Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2554

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
26-04-2011
Zaaknummer
21-000014-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX8471, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BX8471
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor doodslag op een huisgenoot. Verdachte heeft enige tijd met het overleden slachtoffer in dezelfde woning verbleven. Hoewel het strafdossier geen bewijsmiddel bevat dat verdachte rechtstreeks aanwijst komt het hof, met de rechtbank, op grond van het samenstel van gebeurtenissen en feiten tot de conclusie dat verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht. De alternatieve lezing van verdachte is door zijn weigering om meer informatie te verstrekken niet verifieerbaar en ook in hoger beroep heeft verdachte zijn alternatieve lezing niet nader geadstrueerd met feiten en omstandigheden die het hof tot een ander oordeel brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-000014-11

Uitspraak d.d.: 26 april 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 28 december 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats]

thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 april 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr A.H.J. Raaijmakers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich niet kan verenigen met enkele gedeeltes van de motivering van de bewezenverklaring. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen, maar in hoge mate gebruik maken van door de rechtbank in het vonnis gebezigde overwegingen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Primair:

hij op enig moment in of omstreeks de periode van de 7 januari 2010 tot en met 15 januari 2010, althans op enig moment in of omstreeks de periode van 7 januari 2010 tot en met 11 februari 2010 te [pleegplaats], in elk geval in de gemeente [gemeente], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na (kort) tevoren genomen besluit, met een mes en/of een ander soortgelijk steekwapen en/of scherp voorwerp in het lichaam en/of een of meer lichaamsdelen van die [slachtoffer] heeft/hebben gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.

Subsidiair:

hij op enig moment in of omstreeks de periode van 7 januari 2010 tot en met 15 januari 2010, althans op enig moment in of omstreeks de periode van 7 januari 2010 tot en met 11 februari 2010 te [pleegplaats], in elk geval in de gemeente [gemeente], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk [slachtoffer] met een mes en/of een ander soortgelijk steekwapen en/of scherp voorwerp in het lichaam en/of een of meer lichaamsdelen heeft/hebben gestoken en/of gesneden tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De raadsvrouw heeft in hoger beroep, gelijk zij in eerste aanleg heeft gedaan, betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vervolging. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep betoogd dat er geen reden is om tot niet ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie over te gaan.

Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de aangevoerde niet-ontvankelijkheid over.

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

‘De gebrekkige vertalingen bij de politieverhoren

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging vanwege de ernstige tekortkomingen in de vertalingen van de tolk bij de politieverhoren van verdachte.

Verdachte is geboren en getogen in Polen en spreekt niet of nauwelijks Nederlands. Bij diens verhoren in hoedanigheid van verdachte is gebruik gemaakt van een door de politie ingeschakelde tolk. Tijdens de verhoren heeft verdachte met regelmaat bezwaar gemaakt tegen de gebrekkige en soms onjuiste vertaling door de tolk. De raadsvrouw heeft in haar pleidooi uitvoerig gewezen op de concrete fouten en tekortkomingen in de vertaling van de gestelde vragen en gegeven antwoorden door deze tolk. Op sommige momenten wordt daardoor de context van een bepaalde vraag of verklaring veranderd en wordt verdachte niet goed begrepen, hetgeen bij herhaling heeft geleid tot irritatie over en weer. Ten onrechte heeft de politie geen aandacht besteed aan de klachten van verdachte hierover en heeft zij niet gezorgd voor vervanging van de tolk. Dat is in strijd met de plicht van de overheid om er voor te zorgen dat een deskundige tolk wordt ingeschakeld bij het verhoor van een verdachte die de gebruikte taal niet machtig is. De bijstand van een tolk moet practical and effective zijn en anders is er sprake van strijd met het beginsel van fair trial van artikel 6 EVRM, zoals ook verwoord in het Rapport van de Commissie Kwaliteitseisen Tolken en Vertalers. Verdachte voelde zich door deze gang van zaken onder druk gezet zodat zijn verklaringen niet in vrijheid zijn afgelegd. Er is sprake van een ongeoorloofde psychische druk op verdachte, waardoor een zodanige inbreuk op beginselen van een goede procesorde is gemaakt en doelbewust en met grove veronachtzaming van diens belangen tekort is gedaan aan een eerlijke behandeling, dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid, aldus de raadsvrouw.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft dit verweer bestreden. Ook al zijn er fouten gemaakt door de tolk bij het verhoor van verdachte, deze fouten zijn inmiddels hersteld door de nieuwe vertaling. Verdachte is daarmee uiteindelijk niet in zijn belangen geschaad. Dat er sprake is geweest van een hierdoor veroorzaakte ontoelaatbare psychische druk tijdens de verhoren, is niet komen vast te staan.

