Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2826

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-03-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
791-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Artikel 591a SV

Verzoekster is voor de strafzaak vrijgesproken en heeft op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering verzocht om een toekenning van een vergoeding in de kosten van de raadsman en om toekenning van een vergoeding wegens tijdverzuim als gevolg van het bijwonen van de hoorzitting, beide in het kader van de aan de strafzaak voorafgaande procedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering.

Volgens vaste jurisprudentie komen kosten met betrekking tot de procedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering niet voor vergoeding op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking. Verzoekster wordt in zoverre niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

zitting houdende te Arnhem

Pknr: 21-001194-08

Avnr: 791-10

Het hof heeft gezien het op 28 juli 2010 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van:

[naam verzoekster],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats en adres],

domicilie kiezende te [adres raadsvrouw],

ten kantore van haar raadsvrouw,

hierna te noemen verzoekster,

ingediend door mr. [naam raadsvrouw], advocaat te Veenendaal, strekkende tot toekenning van een vergoeding ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering voor de schade die zij tengevolge van tijdsverzuim door het gerechtelijk vooronderzoek en de behandeling van de zaak ter terechtzitting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft geleden, en in de kosten van de raadsman, vermeerderd met de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 6 december 2010 de advocaat-generaal en namens verzoekster mr. [naam raadsvrouw] voornoemd. Verzoekster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Het hof heeft kennis genomen van de overige zich in het procesdossier bevindende stukken, waaronder de conclusie van de advocaat-generaal en de brief van 16 februari van mr. [naam raadsman], kantoorgenoot van mr [naam raadsvrouw], waarbij hij – met instemming van de advocaat-generaal – enige informatie van feitelijke aard verstrekt.

OVERWEGINGEN

1. Bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van het hof van 17 mei 2010 is verzoekster vrijgesproken van het haar tenlastegelegde. De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

2. Het verzoekschrift is tijdig ingediend en is in zoverre ontvankelijk.

3. De advocaat-generaal heeft volhard bij de eerdere schriftelijke conclusie, met dien verstande dat verzoekster niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor zover die betrekking hebben op de artikel 12 Strafvordering procedure, die voorafgegaan is aan de vervolging van verzoekster in de zaak onder bovenvermeld parketnummer.

4. De raadsvrouw heeft gepersisteerd bij het verzoek.

5. Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij tengevolge van tijdsverzuim door het gerechtelijk vooronderzoek en door de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, en in de kosten van de raadsman. Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

6. Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsvrouw in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof voorop dat de declaratie van de raadsvrouw niet meer is dan een uitgangspunt, dat door het hof wordt betrokken in zijn oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsvrouw en zo ja, tot welk bedrag. Deze maatstaf voor het beoordelen van het verzoek brengt met zich mee dat het hof geenszins gebonden is aan de door de raadsvrouw gedeclareerde tijd of het door hem gehanteerde uurtarief.

7. Mr [naam raadsman], advocaat te Veenendaal, heeft verzoekster bijgestaan in de procedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering en mr. [naam raadsvrouw] heeft haar bijgestaan in de daarop gevolgde strafzaak. Voor eerstgenoemde procedure heeft mr. [naam raadsman] op 28 mei 2010, derhalve na afloop van de strafzaak, ter zake van de kosten van rechtsbijstand een bedrag van € 3.298,96 aan verzoekster gedeclareerd. Mr. [naam raadsvrouw] heeft voor haar rechtsbijstand in de strafzaak een bedrag van € 7.653,68. aan verzoekster gedeclareerd. Het verzoek strekt tot vergoeding van beide bedragen.

8. Volgens vaste jurisprudentie komen kosten van rechtsbijstand die betrekking hebben op werkzaamheden in het kader van de procedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering niet voor vergoeding op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking. (Vgl. Hof Arnhem, 25 juni 2004, LJN AP4515 en Hof ’s-Hertogenbosch, 12 december 2006, LJN BA2766). Het verzoek zal in zoverre niet ontvankelijk worden verklaard.

9. Het hof heeft ten aanzien van de gevraagde vergoeding ter zake van de kosten voor rechtsbijstand in eerste aanleg en in hoger beroep in de strafzaak acht geslagen op de aard, de omvang en de complexiteit van de strafzaak. Het hof zal op gronden van billijkheid als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak toekennen een bedrag van € 7.653,68 (inclusief BTW).

10. Verzoekster vraagt voorts om toekenning van een vergoeding wegens tijdsverzuim als gevolg van het bijwonen van de hoorzitting op 15 mei 2007 in het kader van de procedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, het verschijnen voor het verhoor door de rechter-commissaris op 26 november 2007 en het bijwonen van de terechtzitting van de rechtbank op 5 maart 2008 en van het hof op 3 mei 2010. Zij verzoekt om toekenning van een -forfaitaire - compensatie van € 250,= per zitting respectievelijk verhoor.

11. De schade wegens tijdsverzuim als gevolg van het bijwonen van de hoorzitting in het kader van de procedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering komt niet voor vergoeding in aanmerking omdat deze niet is gemaakt in de strafzaak (Vgl. Hof Arnhem, 25 juni 2004, LJN AP4515). Het verzoek is in zoverre niet-ontvankelijk. Het tijdsverzuim als gevolg van het bijwonen van de

terechtzittingen en het verschijnen bij het verhoor door de rechter-commissaris is niet onderbouwd. Het hof kan daarom niet vaststellen of verzoekster werkelijk schade heeft geleden. Het verzoek zal in zoverre worden afgewezen.

12. Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding kan in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift worden toegewezen € 540,= (inclusief BTW).

BESCHIKKENDE

Het hof:

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk voor zover haar verzoek betreft de kosten van rechtsbijstand en de schade wegens tijdsverzuim ter zake van de procedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering;

- kent aan verzoekster toe op gronden als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 8.193,68 (zegge: achtduizend eenhonderd en drieënnegentig euro en achtenzestig cent) en gelast de tenuitvoerlegging daarvan;

- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

- beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op het bankrekeningnummer [naam advocatenkantoor].

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mr. E.A.K.G. Ruys, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Fuchs-van Dis, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 10 maart 2011.