelmemorie en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft willen instellen tegen de vrijspraak ter zake van het verdachte onder 3 ten laste gelegde. Het hof zal het openbaar ministerie, wegens gebrek aan belang, in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het haar onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze in zijn geheel zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van een verdachte bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 december 2009 aan verdachte voorwaardelijk opgelegde straf, heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vordering zal toewijzen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en opnieuw recht doen, nu het hof op onderdelen tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte - met inachtneming van de wijziging van de tenlastelegging die in eerste aanleg door de rechter is toegelaten - is ten laste gelegd, voor zover aan hoger beroep onderworpen, dat:

1.

zij op of omstreeks 26 april 2010 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht)

- met een sabeltje, in elk geval een hard voorwerp, op het hoofd heeft geslagen en/of

- tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor die [slachtoffer] met haar hoofd en/of lichaam tegen een muur en/of op de grond is geklapt/gevallen en/of

- met het hoofd tegen een muur heeft geslagen en/of geduwd en/of gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit (zijnde feit 2), te weten diefstal met geweld in vereniging en/of afpersing in vereniging van één of meer sieraden en/of een geldbedrag en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of haar mededader(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2.

zij op of omstreeks 26 april 2010 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer sieraden en/of een geldbedrag, in elk geval datgene wat van haar/hun gading bleek te zijn, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan haar mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van één of meer sieraden en/of een geldbedrag, in elk geval datgene wat van haar/hun gading bleek te zijn, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat zij, verdachte, en/of haar mededader(s) meermalen, althans éénmaal (met kracht)

- met een sabeltje, in elk geval een hard voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of

- tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geduwd, waardoor die [slachtoffer] met haar hoofd en/of lichaam tegen een muur en/of op de grond is geklapt/gevallen en/of

- die [slachtoffer] met het hoofd tegen een muur heeft/hebben geslagen en/of geduwd en/of gegooid en/of

- een sabeltje en/of een mes, in elk geval een op een mes gelijkend voorwerp, tegen de hals/kin, in elk geval tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben gebracht/geduwd/gehouden en/of

- die [slachtoffer] stevig bij haar arm(en)/pols(en) heeft/hebben vastgepakt en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft hebben gezegd: "Doe je ringen af" en/of "Afdoen", in elk geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Bij de beoordeling van de bewijsvraag gaat het hof uit van de volgende als vaststaand aan te merken feiten.

Op 26 april 2010 om 21.03 uur komt bij de meldkamer een 112-melding binnen, inhoudende dat een oudere vrouw aan de [adres] te [plaats] is overvallen. Als de politie ter plaatse komt, treft deze - de dan 93-jarige - aangeefster [slachtoffer] zittend en bebloed in de hal van haar woning aan. Het ambulancepersoneel is dan reeds aanwezig en verzorgt haar. Om 21.15 uur wordt [slachtoffer] vervoerd naar het ziekenhuis, in de ambulance wordt getracht een eerste verklaring van haar op te nemen. De verbalisant die aangeefster in de ambulance vergezelt, neemt waar dat het bloed klopsgewijs uit het hoofd van aangeefster gutst en dat de verpleegkundige tracht dit bloeden te stelpen door hard op haar hoofd te drukken. In het ziekenhuis wordt door de behandelde arts als voorlopige conclusie aan de verbalisant medegedeeld dat aangeefster een slagaderlijke bloeding aan het hoofd heeft opgelopen als gevolg van geweld. De arts merkt hierbij op dat aangeefster geluk heeft gehad omdat het trauma is opgelopen aan het dikste gedeelte van de schedel, waar de schedel moeilijk te breken is.

