Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2815

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
731-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Artikel 591a SV

Verzoeker en de 31 andere medeverdachten zijn in de strafrechtelijke en de bestuursrechtelijk procedure bijgestaan door drie advocaten. Deze advocaten hebben ter zake van rechtsbijstand

€ 141.025,92 (incl. BTW) in rekening gebracht aan een Coöperatieve vereniging.

Deze Coöperatieve vereniging heeft het bedrag doorberekend aan de besloten vennootschap van verzoeker en een medeverdachte.

Door het hof is geconstateerd op basis van de op verzoek van het hof nagezonden stukken dat door het advocatenkantoor aan noodzakelijke kosten van rechtsbijstand een lager bedrag aan verzoeker in rekening is gebracht dan in het inleidende verzoekschrift gesteld en ter zitting van het hof gesuggereerd. Het hof is op dit punt onjuist voorgelicht.

De kosten van rechtsbijstand voor de bestuursrechtelijke procedures zijn geen kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering en in zoverre niet toewijsbaar.

De kosten van rechtsbijstand in de strafzaak zijn door de besloten vennootschap van verzoeker betaald. Verzoeker heeft geen kosten gemaakt in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. Derhalve zijn er geen gronden aan verzoeker enige vergoeding toe te kennen.

Verzoeker heeft in het kader van de strafzaak aan een derde advocaat een second opinion gevraagd. De eerste declaratie is betaald door de besloten vennootschap van verzoeker. Ten aanzien van de twee andere declaraties heeft verzoeker het hof niet voorzien van informatie waaruit zou moeten blijken door wie die declaraties zijn betaald. Bij gebrek aan informatie daarover is het verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Economische raadkamer

Pkn: 21-002190-09

Avnr: 731-10

Het hof heeft gezien het op 16 juli 2010 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van:

[naam verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres verzoeker],

domicilie kiezende te [adres raadsman],

ten kantore van zijn raadsman,

hierna te noemen verzoeker,

ingediend door mr. [naam raadsman 1], advocaat te Tilburg strekkende tot toekenning van een vergoeding ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in de door verzoeker gemaakte kosten van de raadsman, vermeerderd met de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 27 januari 2011 de advocaat-generaal en verzoeker, bijgestaan door mr. [naam raadsman 1] voornoemd en mr. [naam raadsman 2], kantoorgenoot van mr. [naam raadsman 1].

Het hof heeft kennis genomen van de overige zich in het procesdossier bevindende stukken, waaronder de conclusie van de advocaat-generaal en de brief van 11 februari 2011 van mr. [naam raadsman 1], waarbij hij nog enige gegevens van feitelijke aard -met instemming van de advocaat-generaal- aan het hof heeft toegezonden.

OVERWEGINGEN

1. Verzoeker is samen met 31 anderen vervolgd wegens – kort samengevat – primair het tezamen en in vereniging met anderen of een ander opzettelijk op een bedrijf of op bedrijven houden van een groter aantal varkens dan op dat bedrijf rustende varkens recht en/of fokzeugenrecht, verminderd met het grondgebonden deel van het varkensrecht e/of fokzeugenrecht, en subsidiair wegens – kort samengevat – het opdracht geven tot het strafbare feit en/of het feitelijk leiding geven aan de verboden gedraging. De rechtbank te ’s-Hertogenbosch heeft verzoeker op 27 april 2007 veroordeeld. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft verzoeker in hoger beroep op 4 oktober 2006 vrijgesproken van het hem primair tenlastegelegde feit en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard met betrekking tot de aan verzoeker subsidiair tenlastegelegde overtreding. Het openbaar ministerie heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 12 mei 2009 het arrest van het hof te ’s-Hertogenbosch vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen. Bij onherroepelijk geworden arrest van het hof van 4 mei 2010 is verzoeker vrijgesproken van het hem primair en subsidiair tenlastegelegde. De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

.

2. Het verzoekschrift is tijdig ingediend en is in zoverre ontvankelijk.

3. Het inleidende verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding in de door verzoeker ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte kosten van de raadsman in de strafrechtelijke en in de door verzoeker gevoerde bestuursrechtelijke procedure, namelijk € 4.407,06 (exclusief BTW) wegens kosten van rechtsbijstand door [naam advocaten kantoor], zijnde 1/32 van de totale kosten van rechtsbijstand die aan hem en 31 medeverdachten is verleend, en € 1.669,17 (exclusief BTW) wegens kosten van rechtsbijstand door mr. [naam advocaat 3], advocaat te [plaatsnaam]. Verzoeker heeft met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand door [naam advocaten kantoor] geen declaratie overgelegd, maar alleen een urenspecificatie. Verder strekt het verzoekschrift tot toekenning van de forfaitaire vergoeding voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift.

4. Verzoeker en alle 33 de medeverdachten in de strafzaak hebben een bestuursrechtelijke procedure gevoerd ter zake de omvang van varkensrechten. Verzoeker en zijn medeverdachten hebben in 1998 en 2000 een melding gedaan bij het Bureau Heffing om in aanmerking te komen voor varkensrechten. Bureau Heffingen heeft in april 2002 bij wege van besluit aangegeven dat zij niet in aanmerking kwamen voor de toekenning van (extra) varkensrechten met toepassing van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (Bhv). Verzoeker heeft in juli 2002 tegen dit besluit bezwaar ingediend. In de zaak van verzoeker heeft Bureau Heffingen eerst op 25 maart 2005 een besluit genomen op dit bezwaarschrift. Verzoeker heeft tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB). Bij uitspraak van 13 april 2006 heeft het CBB overwogen dat verzoeker geen aanspraak had op varkensrechten en het beroep verworpen.

5. De advocaat-generaal heeft ter zitting geconcludeerd tot toekenning van de gevraagde vergoedingen tot een in redelijkheid te bepalen bedrag met uitzondering van de kosten die zijn gemaakt in het kader van de bezwaar- en beroepsprocedure bij de bestuursrechter.

6. De raadsman en verzoeker hebben gepersisteerd bij het verzoek.

7. Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend in de kosten van een raadsman.

Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

8. Verzoeker en de 31 andere medeverdachten zijn in de strafrechtelijke en de bestuursrechtelijk procedure bijgestaan door mr. [naam raadsman 1], mr. [naam raadsman 2] en mr. [naam raadsman 3], allen verbonden aan [naam advocatenkantoor]. Zij hebben ter zake van die rechtsbijstand € 141.025,92 (incl. BTW) aan de Coöperatieve vereniging [naam] in rekening gebracht. Deze coöperatie heeft dit bedrag voldaan en ter zake van die rechtsbijstand aan Landbouwonderneming [naam] B.V. in mei 2005 € 350,=, in juli 2006 € 350,=, in november 2009

€ 200,= en in augustus 2010 € 5.203,28 in rekening gebracht. Deze besloten vennootschap heeft deze kosten betaald. De vennootschap is het landbouwbedrijf van verzoeker en de eveneens vrijgesproken medeverdachte [naam medeverdachte], op wiens verzoek tot toekenning van een vergoeding in de kosten van de raadsman het hof heden bij separate beschikking zal beslissen.

9. Het hof constateert op basis van de op verzoek van het hof nagezonden stukken dat anders dan in het inleidende verzoekschrift wordt en ter zitting van het hof is gesuggereerd verzoeker en zijn gewezen medeverdachte [naam medeverdachte] door de bijstand [naam advocatenkantoor] niet elk € 4.407,06 (exclusief BTW), dus samen totaal € 8.814,12, aan noodzakelijke kosten van rechtsbijstand hebben gemaakt, maar dat aan de besloten vennootschap van hem en zijn gewezen medeverdachte [naam medeverdachte] € 6.103,28 in rekening is gebracht. Het hof is derhalve op dit punt onjuist voorgelicht.

10. Verder zijn de kosten van rechtsbijstand van [naam advocatenkantoor] voor de bestuursrechtelijke procedures geen kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. In zoverre is het verzoek niet voor toewijzing vatbaar.

11. De kosten van rechtsbijstand van [naam advocatenkantoor] in de strafzaak komen slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover deze daadwerkelijk ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen. De declaraties van de raadslieden zijn gericht aan Coöperatieve vereniging [naam] en door deze coöperatie betaald. Een deel van deze kosten is doorberekend aan de besloten vennootschap van verzoeker en door deze vennootschap betaald. Verzoeker heeft derhalve geen kosten van de raadman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering gemaakt. Het hof ziet daarom, alle omstandigheden in aanmerking genomen, geen gronden van billijkheid om aan verzoeker ter zake van de kosten van rechtsbijstand van [naam advocatenkantoor] enige vergoeding toe te kennen.

12. Verzoeker heeft in het kader van de strafzaak aan mr. [naam advocaat 3] een second opinion gevraagd. [naam advocaat 3] heeft aan verzoeker door middel van drie declaraties € 1.986,31 (incl. BTW) in rekening gebracht (€ 1.669,17 exclusief BTW). Verzoeker heeft deze declaraties overgelegd, echter niet de daarbij behorende specificaties. De declaratie van 18 oktober 2002 ad € 952,= is betaald door [naam] B.V.

13. De kosten van rechtsbijstand van mr. [naam advocaat 3] in de strafzaak komen slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover deze daadwerkelijk ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen. De declaraties zijn weliswaar gericht aan verzoeker, maar de eerste is betaald door [naam] B.V. Verzoeker heeft derhalve in zoverre geen kosten van de raadman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering gemaakt. Met betrekking tot de twee andere declaraties heeft verzoeker het hof niet voorzien van informatie door wie deze zijn betaald. In het licht van het feit dat de andere declaraties ter zake van de kosten van rechtsbijstand niet door verzoeker zijn betaald, ligt dat wel op zijn weg. Bij gebreke van deze informatie bestaat onvoldoende zekerheid dat die twee declaraties ten laste van verzoeker zijn gekomen. Het verzoek zal in zoverre worden afgewezen.

14. Het hof ziet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, geen gronden van billijkheid om aan verzoeker ter zake van de kosten van rechtsbijstand van [naam advocatenkantoor] en mr. [naam advocaat 3] enige vergoeding toe te kennen.

15. Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding kan in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift worden toegewezen € 540,= (inclusief BTW).

BESCHIKKENDE

Het hof:

- kent aan verzoeker toe op gronden als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 540,= (zegge: vijfhonderd en veertig euro) en gelast de tenuitvoerlegging daarvan;

- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op het bankrekeningnummer [van advocatenkantoor].

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mr. E.A.K.G. Ruys, voorzitter, in tegenwoordigheid van I. Kluiter, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 24 februari 2011.