De beoordeling door de rechtbank

Naar aanleiding van door de verdediging geopperde bezwaren tegen de gebrekkige vertaling door de tolk bij de politieverhoren, heeft de rechtbank ter zitting van 16 juni 2010, mede op basis van een proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2010 (pg 367), een nieuwe vertaling van de audiovisueel vastgelegde verhoren van verdachte gelast. Deze nieuwe vertalingen zijn toegevoegd aan het dossier. Bij deze vertaling is de nieuwe vertaler, [tolk], ook ingegaan op de wijze van vertaling door de 'politietolk', zoals vastgelegd op de dvd's. De nieuwe vertaler geeft aan dat de politietolk bij herhaling onjuist weergaf wat er over en weer werd gezegd en dat diens grammaticale kennis tekort schoot waardoor er verwarring ontstond over wat er was gezegd. En ook dat verdachte zich meermalen heeft beklaagd over de kwaliteit en accuratesse van de vertaling.

Met de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat het de verantwoordelijkheid van de vervolgende overheid is om te zorgen voor een adequate en accurate vertaling van hetgeen wordt gezegd en voorgehouden tijdens een verhoor. Deze plicht maakt onderdeel uit van de zorgplicht die voortvloeit uit artikel 6 EVRM; de overheid dient zorg te dragen voor de inrichting van een strafvervolging die voldoet aan de eisen van een fair trial. De politie heeft kennis genomen van de klachten van verdachte over de kwaliteit van de tolk, maar heeft daar vervolgens niets mee gedaan. Eerst na afloop van de politieverhoren is, in opdracht van de officier van justitie, een onderzoek ingesteld dienaangaande (het eerder vermelde proces-verbaal van 10 mei 2010). De rechtbank onderkent dat de vergissingen en onjuiste vertalingen door de tolk bij tijd en wijle bij verdachte gevoelens van onbehagen moeten hebben teweeg gebracht, omdat hij verder hierop geen invloed kon uitoefenen. De rechtbank betreurt dat niet in een eerder stadium de klachten van verdachte serieus zijn genomen en een onderzoek dienaangaande is ingesteld. Dat wil echter niet zeggen dat de politie doelbewust te werk is gegaan om de belangen van verdachte te schaden. De kritische opmerkingen van verdachte zijn immers wel in de processen-verbaal van verhoor opgenomen, zodat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de politie een en ander had willen verdoezelen.’

Het hof voegt daaraan toe dat dit niet anders wordt door de opvatting van de verdediging, dat door verder te gaan op de ingeslagen weg sprake is geweest van doelbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van verdachte.

‘Er is ook geen sprake van een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, mede gelet op het feit dat de verhoren wel audiovisueel zijn opgenomen zodat transparantie was gewaarborgd en reconstructie en verbetering achteraf mogelijk waren. Het geconstateerde verzuim is inmiddels hersteld door de nieuwe vertaling van de politieverhoren, zodat verdachte niet in zijn belangen is geschaad. Dit geldt temeer, nu verdachte bij de feitelijke ondervraging tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 14 december 2010 veelvuldig heeft verwezen naar zijn bij de politie afgelegde verklaringen en gezegd heeft daarbij te willen blijven. Bovendien is door de verdediging niet gesteld dat de weergave van de door verdachte afgelegde verklaringen (in de nieuwe vertaling) niet de werkelijk afgelegde verklaringen weerspiegelen. Gelet op het voorgaande is er daarom geen reden aan dit verzuim het vérgaande gevolg van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te verbinden. Het verweer wordt verworpen.’

In hoger beroep heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte tijdens de verhoren bij de politie onder grote druk kwam te staan, hetgeen nog werd versterkt doordat tijdens verhoren werd geweigerd een advocaat te raadplegen. Ook dit kan volgens de raadsvrouw worden beschouwd als een grove veronachtzaming van zijn belangen.

Het hof overweegt daarover dat het niet op ieder moment van het verhoor toelaten van een advocaat, geen ontoelaatbare druk oplevert waardoor sprake is van een grove veronachtzaming van verdachtes belangen. Het weigeren van een advocaat moet naar het oordeel van het hof niet in die malicieuze context worden gezien als de raadsvrouw heeft betoogd. Ook dat onderdeel van het verweer wordt verworpen.