Uit de verklaringen van [slachtoffer] blijkt dat zij op 26 april 2010 televisie zit te kijken als er rond 20.45 uur bij de voordeur van haar woning gelegen aan de [adres] te [plaats] wordt aangebeld. [slachtoffer] loopt daarop met behulp van haar rollator naar de voordeur en opent deze. Er staan twee - zoals aangeefster het zelf beschrijft - "grieten" met donker (krullend) haar voor de deur. Een van de vrouwen slaat aangeefster onmiddellijk met een sabeltje op het hoofd, waardoor zij een klap of een steek tegen haar hoofd voelt, en vervolgens wordt ze met een "goede gooi" omver geduwd. Aangeefster valt hierdoor achterover tegen de muur en op de grond van de gang, wordt verblind door het uit een (hoofd)wond stromende bloed en heeft pijn aan haar hoofd. De andere vrouw loopt, nadat aangeefster is gevallen, direct verder de woning in en gaat op zoek naar spullen van hun gading, terwijl de vrouw die aangeefster had geduwd bij haar blijft. Onder bedreiging met het eerdergenoemde sabeltje, dat ook tegen aangeefsters keel is gezet, wordt aangeefster door de vrouw gedwongen de door haar gedragen ringen af te doen en aan de vrouw af te geven. Ook wordt er gevraagd naar een bankpasje of pincode, die [slachtoffer] op dat moment niet (meer) weet. Nadat de andere vrouw sieraden en geld uit het huis heeft gepakt, verlaten de vrouwen de woning en laten [slachtoffer] hevig bloedend in haar huis achter. Aangeefster roept om hulp waarna zij door een buurtbewoner wordt gevonden.

Op 28 april 2010 maakt GG&GD arts [deskundige 1] een letselbeschrijving van aangeefster. Hij constateert dat [slachtoffer] een scherp begrensde wond links op het voorhoofd heeft opgelopen. Daarnaast wordt door hem een wondje onder de kin geconstateerd, alsmede enkele bloeduitstortingen op de rechter onderarm van aangeefster, mogelijk als gevolg van stevig beetpakken.

Door het team Forensische Opsporing wordt op 26 april 2010 ter plaatse aan de [adres] te [plaats] een sporenonderzoek verricht. Voor en op de dorpel van de voordeur, alsmede in de hal wordt een grote hoeveelheid bloed aangetroffen. Er wordt daarnaast geconstateerd dat zich in de woonkamer net over de dorpel een concentratie van drie bloedvlekken bevindt en dat vanaf deze vlekken een veegspoor loopt in de richting van het midden van de woonkamer ter hoogte van de zitbank en het eenpersoonsbed. Dit veegspoor is vermoedelijk ontstaan doordat het slachtoffer zichzelf heeft verplaatst, dan wel doordat zij is versleept.

De politie start naar aanleiding van hetgeen in de avond van 26 april 2010 in de woning van aangeefster heeft plaatsgevonden een (buurt)onderzoek. Op 7 mei 2010 worden camerabeelden veiliggesteld, afkomstig van camera's die een bewoner van de [adres] te [plaats] aan zijn woning heeft bevestigd en waarvan er zich enkele uitdraaien in het dossier bevinden. De beschrijving van de camerabeelden geeft aan dat twee vrouwen op 26 april 2010 om 20.39 uur voorbij de woning van de [adres] lopen en kort overleg hebben. Beide vrouwen lopen dan door. De vrouwen zijn in gesprek. Daarna loopt een van de vrouwen voorop, waarna er weer een kort gesprek tussen beide vrouwen wordt gevoerd. Beide vrouwen lopen naar het steegje dat is gelegen naast de woning van aangeefster. Vanuit dit steegje is de woning van aangeefster bereikbaar. Halverwege het steegje bindt een van de vrouwen iets wits om haar nek, vermoedelijk een sjaal. Ze knielt en raapt iets op van de grond. Beide vrouwen lopen door en slaan rechtsaf het pad in dat achter de woning van aangeefster loopt. De eerste vrouw stopt en beweegt haar handen door haar haar, hierna gevolgd door de tweede vrouw die haar haar kennelijk in een staart bindt. Hierna verdwijnen beide vrouwen uit beeld. Wat opvalt is dat een van de vrouwen op de camerabeelden witte of gele schoenen draagt.

Op 17 mei 2010 wordt door de politie ook een passantenonderzoek gehouden in de directe omgeving van de woning van aangeefster. In dit onderzoek worden verdachte en medeverdachte [medeverdachte], vergezeld van de personen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], aangesproken.

Op 14 juni 2010 worden verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aangehouden ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit. [medeverdachte] wordt na het verhoor heengezonden, terwijl verdachte hierna in vreemdelingendetentie wordt genomen. [medeverdachte] wordt op 22 juni 2010 opnieuw aan het politiebureau ontboden. Haar wordt dan verzocht naar voornoemde camerabeelden van 26 april 2010 te kijken. [medeverdachte] verklaart dan dat zij beide vrouwen die op de camerabeelden te zien zijn, niet kent. Direct na het verlaten van het politiebureau wordt [medeverdachte] geobserveerd en haar telefoon wordt getapt. Voor de periode van 24 juni 2010 tot en met 8 juli 2010 wordt door de officier van justitie tevens een bevel onderzoek telecommunicatie internet afgegeven.

In het dossier bevinden zich verschillende MSN-gesprekken van [email adres 1], het e-mailadres van medeverdachte [medeverdachte]. Op 26 juni 2010 vindt er over de MSN een gesprek plaats tussen [medeverdachte] en een persoon met het e-mailadres [email adres 2]. Tijdens dit gesprek wordt vermoedelijk gesproken over het onder 3 ten laste gelegde feit. [medeverdachte] vertelt namelijk dat haar vriendin nog steeds vastzit in verband met een straatroof. Diezelfde dag vindt er nog een MSN-gesprek plaats, ditmaal tussen [medeverdachte] en een persoon met het e-mailadres [email adres 3]. [medeverdachte] laat weten dat "haar zakenvrouwtje nog steeds vast zit." In een later gesprek van [medeverdachte] met diezelfde persoon geeft [medeverdachte] aan: "Ik maak nu geen geld, want mijn zakenvrouwtje zit vast." En even later - zakelijk weergegeven -: "Ik en mijn zakenvrouw hadden een huis gepakt. Ik was zo paranoïde, ik heb die vrouw tegen de muur aangeduwd, zo hard, dat zij een gat in haar hoofd kreeg. Ok, we hadden haar geld, goud, alles. We waren weg. Haar zaak wordt nu onderzocht." Daarna vertelt [medeverdachte] dat ze door de politie is bevraagd naar de overval: "Ze laten mij een foto zien van mij en mijn zakenvrouw. Ik zeg, ik ken ze niet." In een MSN-gesprek tussen [medeverdachte] en een persoon met het e-mailadres [email adres 4] laat [medeverdachte] weten dat "we allemaal moeten zeggen dat zij op de foto een negerin is en [verdachte] een Nederlander."

Op 28 juni en 29 juni 2010 worden als getuigen gehoord [getuige 3], [getuige 4], [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 5]. Aan hen worden eveneens de camerabeelden getoond met de vraag of zij de vrouwelijke personen op de afbeeldingen herkennen. Allen verklaren de vrouwen op de camerabeelden niet te (her)kennen. Op 29 juni 2010 laat [getuige 5] via een MSN-gesprek aan [medeverdachte] weten: "Ik moest door jouw shit ook naar de politie man." [getuige 5] geeft aan dat haar een foto is getoond met de vraag wie er hierop te zien zijn. [getuige 5] laat aan [medeverdachte] weten bij de politie te hebben gezegd de vrouwen op de foto niet te kennen. [medeverdachte] vertelt hierop: "[getuige 5], als je zegt dat je van niks weet, dan kunnen ze ons niks maken. Geen bewijs, alleen maar foto's." [getuige 5] laat nog weten: "Maar [verdachte] zie je wel op die foto man."

Uit (internet)onderzoek blijkt dat verdachte op de website [website] onder de naam "[naam]" bekend is. De foto's van verdachte op deze site zijn voorzien van (bijvoorbeeld) het bijschrift "[tekst]" Op haar onderarm heeft verdachte een tatoeage met de tekst "[tekst]".