Bewijsuitsluiting

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verklaringen die verdachte zowel als verdachte als ook als getuige heeft afgelegd moeten worden uitgesloten van het bewijs. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van dit verweer over.

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

‘De gebrekkige vertalingen bij de politieverhoren

Van de zijde van de verdediging is betoogd dat de verklaringen die verdachte als verdachte heeft afgelegd bij de politie, moeten worden uitgesloten van de bewijsvoering om redenen als hiervoor vermeld bij de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (de gebrekkige vertaling door de tolk). Om dezelfde redenen als op die plaats uiteengezet, wordt dit verweer verworpen. Niet gezegd kan worden dat verdachte door de gebrekkige vertaling anders heeft verklaard dan hij zou hebben gedaan als de vertaling accuraat en juist was geweest. Integendeel, zoals hiervoor overwogen verwijst verdachte juist naar de desbetreffende verklaringen en blijft hij daar ook bij.

Omzeiling van processuele waarborgen

Standpunt van de verdediging

Daarnaast heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd. Verdachte is aanvankelijk, na zijn melding van de vondst van de overleden [slachtoffer], gehoord als getuige. Bij de verhoren op 12 en 13 februari 2010 (pg 404 en pg 438) is dat ook gezegd, maar is hem tevens verteld dat hij niet tot antwoorden verplicht was. De raadsvrouw neemt de stelling in dat verdachte daarmee feitelijk werd aangemerkt als verdachte, nu ingevolge artikel 29 Wetboek van Strafvordering alleen de verdachte wordt gewezen op dit zwijgrecht. Tegelijkertijd zijn hem echter allerlei rechten en waarborgen onthouden die de wet aan die positie verbindt. Immers, door de suggestie te wekken dat hij werd gehoord als getuige, werd het aan verdachte toekomende zwijgrecht illusoir gemaakt, nu van een getuige een actieve deelname aan het verhoor wordt verlangd en een getuige verplicht is de waarheid te vertellen, in tegenstelling tot een verdachte die zich op het zwijgrecht mag beroepen. Ook is verdachte op die wijze het recht op bijstand door en consultatie van een advocaat onthouden. Gevolg is dat beide getuigenverklaringen van de bewijsvoering moeten worden uitgesloten.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft dit verweer bestreden. Er is niets op tegen om tegen een getuige te zeggen dat hij niet tot antwoorden verplicht is en dat hij zichzelf niet hoeft te belasten. Er is een parallel met HR 9 november 2010, NJ 2010, 615, LJN BN7727, waarin de Hoge Raad heeft beslist dat de Salduz-waarborgen niet - zonder meer - gelden bij een verdachte die niet is aangehouden en die zich dus aan een verhoorsituatie kan onttrekken.

Beoordeling door de rechtbank

Op 11 februari 2010 heeft verdachte, toen hij naar eigen zeggen na een afwezigheid van enkele weken terug kwam, in de woning het lijk van [slachtoffer] aangetroffen. Hij heeft dit gemeld bij de politie waarop deze een onderzoek is gestart. Aansluitend daarop is verdachte dezelfde dag als getuige gehoord (pg 387). Op 12 februari 2010 (pg 404) en op 13 februari 2010 (pg 438) is hij nogmaals gehoord, steeds als getuige. Bij de twee laatstgenoemde verhoren is hem medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht. Naar het oordeel van de rechtbank was deze mededeling niet onoirbaar of onjuist. Gezien de zojuist geschetste omstandigheden, was het op dat moment niet ondenkbaar dat op enig moment in de toekomst een nader onderzoek zou kunnen worden ingesteld naar de mogelijke betrokkenheid van de kamergenoot van een door een misdrijf om het leven gekomen slachtoffer, zodat verdachte uit voorzorg op zijn zwijgrecht is gewezen. Dat wil niet zeggen dat jegens verdachte op dat moment ook al een op feiten en omstandigheden berustende verdenking bestond.

Eerst na de genoemde verhoren is jegens verdachte een verdenking ontstaan van betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer]. Zijn als getuige afgelegde verklaring dat hij de weken daarvoor niet in [pleegplaats] en omgeving was geweest, bleek niet te rijmen met gegevens over zijn telefoonverkeer en met andere verkregen informatie (sporen van bewoning in de periode dat het slachtoffer al overleden was, het aantreffen van recente, geopende brieven en verpakkingsmateriaal van recentelijk gekochte levensmiddelen), zoals nader weergegeven in het stamproces-verbaal. Met de constatering dat verdachte ten tijde van de eerste verhoren nog niet was aangemerkt als verdachte, komt de feitelijke grondslag aan het verweer te ontvallen. Overigens merkt de rechtbank op dat de positie van een getuige bij een politieverhoor anders is dan bij een rechter-commissaris of rechter ter terechtzitting. Immers, van een getuige bij een politieverhoor wordt -uiteraard- verwacht dat deze de waarheid spreekt, doch deze staat niet onder ede. Om die reden wordt een getuige in een dergelijk verhoor ook niet op het verschoningsrecht gewezen. In die zin maakt het voor de inhoud van de verklaring van verdachte op zichzelf niet uit in welke hoedanigheid hij is gehoord. Gelet op het voorgaande wordt het verweer verworpen.’

Het hof voegt daaraan toe dat noch de omstandigheden waaronder het verhoor heeft plaatsgevonden, noch het feit dat verdachte volgens de deskundigen van het Pieter Baan Centrum lijdt aan het syndroom van Asperger, eraan in de weg hebben gestaan dat verdachte zijn verklaring in vrijheid heeft kunnen afleggen.

Ten aanzien van het door de raadsvrouw gedane beroep op het arrest Saunders/UK (EHRM 17 december 1996, NJ 1997, 699) overweegt het hof dat niet aannemelijk is geworden dat door de politie een wisseling van procespositie is nagestreefd, met als doel een verklaring van verdachte te verkrijgen die niet in vrijheid is afgelegd. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het verweer dient te worden verworpen.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging

Het hof neemt de promis-bewijsmotivering van de rechtbank over en maakt die – na verbetering – tot de zijne. Waar de rechtbank in de voetnoten spreekt van: ‘proces-verbaal van verhoor verdachte, in samenhang met de nieuwe vertaling daarvan’, zal het hof de nieuwe vertalingen voor het bewijs bezigen.

De rechtbank heeft ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

‘De bewijsvoering. 1

De vaststaande feiten

Op basis van de na te noemen bewijsmiddelen kunnen de volgende feiten, die ook niet ter discussie hebben gestaan, worden vastgesteld.

- Verdachte en [slachtoffer] zijn in januari 2008 vanuit Polen naar Nederland gekomen om hier te werken. Zij bewoonden laatstelijk een woning in [pleegplaats].2

- De telefoon die verdachte gebruikt, heeft het nummer [telefoonnummer].3

- Op 9 januari 2010 omstreeks 06.00 uur heeft [slachtoffer] zijn nachtdienst beëindigd en is hij naar huis gegaan.4

- Op 11 februari 2010 heeft verdachte, tezamen met zijn voormalige werkgever [werkgever], bij de politie gemeld dat [slachtoffer] dood in hun woning lag.5

- Bij de sectie van het lichaam van [slachtoffer] op 13 februari 2010 is het volgende vastgesteld6:

- een scherprandig huiddefect op de borstkas, 5½ cm van de middellijn en aansluitend daarop een steekkanaal door de 6e en 7e rib links, door het hartzakje, de linker hartkamer, door het middenrif en door de leveroppervlak. Dit steekkanaal loopt van boven naar beneden en heeft een lengte van ca 11 cm.

- twee scherprandige huiddefecten aan de buitenzijde van de linkeronderarm, beide met elkaar 'verbonden' door een steekkanaal van ca 7 cm.

- de - bij leven toegebrachte - letsels in de borstkas en het opgetreden bloedverlies kunnen het overlijden zonder meer verklaren.

- theoretisch/anatomisch is het mogelijk de steekverwondingen in de linkerarm en de borstkas in één verlengd steekkanaal te passen, dat wil zeggen dat beide verwondingen in één beweging zijn toegebracht. Dat dit is gebeurd door het slachtoffer zelf in het kader van zelfmoord, wordt echter als uitermate onwaarschijnlijk gezien.

- Het lichaam vertoonde tekenen van gevorderde ontbinding, die kunnen passen bij een postmortale periode van één tot meerdere weken.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde (doodslag). Hoewel er geen rechtstreeks bewijs is voor het daderschap van verdachte, wijzen alle vastgestelde feiten en omstandigheden in zijn richting. Verdachte heeft aanvankelijk leugenachtige verklaringen afgelegd over zijn afwezigheid in de maand januari en begin februari 2010 en hij heeft wekenlang het overlijden van [slachtoffer] geheim gehouden, er waren financiële problemen en [slachtoffer] dreigde verdachte de woning uit te zetten. De verklaring die verdachte hiervoor geeft, is ongeloofwaardig en verdachte weigert om meer inzicht te verschaffen in wat er wel is gebeurd. Voor de primair tenlastegelegde voorbedachte raad (moord) is onvoldoende bewijs.

In hoger beroep heeft de advocaat-generaal eveneens geconcludeerd tot vrijspraak van het primair telastegelegde (moord) en bewezenverklaring van het subsidiair telastegelegde (doodslag).

Het standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer] heeft gedood. Hij voelt zich weliswaar op enigerlei wijze betrokken bij diens overlijden, omdat hij bekend was met de doodswens van [slachtoffer] en hij hem in contact heeft gebracht met iemand die zijn dood moet hebben teweeggebracht, maar dat is meer een morele betrokkenheid en niet een strafbare betrokkenheid. De raadsvrouw heeft betoogd dat er geen bewijs voorhanden is dat verdachte rechtstreeks op strafrechtelijk relevante wijze in verband brengt met het overlijden. Het overlijden van [slachtoffer] is, op diens eigen verzoek, veroorzaakt door een derde, die verdachte wel kent, maar waarover hij niet nader wil verklaren. Dat is echter gebeurd zonder enige feitelijke bemoeienis van verdachte. Ook ontbreekt ieder bewijs voor het opzet op het veroorzaken van de dood van [slachtoffer]. Voor voorbedachte raad is al helemaal geen bewijs.

De beoordeling door de rechtbank

Hoewel het strafdossier geen bewijsmiddel bevat dat verdachte rechtstreeks aanwijst als degene die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte hieraan wel schuldig is. De rechtbank grondt deze overtuiging op het samenstel van gebeurtenissen en feiten (… ) zoals hierna uit de doeken wordt gedaan.

Aanvankelijk heeft verdachte, toen hij na de ontdekking van het lijk van [slachtoffer] als getuige werd gehoord, verklaard dat hij begin januari 2010 uit [pleegplaats] is vertrokken om elders, onder meer in Lelystad, te gaan werken. Hij had € 4.500 bij [slachtoffer] achtergelaten voor de huur en voor de aankoop van een filmcamera. Nadat het werk in Lelystad was afgelopen, is hij naar Amsterdam, Rotterdam, Hoek van Holland en Luik geweest. In die periode heeft hij wel contact gehad met de verhuurders in verband met de achterstand in huurbetaling, maar hij ging er van uit dat [slachtoffer] dat zou regelen.7

Vervolgens heeft de politie een onderzoek ingesteld naar deze verklaring. Daarbij is onder meer het volgende naar voren gekomen:

- Analyse van het telefoonverkeer dat heeft plaats gevonden met de telefoon van verdachte, wijst uit dat deze telefoon in de periode van 9 januari 2010 tot en met 11 februari 2010 een aantal keren actief is geweest en daarbij telkens, op één keer na, de zendmast aan de [adres] te [pleegplaats] aanstraalt. Op 15 januari 2010 om 17:50 uur wordt een zendmast in [plaats] ([straat 2]) aangestraald. Gebeld wordt met het telefoonnummer van de moeder van verdachte.8

- Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte en het slachtoffer, is een kwitantie aangetroffen van de MediaMarkt, Velperplein 13 te Arnhem, betreffende de aankoop van een computerspel op 15 januari 2010 te 17.42.9 Uit de computergegevens van verdachte is op te maken dat dit spel diezelfde dag is geïnstalleerd op de computer die zich in de woning in [pleegplaats] bevond en dat dit spel sinds die dag ook diverse malen is gespeeld.10

- Tijdens de doorzoeking van de woning zijn in de vuilnisbak aangetroffen een verpakking van etenswaren van de Spar d.d. 28 januari 2010 en een aan verdachte gerichte, geopende brief van Intrum Justitia d.d. 29 januari 2010.11

- [getuige 1], een voormalige collega van verdachte, heeft hem op 9 januari 2010 gezien terwijl verdachte boodschappen deed bij de Spar in [pleegplaats].12

Wanneer verdachte in zijn verhoor van 4 maart 2010 om 10.23 uur wordt geconfronteerd met deze gegevens, verklaart hij dat hij in zekere zin wel betrokken is bij het overlijden van [slachtoffer], maar dat hij op dat punt verder geen verklaring kan afleggen13 en in het verhoor om 14.49 uur diezelfde dag erkent verdachte dat hij al die tijd, terwijl [slachtoffer] dood op zijn kamer lag, in de woning was om te rouwen over het overlijden van [slachtoffer]. Dat deed hij door dingen te doen die [slachtoffer] zou hebben gedaan of zou willen doen.14

(…)

[getuige 2], een collega van [slachtoffer], heeft verklaard dat hij op 10 januari 2010 een sms-bericht ontving van de telefoon met nummer [telefoonnummer], waarin [slachtoffer] aangaf dat hij ziek was en niet zou komen werken.15 [getuige 3], voorman bij [bedrijf], heeft verklaard dat hij op 11 januari 2010 werd gebeld door verdachte vanaf het nummer [telefoonnummer] met de mededeling dat [slachtoffer] ziek was en volgens de dokter ten minste tot 14 januari 2010 in bed zou moeten blijven.16 Blijkens de telecomanalyse bevond de telefoon van verdachte zich ten tijde van het gesprek met [getuige 3] in de buurt van de zendmast aan de [adres] te [pleegplaats].17

(…)

Het verhaal van verdachte

Verdachte zegt in zijn jeugd een bepaalde code te hebben ontwikkeld, een samenstel van regels, waaraan hij zich gebonden voelt. Wat die code inhoudt, wil hij verder niet verklaren. Naar aanleiding van enkele opmerkingen die hij tijdens de politieverhoren heeft opgeschreven over Sophocles' tragedie Antigoné 18, heeft verdachte ter zitting wel verklaard dat het sofistische idee over het conflict tussen natuurrecht en menselijke wetten verband houdt met zijn code; ook voor verdachte prevaleren "universele waarheden" boven de maatschappelijke regels en afspraken. Uit die code vloeit voort dat hij geen openheid van zaken kan geven over wat er gebeurd is met [slachtoffer]. Hij is weliswaar betrokken bij het overlijden van [slachtoffer], maar hij heeft hem niet gedood. De dood is voor verdachte als een poort naar iets anders en zijn esoterische belangstelling gaat uit naar hetgeen er na de dood gebeurt met de ziel en het verstand; het lichaam is niet interessant in dit verband.19 Verdachte ziet zichzelf als een "vrije geest", die geen menselijke wetten erkent en geen autoriteit accepteert.20

Verdachte raadpleegde regelmatig tarotkaarten. Deze kaarten lieten hem zien dat [slachtoffer] in gevaar was, dat een gevaar loerde dat te maken had met de dood. Hij heeft daarop met [slachtoffer] gesproken en [slachtoffer] heeft toen gezegd dat hij wilde sterven.21 Omdat verdachte weigerde [slachtoffer] daarbij behulpzaam te zijn, heeft hij hem in contact gebracht met een vrouw die hij in Polen had ontmoet. Hij heeft beiden aan elkaar voorgesteld zodat [slachtoffer] zich een oordeel kon vormen of zij de juiste persoon was om zijn wens te vervullen en heeft zich daarna uit de affaire teruggetrokken. Deze vrouw heeft uiteindelijk [slachtoffer] wens vervuld. Op het moment dat dat gebeurde, was verdachte niet in de woning. Toen hij terug kwam in de woning, zag hij [slachtoffer] lichaam liggen.22 Hij is bij het lichaam blijven waken om hem naar de andere poort te begeleiden. Verdachte weigert ten enenmale opheldering te verschaffen over deze vrouw, en de concrete omstandigheden van het overlijden van [slachtoffer]; zijn code verbiedt hem dat, zo verklaarde hij ter zitting.

Over het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] nog in leven was toen hij, verdachte, op 10 januari 2010 een sms-bericht naar [getuige 3] heeft verstuurd om [slachtoffer] ziek te melden. Op 15 januari 2010, toen verdachte naar de MediaMarkt in Arnhem is gegaan om een computerspel te kopen, was [slachtoffer] dood.’23

Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte bevestigd dat [slachtoffer] op 10 januari 2010 nog leefde en enkele dagen erna is overleden.24

‘Beoordeling van verdachtes verhaal

Naar eigen zeggen heeft verdachte het overlijden van [slachtoffer] niet meteen bij de politie gemeld omdat het de wens van [slachtoffer] zou zijn om zijn overlijden zo lang mogelijk geheim te houden.25 Waarom [slachtoffer] een dergelijk, minst genomen merkwaardig verzoek zou hebben gedaan, weigert verdachte uit te leggen. Opmerkelijk is dat verdachte eerst op het moment dat ontdekking van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] onvermijdelijk lijkt (namelijk wanneer de verhuurder aankondigt dat hij verdachte met behulp van de deurwaarder en de politie uit de woning zal zetten wanneer niet meteen de achterstallige huur wordt betaald) naar de politie gaat om het overlijden te melden.

Vast staat dat verdachte aanvankelijk een onjuiste (…) verklaring heeft afgelegd over zijn verblijf medio januari tot 10 februari 2010; hij verklaarde dat hij elders in het land verbleef, terwijl hij al die tijd in zijn woning was in [pleegplaats], de woning waar ook het stoffelijk overschot van [slachtoffer] lag en bezig was te ontbinden (…).

Het evenzeer merkwaardig te noemen verhaal over een doodswens van [slachtoffer] en hoe die wens zou zijn vervuld door een onbekend gebleven vrouw, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier. Dat [slachtoffer] een doodswens zou hebben, wordt tegengesproken door enkele feiten:

- [slachtoffer] was doende nieuwe medehuurders te vinden voor het appartement nadat hij verdachte wegens wanbetaling eruit zou hebben gezet.

- [slachtoffer] was bezig om de overgang naar een nieuw uitzendbureau te regelen nadat het oude uitzendbureau failliet was gegaan. [werkgever] heeft verklaard dat het uitzendbureau [uitzendbureau] waarvoor [slachtoffer] werkzaam was, per 1 januari 2010 was overgenomen door uitzendbureau [uitzendbureau 2] en dat [slachtoffer] op 8 januari 2010 zou laten weten of hij voor [uitzendbureau 2] zou gaan werken.26

- Niemand uit [slachtoffer] omgeving (niet zijn moeder, niet zijn vriendin, niet zijn collega's) was bekend met een doodswens of met een depressie of zelfs gevoelens van onbehagen bij [slachtoffer].

Verdachte is de enige die - op volstrekt onverifieerbare wijze - hiervan gewag maakt.

(…)

De hiervoor gereleveerde feiten wijzen alle in de richting van verdachte als degene die [slachtoffer] heeft gedood. Zijn weigering om meer informatie te verstrekken over de onbekende vrouw die volgens hem [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, maakt die alternatieve lezing niet verifieerbaar. Geconfronteerd met indringende vragen over de achtergrond van een en ander, meent verdachte te kunnen volstaan met een verwijzing naar een "code" van door hemzelf samengestelde regels waaraan hij zich gebonden acht, een code die hem zou verbieden de broodnodige opheldering te verschaffen. Aldus maakt verdachte het zelf onmogelijk het bestaande, voor hemzelf zeer belastende bewijsmateriaal, op een andere wijze te interpreteren.’

Het hof merkt daarbij ten slotte op dat verdachte ook ter zitting in hoger beroep - na herhaaldelijk daarnaar gevraagd - zijn alternatieve lezing niet nader heeft geadstrueerd met feiten en omstandigheden die het hof tot een ander oordeel brengen.

Bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, brengen het hof tot de conclusie dat verdachte [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het bewijs voor voorbedachten raad ontbreekt. Verdachte wordt derhalve vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op enig moment in of de periode van 7 januari 2010 tot en met 11 februari 2010 te [pleegplaats], opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] met een scherp voorwerp in het lichaam en/of een of meer lichaamsdelen heeft gestoken en/of gesneden tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof kan zich vinden in de motivering van de straf door de rechtbank en neemt de navolgende overweging met betrekking tot de straf daarom over.

De rechtbank heeft ten aanzien van de strafoplegging het volgende overwogen:

‘Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

* de justitiële documentatie, d.d. 12 november 2010, betreffende verdachte;

* een pro justitia rapportage d.d. 7 mei 2010 van de psychiater A.E. Grochowska;

* een pro justitia rapportage d.d. 25 mei 2010 van de forensisch psycholoog P.E. Geurkink;

* een pro justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum, d.d. 9 december 2010.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende. Verdachte heeft zijn huisgenoot van het leven beroofd. Levensdelicten behoren tot de meest ernstige feiten die strafbaar zijn gesteld. Verdachte heeft daarmee ontegenzeggelijk zeer groot leed toegebracht aan de nabestaanden. Dit leed wordt eens te meer verergerd doordat verdachte weigert opening van zaken te geven en de schuld afschuift op een onbekende persoon, die het slachtoffer op eigen verzoek zou hebben omgebracht. De nabestaanden blijven hierdoor voor eeuwig in het ongewisse over de achtergronden van dit alles en vooral over de vraag: waarom.

Uit het omtrent verdachte opgemaakte rapport van het Pieter Baan Centrum blijkt dat verdachte is gediagnosticeerd als iemand met een autismespectrum stoornis, meer in het bijzonder met het syndroom van Asperger. Er is een opvallende rigiditeit in het denken en er zijn kwalitatieve beperkingen in de sociale interactie en communicatie. Zijn beperkt inlevingsvermogen gaat gepaard met bizarre en occulte preoccupaties. Door deze stoornis kunnen in tijden van stress tijdelijk (rand)psychotische belevingen ontstaan die een beperking in de realiteitstoetsing teweegbrengen (de regelmatige voorkomende automutilatie kan hiervoor een aanwijzing opleveren). Echter, zonder wetenschap over de feitelijke toedracht van het overlijden van het slachtoffer en de mate van betrokkenheid van verdachte hierbij, kunnen de gedragsdeskundigen geen advies geven over de eventuele doorwerking van de autismestoornis in het handelen en daarmee over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte, gerelateerd aan het tenlastegelegde delict.

In verband hiermee, moet de rechtbank uitgaan van volledige toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een gevangenisstraf als hierna te melden.’

Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf een juiste en passende straf is. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal aan verdachte daarom dezelfde straf worden opgelegd als door de rechtbank werd opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Bepaalt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, en/of artikel 27a Sr bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering va n de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr C. Caminada, voorzitter,

mr M. Otte en mr T.M.L. Wolters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr I.I.D. Leene, griffier,

en op 26 april 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 De na te noemen bewijsmiddelen zijn te vinden in het strafdossier nr 2010014729 van de Regiopolitie Gelderland-Zuid (onderzoek Tang), bestaande uit 1) een relaas proces-verbaal d.d. 22 juni 2010, op ambtseed opgemaakt door brigadier P.G.J. Heijstee alsmede de bijgevoegde telkens in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, waarbij telkens verwezen wordt naar pagina's van het doorgenummerde dossier en 2) een aanvullend proces-verbaal met gelijk nummer, d.d. 13 september 2010 alsmede de daarbij gevoegde telkens in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften.

Wanneer verwezen wordt naar de verklaringen die verdachte ten overstaan van de politie heeft afgelegd, wordt geput uit de nieuwe, in opdracht van de rechtbank vervaardigde vertaling van de verdachtenverhoren door [tolk], welke geschriften worden gehanteerd in samenhang met de desbetreffende processen-verbaal van verhoor van verdachte.

2 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 4], pg 585; proces-verbaal van verhoor van [getuige 5], pg 605.

3 Proces-verbaal van getuigenverhoor van verdachte, pg. 405.

4 Processen-verbaal van verhoor van [getuige 6], pg 516 en van [getuige 2], pg 521.

5 Proces-verbaal van bevindingen, pg 375; proces-verbaal van getuigenverhoor van verdachte, pg 414.

6 NFI-rapport van de patholoog-anatoom d.d. 19 april 2010, pg 1043.

7 Processen-verbaal van getuigenverhoor van verdachte, pg 415-421; pg 439-441.

8 Analyserapport, pg 779-780.

9 Proces-verbaal van doorzoeking, pg 854-856 en analyserapport, pg 780.

10 Proces-verbaal digitaal onderzoek, pg 1069.

11 Proces-verbaal bevindingen, pg 470; proces-verbaal onderzoek woning, pg 882 (svo 212 betreft keukenafvalzak) en proces-verbaal pg 985 (svo 212a en svo 212b).

12 Proces-verbaal verhoor [getuige 1], pg 501.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pg 242 in samenhang met de nieuwe vertaling daarvan.

14 Proces-verbaal van bevindingen, pg 256 in samenhang met de nieuwe vertaling van het verhoor.

15 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], pg 520.

16 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 3], pg 505.

17 Analyserapport, pg 772.

18 Bijlage bij proces-verbaal van verhoor van verdachte, pg 253.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 4 maart 2010, 10.23 uur, (pg 242) in samenhang met de nieuwe vertaling daarvan (pg 13-16).

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 4 maart 2010, 10.23 uur, (pg 242) in samenhang met de nieuwe vertaling daarvan (pg 30).

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 4 maart 2010, 10.23 uur, (pg 242) in samenhang met de nieuwe vertaling daarvan (pg 21).

22 Verklaring verdachte ter zitting van 14 december 2010.

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 4 maart 2010, 14.49 uur (pg 256) in samenhang met de nieuwe vertaling daarvan (pg 14-15).

24 Verklaring verdachte ter zitting in hoger beroep van 12 april 2011.

25 Proces-verbaal van verhoor verdachte op 29 maart 2010, 18.13 uur (pg 306) in samenhang met de nieuwe vertaling daarvan (pg 10).

26 Proces-verbaal van verhoor van [werkgever], pg 454