Op 5 juli 2010 wordt verdachte ter zake van hetgeen haar onder 1 en 2 ten laste is gelegd aangehouden. Ze wordt diverse malen gehoord, waarbij zij zich voornamelijk beroept op haar zwijgrecht. Op 7 juli 2010 wordt medeverdachte [medeverdachte] ter zake van voornoemde feiten aangehouden. Zij wordt meermalen als verdachte gehoord, en ook zij beroept zich gedurende deze verhoren voornamelijk op haar zwijgrecht.

Op 5 en 7 juli 2010 worden de verblijfplaatsen van zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] doorzocht. Er worden enkele goederen in beslag genomen, waaronder gele muiltjes die in een plastic tas onder het bed van [medeverdachte] worden aangetroffen. Uit forensisch onderzoek blijkt dat op deze schoenen zichtbaar bloed aanwezig was, wat tevens positief is getest met een tetra-base test, een bloed indicatief middel. Voorts blijkt dat het hieruit verkregen DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van aangeefster [slachtoffer].

Op 30 september 2010 wordt medeverdachte [medeverdachte] opnieuw gehoord. Tijdens dit verhoor worden [medeverdachte] delen van de ontkennende verklaring van verdachte voorgehouden. [medeverdachte] verklaart naar aanleiding hiervan dat hetgeen verdachte heeft verklaard niet klopt. Verdachte zou volgens [medeverdachte] de grootste rol hebben gespeeld in de overval. Voordat [medeverdachte] een nadere verklaring wil afleggen, wenst ze in contact te treden met haar advocaat. Op 1 oktober 2010, na overleg met haar advocaat te hebben gehad, legt medeverdachte [medeverdachte] een bekennende verklaring af. Zij verklaart dat ze samen met verdachte had afgesproken het huis van [slachtoffer] te overvallen. Verdachte kende namelijk een vrouw die geld zou hebben. Zij heeft [medeverdachte] het huis aangewezen waar [slachtoffer] woonde. Verdachte zou [medeverdachte] vervolgens de opdracht hebben gegeven bij het huis aan te bellen en vervolgens de bewoonster naar binnen te duwen. [medeverdachte] moest ervoor zorgen dat de vrouw stil zou blijven, terwijl verdachte ondertussen op zoek zou gaan naar het geld. [medeverdachte] heeft van te voren een mesje aangeschaft met als doel deze te gebruiken bij de overval op [slachtoffer]. Verdachte en [medeverdachte] hadden afgesproken dat, wat er ook zou gebeuren tijdens de overval, ze niet zouden stoppen. [medeverdachte] zou tijdens de overval hebben getracht [slachtoffer] naar de woonkamer te verslepen. Na afloop heeft [medeverdachte] een deel van het door verdachte weggenomen geld ontvangen. Ten overstaan van de rechter-commissaris blijft [medeverdachte] bij deze bij de politie afgelegde bekennende verklaring.

Op 30 september 2010 wordt ook getuige [getuige 4] opnieuw gehoord bij de politie. Tijdens dit verhoor verklaart [getuige 4] dat verdachte haar heeft verteld dat [medeverdachte] en verdachte samen de overval op de vrouw hebben gepleegd. Zij verklaart voorts dat verdachte en [medeverdachte] op de haar eerder getoonde camerabeelden zijn te zien.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, waarnaar in het voorgaande reeds grotendeels is verwezen, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] de overval op aangeefster [slachtoffer] heeft gepleegd. Zonodig zullen de bewijsmiddelen worden opgenomen in een bijlage bij dit arrest, zoals bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering. Het verweer van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep dat de bekennende en voor verdachte belastende verklaringen van [medeverdachte] - zo begrijpt het hof - als niet betrouwbaar moeten worden beschouwd, wordt door het hof gepasseerd. Deze verklaringen vinden immers op essentiële onderdelen steun in andere - hiervoor aangehaalde - bewijsmiddelen.

De raadsman heeft eveneens aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte en haar medeverdachte het opzet hadden op de dood van [slachtoffer], zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar onder 1 ten laste gelegde. De raadsman heeft in dit kader aangevoerd dat de hoofdwond van [slachtoffer] mogelijk uitsluitend is veroorzaakt door de val, in die zin dat aangeefster door de duw met haar hoofd tegen een deur, een kast of op een dorpel is gevallen, in plaats van dat zij - in de woorden van aangeefster - met een sabeltje op het hoofd is geslagen. De raadsman heeft aangegeven voor deze feitelijke gang van zaken steun te vinden in de verklaring van [medeverdachte] dat aangeefster met haar hoofd tegen de muur is gevallen en de op dit punt niet consistente verklaring van aangeefster [slachtoffer].

Zoals hierboven is uiteengezet gaat het hof uit van een andere feitelijke gang van zaken. Het hof acht op grond van de verklaring van [slachtoffer] en de aard van het toegebrachte letsel wettig en overtuigend bewezen dat medeverdachte [medeverdachte] aangeefster [slachtoffer] met een sabeltje op het hoofd heeft geslagen. Het hof acht - anders dan de raadsman - de verklaring van aangeefster [slachtoffer] op dit punt consistent en overtuigend. Het hof constateert dat [slachtoffer] al in haar eerste verklaring aangeeft dat zij direct na het opendoen van de voordeur eerst een klap of een steek tegen haar hoofd voelde, waarna zij aan de kant is geduwd en tegen de muur is beland. Ook in haar verklaringen afgelegd op 27 april 2010 en 6 mei 2010 verklaart zij op dit punt gelijkluidend aan haar eerste verklaring.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijke opzet op een bepaald gevolg - in casu de dood - aanwezig is indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijke opzet zal, indien de verklaringen van verdachte en/of eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.

Vast staat dat verdachte en haar medeverdachte een - naar zij wisten - hoogbejaarde vrouw, die slecht ter been was, met een sabeltje op het hoofd hebben geslagen en haar vervolgens in de hal met kracht omver hebben geduwd waardoor zij tegen de muur en op de grond is gevallen. Deze gedragingen van verdachte en haar medeverdachte kunnen naar het oordeel van het hof onder voornoemde omstandigheden naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte en haar medeverdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg hebben aanvaard. Contra-indicaties hiervoor heeft het hof niet aangetroffen. Gelet op vorenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijke opzet had op de dood van [slachtoffer].

Op grond van al het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het haar onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

zij op 26 april 2010 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen,

- met een sabeltje op het hoofd heeft geslagen en

- tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor die [slachtoffer] tegen een muur en op de grond is gevallen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd van enig strafbaar feit (zijnde feit 2), te weten diefstal met geweld in vereniging en afpersing in vereniging van sieraden en een geldbedrag en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

2.

zij op 26 april 2010 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen sieraden en een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

en

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van sieraden, toebehorende aan [slachtoffer],

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat zij, verdachte, en haar mededader

- met een sabeltje op het hoofd van die [slachtoffer] hebben geslagen en

- tegen het lichaam van die [slachtoffer] hebben geduwd, waardoor die [slachtoffer] tegen een muur en op de grond is gevallen en

- een sabeltje tegen de hals/kin hebben gebracht en

- tegen die [slachtoffer] heeft hebben gezegd: "Doe je ringen af" en "Afdoen".

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

Onder 1: Medeplegen van een poging tot doodslag gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

Onder 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

en

Medeplegen van afpersing.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Op 26 april 2010 heeft verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] de 93-jarige alleenstaande en alleenwonende [slachtoffer] overvallen in haar woning. Ze hebben [slachtoffer] mishandeld door haar met een sabeltje op het hoofd te slaan en haar met kracht omver te duwen, waardoor het slachtoffer is gevallen. Vervolgens heeft medeverdachte [medeverdachte] onder bedreiging met het sabeltje het slachtoffer haar ringen af laten doen en heeft verdachte ondertussen het huis doorzocht naar spullen van hun gading. Nadat verdachte en medeverdachte enkele sieraden en een geldbedrag hadden buitgemaakt, hebben zij het slachtoffer hevig bloedend aan haar hoofd achtergelaten in de woning. Verdachte en medeverdachte hebben slechts gehandeld uit hebzucht en hebben zich geen moment bekommerd om de gevolgen van hun handelen voor het slachtoffer. Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat zij degene is geweest die de sturende en bepalende kracht is geweest ten aanzien van de overval.

Verdachte en haar medeverachte hebben aldus de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig aangetast. Daarnaast hebben zij het algemene gevoel dat men zich in de eigen woning veilig en geborgen kan voelen ten aanzien van [slachtoffer] op grove wijze geschonden. Dergelijke gewelddadige feiten als de onderhavige schokken bovendien de rechtsorde en brengen gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij teweeg.

Voor het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit zijn voor wat betreft de straftoemeting geen oriëntatiepunten. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt de ernst van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten zonder meer de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de lange duur.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 11 april 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder openlijke geweldpleging, poging tot zware mishandeling en medeplegen van diefstal.

De deskundigen [deskundige 2], psychiater, en [deskundige 3], psycholoog, hebben respectievelijk d.d. 3 september 2010 en 1 september 2010 omtrent de persoon van verdachte Pro Justitia rapporten opgemaakt. Deze deskundigen hebben zich gelet op de weigerachtige houding van verdachte tijdens het onderzoek onthouden van een oordeel over de toerekeningsvatbaarheid. Het hof kan zodoende bij de strafoplegging geen rekening houden met eventuele verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Naar het oordeel van het hof doet de door de rechtbank aan verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier jaren geen recht aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de justitiële documentatie van verdachte is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de jeugdige leeftijd van verdachte geen mitigerende invloed op de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft. Alles afwegende zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van acht jaren, met aftrek van de periode die verdachte reeds heeft doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij,

[slachtoffer], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat haar vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd wegens materiële en immateriële schade als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte, te vermeerderen met de wettelijke rente, gerekend vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit. Als materiële schadeposten heeft de benadeelde partij kosten voor het verstrekken van medische gegeven van € 53,65 en kosten voor het vervangen van sloten van € 54,55 opgegeven. De immateriële schade wordt door de benadeelde partij gewaardeerd op € 1.100,-.

De vordering is van de zijde van verdachte niet weersproken. Nu de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, kan deze worden toegewezen tot een bedrag van € 1.208,20 vermeerderd met de wettelijke rente, gerekend vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, te weten 26 april 2010. Eén en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door een mededader geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Het hof zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 1 december 2009 is verdachte onder meer veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 16 december 2009. De proeftijd is eveneens ingegaan op 16 december 2009. De officier van justitie heeft d.d. 15 oktober 2010 gevorderd dat last tot tenuitvoerlegging zal worden gegeven aan voormelde voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan de haar ten laste gelegde feiten.

Nu gebleken is dat verdachte het bewezen verklaarde feit heeft begaan voor het einde van de gestelde proeftijd, zal het hof de tenuitvoerlegging gelasten van voormelde straf.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 36f, 47, 57, 288, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit gericht is tegen de vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde,

vernietigt het vonnis, waarvan beroep - en voor zover in hoger beroep van belang -, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van acht jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van duizend tweehonderdacht euro en twintig cent, vermeerderd met de wettelijke rente, gerekend vanaf het schadeveroorzakende feit;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van duizend tweehonderdacht euro en twintig cent, vermeerderd met de wettelijke rente, gerekend vanaf het schadeveroorzakende feit, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tweeëntwintig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

gelast de tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde bij vonnis van de meervoudige kamer te Zwolle-Lelystad van 1 december 2009 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

jeugddetentie voor de duur van vijf maanden.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier.