Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2111

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
13-05-2011
Zaaknummer
200.003.564
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van LJN BJ7125 en BM3698.

Eindarrest na bewijslevering. Pachter diende omvang van het gepachte te bewijzen en slaagt daar gedeeltelijk in. Vernietiging en vastlegging van een pachtovereenkomst voor een gedeelte van het bij pachter in gebruik zijnde perceel. Door dit oordeel staat nu vast dat pachter gedeelten van het perceel onrechtmatig gebruikt. In beginsel levert het zonder gebruiksrecht gebruiken door de pachter van aan de verpachter toebehorende, niet-gepachte gronden, als inbreuk op een eigendomsrecht, een onrechtmatige daad op jegens de verpachter. In verband met de contractuele pachtrelatie levert het overschrijden van de grenzen van het gepachte tevens een schending op van de verplichtingen van de pachter jegens zijn verpachter. De pachtovereenkomst brengt immers naar zijn aard op de voet van artikel 6:248 lid 1 BW ook de verplichting mee zich te onthouden van onrechtmatige inbreuken op niet-gepachte aangrenzende eigendommen van de verpachter. In de bijzondere feiten en omstandigheden van dit geval ziet het hof echter aanleiding te oordelen dat het thans vastgestelde onrechtmatige gebruik door de pachter de ontbinding van de pachtovereenkomst niet rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2011/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.003.564

(zaaknummer rechtbank 216885)

arrest van de pachtkamer van 25 januari 2011

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heibloem B.V.,

gevestigd te Heiloo,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.M. Wilmink.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Voor het verloop tot 13 april 2010 verwijst het hof naar het tussenarrest van die datum. Naar aanleiding van dat arrest heeft Heibloem een akte uitlating genomen. [appellante] heeft vervolgens een akte uitlating producties genomen. Daarna hebben op 11 november 2010 de pleidooien plaatsgevonden overeenkomstig de pleitnotities.

1.2 Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof arrest op het griffiedossier bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 In het tussenarrest van 17 februari 2009 is Heibloem toegelaten tot het bewijs dat de pachtovereenkomst per 1 januari 1999 is gewijzigd en dat zij vanaf die datum - kort samengevat - het gehele perceel met opstallen, behoudens de woning, van [voormalig eigenaar] is gaan pachten en dat de pachtprijs per 1 januari 1999 is gewijzigd van fl. 2500 in fl. 7.000. Ter voldoening aan haar bewijsopdrachten heeft Heibloem stukken overgelegd en de getuigen [getuige A], [getuige B], [getuige C], [getuige D] en [statutair directeur] doen horen. In contra-enquête heeft [appellante] [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en zichzelf doen horen.

2.2 In het tussenarrest van 13 april 2010 heeft het hof al overwogen dat na de getuigenverhoren voldoende vast staat dat Heibloem vóór het overlijden van [voormalig eigenaar] op 31 juli 1999 in elk geval de kas en de achterste hoek naast de kas in gebruik had met toestemming van [voormalig eigenaar] Uit de getuigenverklaringen bleek voorts de bedoeling van [voormalig eigenaar] met zijn grond - namelijk dat [statutair directeur] het bedrijf/de kwekerij zou voortzetten - maar niet (voldoende) dat er tussen hem en Heibloem uiteindelijk een gewijzigd pachtcontract is gesloten. Eventueel bewijs voor het bestaan van een pachtovereenkomst voor het geheel zou volgens het hof ontleend kunnen worden aan het feitelijke gebruik van het perceel door Heibloem voor en na 1999, mede in samenhang met de overige feiten en omstandigheden. Omdat het taxatierapport van 13 september 1999 ter gelegenheid van de laatste door partijen genomen processtukken in het geding was gebracht en daarin kleurenfoto's zijn opgenomen die de stand van zaken in september 1999 toonden, is Heibloem eerst in de gelegenheid gesteld te reageren op de foto's in dat rapport en de naar aanleiding daarvan door [appellante] ingenomen standpunten onder randnummer 24 van haar conclusie na enquête, alvorens het hof het bewijs verder zou waarderen.

2.3 Heibloem heeft dat bij akte gedaan en tevens nieuwe producties in het geding gebracht waarop [appellante] heeft gereageerd. Daarna hebben partijen hun standpunten nogmaals bepleit. Thans gaat het hof over tot een waardering van al het bijgebrachte bewijs. Het hof zal het bewijs bespreken per onderdeel van het gestelde gepachte. Het hof merkt nu reeds op dat discrepanties tussen getuigenverklaringen van verschillende getuigen en tussen eerdere schriftelijke verklaringen en getuigenverklaringen van dezelfde getuigen op zich niet - op voorhand - de conclusie rechtvaardigen dat de (getuigen)verklaringen niet voor bewijs gebezigd zouden kunnen worden. Ten aanzien van de (wisselende) standpunten van Heibloem in eerste aanleg en in hoger beroep, geldt dat het hoger beroep mede dient voor het herstel van fouten in de eerste aanleg, in dit geval ook wat de stellingname ten aanzien van het gebruik van het perceel van [voormalig eigenaar] betreft. De andersluidende standpunten van [appellante] ter zake verwerpt het hof. Overigens heeft [appellante] gedurende de procedure ook wisselende standpunten ingenomen over wat Heibloem op welk moment (niet) in gebruik had.

Het grote stuk naast de kas

2.4 Zoals al overwogen, staat vast dat de achterste hoek van dit stuk bij Heibloem in gebruik was met toestemming van [voormalig eigenaar] De getuigen aan de zijde van Heibloem [statutair directeur], [getuige A], [getuige B] en [getuige C] verklaren allen dat het stuk in elk geval vanaf 1999 volledig in gebruik was bij Heibloem. Laatstgenoemde drie getuigen hebben dat ook aangeduid op een kopie van een luchtfoto die hen is voorgehouden. Van de schriftelijke verklaringen die Heibloem in eerste aanleg heeft overgelegd, acht het hof de schriftelijke verklaringen van [B] en [C] in dit kader mede relevant (verklaringen van respectievelijk 4 en 3 januari 2007 bij akte van 14 februari 2007). [B] heeft namelijk verklaard dat hij voor 1995 om niet grond van [voormalig eigenaar] gebruikte voor gras en schapen maar dat daaraan na 1995 een einde is gekomen. [voormalig eigenaar] kon de grond immers goed verhuren aan [statutair directeur] en [C]. [C] is toen prei gaan telen en [statutair directeur] lelies, aldus nog steeds [B]. [C] heeft schriftelijk verklaard dat hij in 1995 eenmalig grond van [voormalig eigenaar] heeft gehuurd en wel aan de achterzijde. [statutair directeur] huurde de grond aan weerszijden van de boerderij, aldus [C]. Volgens deze schriftelijke verklaringen gebruikten [B] en [C] na 1996 de grond aan de achterzijde, waarmee kennelijk bedoeld is de grond naast de grote kas, niet meer.

2.5 Verder bevat het taxatierapport op de fotobladen 2-4 foto's van het grote stuk naast de kas. Te zien is een grote hoeveelheid afgestorven, geel gewas en een buizenstelsel dat het hele stuk omvat. Achterin het stuk staan rechtop nog blokken rechtopstaand groen. Heibloem heeft in haar akte toegelicht dat het geelbruine gewas klein onkruid betreft dat aanwezig was op een gedeelte waarop al eerder dat jaar lelies waren geoogst en waar de grond tijdelijk braak lag. Achterin staan nog lelies. Het buizenstelsel betreft waterleidingbuizen die dienen voor de bewatering van lelies.

2.6 In de akte uitlating producties heeft [appellante] aangevoerd dat het braakliggend deel uitdrukkelijk niet in gebruik was bij Heibloem, zoals zij ook als getuige heeft verklaard. Zij heeft echter niet weersproken dat het buizenstelsel is aangelegd ten behoeve van de lelieteelt. De combinatie van kennelijk doodgespoten onkruid en het buizenstelsel wijzen er volgens hof op dat de betreffende grond in het teeltseizoen 1999 is bewerkt. Niet goed denkbaar is dat Heibloem eerst kort na het overlijden van [voormalig eigenaar] - in de zomer of het vroege najaar - alvast ten behoeve van het teeltseizoen 2000 een volledig buizenstelsel heeft aangelegd. Dat volgt ook niet uit enige verklaring. Meer voor de hand ligt dat het buizenstelsel is gelegd voorafgaand aan een teeltseizoen, te weten teeltseizoen 1999. Dit spoort ook met de toelichting namens Heibloem tijdens het laatste pleidooi dat [statutair directeur] de buizen in april 1999 heeft gekocht omdat het areaal voor lelies werd uitgebreid.

2.7 Tegenover de hiervoor aangehaalde verklaringen en hetgeen onder 2.6 is overwogen, bieden de verklaringen van [appellante] en [getuige 3] onvoldoende tegenwicht. In haar getuigenverklaring heeft [appellante] over het door haar op de kopie van de luchtfoto zwart omkaderde grote stuk naast de kas verklaard: "Het zwart omkaderde stuk land verhuurde [voormalig eigenaar] [[voormalig eigenaar], hof] jaarlijks aan een ander. Zo weet ik dat [getuige C] daar tulpen op heeft gekweekt, een ander prei en dat er schapen op hebben gelopen. Na de schaapjes of de prei, de volgorde weet ik niet precies meer, is [statutair directeur] op dat stuk gekomen. Ik weet niet in welk jaar [statutair directeur] dat stuk land in gebruik heeft genomen, volgens mij was dat na het overlijden van [voormalig eigenaar], in 2000. Ik weet het allemaal niet meer precies, omdat het allemaal 10 jaar geleden is en ik geen tuinder ben.(…) Op het zwart omkaderde land naast de kas heeft eerst [getuige C] rode tulpen gehad, daarna heeft [C] uit [woonplaats] daar prei gehad en [B] schaapjes, maar de volgorde weet ik niet meer. Dat is tot aan de dood van [voormalig eigenaar] geweest." Gelet op de hiervoor aangehaalde verklaringen van [B] en [C] was aan het gebruik door hen in 1996 een einde gekomen. Dat [getuige C] daarna rode tulpen heeft gekweekt tot na het overlijden van [voormalig eigenaar], volgt uit geen enkel ander stuk of verklaring. Getuige [getuige C] heeft slechts verklaard dat zijn neven een stuk van de kas hebben gehuurd, maar dat dat zeker al 15 jaar terug was en voordat [statutair directeur] erin kwam. Volgens de verklaring van [appellante] is [statutair directeur] na de schapen of de prei op het land gekomen, dat wil zeggen na 1996. Haar verklaring ondersteunt in zoverre de (getuigen)verklaringen die zijdens Heibloem in het geding zijn gebracht.

2.8 [getuige 3] heeft verklaard dat het grote stuk naast de kas jarenlang braak heeft gelegen, ook al voor het pensioen van [voormalig eigenaar] Er stond gras op dat in het najaar door een schaap werd opgegeten. Deze verklaring vindt geen steun in andere (tegen)bewijsmiddelen en biedt op zichzelf onvoldoende tegenwicht aan het hiervoor bedoelde bewijs.

2.9 Wat de verklaring van de getuige van de zijde van Heibloem [getuige D] (buitendienstmedewerker BLGG) betreft, overweegt het hof het volgende. Uit de verklaring volgt dat [getuige D] bij monsterneming heeft gezien dat het perceel naast de kas pas in 2000 in gebruik is genomen en de andere perceeldelen nog veel later. Hij leidt de teelt op een perceel af uit het afval dat hij in januari/februari aantreft, de periode waarin hij monsters neemt. Volgens zijn verklaring was het grote stuk in 2000 vers land en werden er nog geen lelies geteeld. Wat er tussen 1997 en 2000 op de buitengrond gebeurde, weet [getuige D] niet zeker. Wel heeft hij verklaard dat [statutair directeur] het land en de kas al vanaf 1998 huurde. Vanaf 1997 heeft hij de kas bemonsterd. Uit de verklaring volgt verder dat het nemen van monsters bij voorkeur gebeurt voordat een perceel grond in gebruik wordt genomen, maar dat het de vrije keuze blijft van de teler. Waar andere getuigen uit de buurt komen en regelmatig voorbij of op het perceel kwamen, is [getuige D] slechts eenmaal per jaar in de kas en pas vanaf 2000 op de gronden geweest en dan alleen om in januari of februari een monster te nemen. Vanwege de verhoudingsgewijs beperkte waarnemingen van de buitengrond vóór 2000 en de onzekerheden in zijn verklaring, acht het hof de verklaring van [getuige D] minder zwaarwegend dan hetgeen hiervoor is overwogen.

2.10 Een en ander leidt tot de slotsom dat Heibloem voldoende heeft aangetoond dat het grote stuk naast de kas reeds voor het overlijden van [voormalig eigenaar] bij haar in gebruik was. In samenhang met hetgeen onder 2.2 is overwogen, constateert het hof dat ten aanzien van het grote stuk naast de kas een pachtovereenkomst tussen [voormalig eigenaar] en Heibloem bestond.

Het paardenweitje

2.11 Tussen partijen staat vast dat met het paardenweitje het blok recht voor de kas wordt bedoeld. Deze wei is afgebakend zoals te zien is op de foto's in het taxatierapport. Het hof acht niet bewezen dat Heibloem dit stuk voor het overlijden van [voormalig eigenaar] reeds als pachter in gebruik had. Als niet voldoende weersproken staat vast dat [dochter van appellante] met toestemming van [voormalig eigenaar] al lange tijd een paard weidde op het paardenweitje en daarvoor jaarlijks een bedrag aan [voormalig eigenaar] betaalde. De foto's in het taxatierapport laten voorts onmiskenbaar twee paarden zien in het weitje. Gelet op de verklaringen van [appellante] en de - op dit punt niet weersproken - akte uitlating van Heibloem, gaat het om een zwartbruine KWPN-er van [dochter van appellante] en een wat ouder, lichtbruin paard van [echtgenote], de echtgenote van [statutair directeur]. Het weitje werd in september 1999 dus door zowel [dochter van appellante] als [statutair directeur] gebruikt om paarden te weiden.

2.12 De getuigen aan de zijde van Heibloem hebben onvoldoende concreet verklaard dat Heibloem voor het overlijden van [voormalig eigenaar] het weitje exclusief als pachter in gebruik had genomen, al dan niet voor de lelieteelt. Heibloem heeft verder niet weersproken dat [dochter van appellante], althans [appellante] de afrastering rond de paardenwei die op de foto’s te zien is, heeft aangebracht en betaald. Die afrastering was in september 1999 nog niet verwijderd, terwijl [statutair directeur] heeft verklaard dat hij de afrastering heeft verwijderd nadat zijn paard er niet meer liep, waarschijnlijk in 1999. Dat Heibloem ondanks dit alles pachter was van de grond, de grond heeft aangewend (niet voor het telen van lelies maar) voor het weiden van paarden en Heibloem [dochter van appellante] - met toestemming van verpachter [voormalig eigenaar] - heeft toegestaan de verpachte grond mede te gebruiken, heeft Heibloem niet betoogd en is ook niet aannemelijk. Voor zover Heibloem dit wel heeft willen betogen ter gelegenheid van het laatste pleidooi, is die stelling te laat ingenomen in de procedure.

De moestuin

2.13 Met de moestuin bedoelt het hof het blok aan de weg voor het paardenweitje, waar volgens diverse getuigen [voormalig eigenaar] voor zijn overlijden aardbeien, bloemen en boerenkool verbouwde. Hoewel [getuige A] en [getuige B], evenals [statutair directeur] hebben verklaard dat de moestuin reeds voor het overlijden van [voormalig eigenaar] door Heibloem in gebruik was genomen, staan daar tegenover de verklaringen van [getuige C], [getuige 1], [getuige 3] alsmede de foto's van het taxatierapport. Op die foto's is te ontwaren dat in de moestuin in september 1999 (waarschijnlijk) aardbeiplanten stonden en in elk geval geen lelies. De grond is ook niet zwartgemaakt. Heibloem heeft kortom onvoldoende bewijs aangedragen om te kunnen concluderen dat zij de moestuin al in 1999 als pachter in gebruik had.

De opstallen, behoudens de grote kas

2.14 Heibloem is er niet in geslaagd te bewijzen dat zij voor het overlijden van [voormalig eigenaar] de twee schuurtjes en een koelcel als pachter in gebruik had genomen. Vrijwel alle getuigen hebben verklaard dat de schuurtjes voor de teelt van druiven, opslag en de stalling van een auto werden gebruikt door [voormalig eigenaar] en zijn broer [broer]. Dat gebruik was niet geëindigd. Dat Heibloem deze schuurtjes desondanks pachtte is niet aannemelijk en daartoe is ook onvoldoende gesteld. In elk geval is niet voldoende dat [statutair directeur] ook wel gebruikmaakte van de schuurtjes voor opslag. Wat de koelcel betreft heeft alleen [getuige 3] verklaard dat Heibloem deze in 1999 gebruikte, maar [appellante] heeft verklaard dat de koelcel door niemand werd gebruikt. De door Heibloem voorgebrachte getuigen hebben niet specifiek over het gebruik van de koelcel verklaard.

Het perceel aan de straat

2.15 Dit perceel bevindt zich vóór het grote stuk naast de kas en is gelegen aan de [straatnaam]. De getuigen aan de zijde van Heibloem [getuige 1] [getuige B] en [getuige C] verklaren allen dat voormeld perceeldeel voor het overlijden van [voormalig eigenaar] al in gebruik was bij Heibloem. Laatstgenoemde drie getuigen hebben dat ook aangeduid op een kopie van een luchtfoto die hen is voorgehouden. [getuige 1] heeft verklaard dat er in 1999 lelies stonden op dat veld. [getuige C] heeft verklaard dat [statutair directeur] het grote stuk naast de kas en het landje aan de straat in 1995, 1996 of in 1997 in gebruik heeft genomen en [getuige B] dat [voormalig eigenaar] het stukje aan de weg heeft overgedaan toen hij ziek werd (in 1996). [statutair directeur] heeft als getuige en ter comparitie wisselend over dit stukje land verklaard. [C] heeft voorts schriftelijk verklaard dat [statutair directeur] de grond aan weerszijden van de boerderij huurde, waaronder mede onderhavig perceeldeel kan worden verstaan.

2.16 [getuige 3] heeft over dit perceel verklaard dat er schapen op gehouden werden. Die waren ook wel van anderen. Toen [voormalig eigenaar] overleed, stonden er geen schapen meer maar lag het schapenlandje braak. [statutair directeur] is het schapenveldje meteen in gebruik gaan nemen met het grote stuk naast de kas en dat was in 2000, aldus [getuige 3]. [appellante] heeft als getuige verklaard dat het onderhavige perceeltje aan de straat begroeit was met gras. Er stonden geen beesten op omdat [voormalig eigenaar] het vrij wilde hebben om zicht te hebben op de straat. Na het overlijden van [voormalig eigenaar] zou [statutair directeur] daar pony’s op hebben gehouden.

2.17 Verder bevat het taxatierapport foto's van dit stuk. Te zien is een hoeveelheid afgestorven, geel gras in een hoek aan de straat en groen gras. Uit deze foto’s zijn weinig aanwijzingen te putten dat Heibloem het stuk aan de straat in het teeltseizoen 1999 in gebruik had. Ook het buizenstelsel is niet doorgelegd tot aan de straat.

2.18 Bij de akte uitlating heeft Heibloem nog als productie 7 een luchtfoto overgelegd die door een gemeenteambtenaar van de gemeente [gemeente] is gedateerd op 10 maart 1995. Op die luchtfoto is te zien dat het perceel aan de straat is voorbewerkt voor teelt. Heibloem heeft in haar akte aangevoerd dat het perceel ten tijde van het maken van de foto van het taxatierapport in september 1999 inderdaad uit grasland bestond. Zij verklaart dat met de wisselteelt die zij moet toepassen. Op de luchtfoto is volgens haar duidelijk te zien dat de grond in 1995 is klaargemaakt voor de teelt van lelies. In de antwoordakte heeft [appellante] dit betwist en aangevoerd dat uit de foto niet blijkt dat Heibloem actief was op de grond. Tijdens het pleidooi is namens Heibloem nog toegelicht dat op de luchtfoto is te zien dat het grote stuk naast de kas is voorbereid voor de prei van [C], tegelijk met het perceel vooraan de straat dat voor lelies was voorbereid.

2.19 In het licht van het geleverde tegenbewijs zijn de verklaringen van de door Heibloem voorgebrachte getuigen onvoldoende specifiek. Louter de luchtfoto brengt daarin onvoldoende verandering, temeer daar Heibloem nimmer de stelling heeft betrokken dat het perceel al in 1995 regulier gepacht werd van [voormalig eigenaar] en de meeste getuigen verklaard hebben dat het stuk pas veel later in gebruik is genomen. Tot slot heeft Heibloem niet gesteld dat zij het gras heeft gezaaid dat op de foto’s van het taxatierapport te zien is.

De vast te leggen pachtovereenkomst

2.20 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof bewezen acht en zal vastleggen een pachtovereenkomst terzake de grote kas en het grote stuk naast de kas. Bij gebrek aan andere aanknopingspunten zal de pachtsom per 1 januari 1999 worden vastgesteld op fl. 7.000. Het hof zal aan dit arrest een kopie van een luchtfoto hechten waar de contour van het gepachte in rood is aangegeven.

Onrechtmatig gebruik

2.21 Aangezien Heibloem maar deels in het bewijs is geslaagd dat zij het volledige perceel van [voormalig eigenaar] pachtte tot aan de stolp, moet het er thans voor worden gehouden dat zij de opstallen behoudens de kas, het paardenlandje, de moestuin en het perceel aan de straat onrechtmatig gebruikt. Daarmee komt de vraag op, die in het tussenarrest van 17 februari 2009 is opengelaten (rov. 4.11 en 4.15), of dit onrechtmatige gebruik grond levert voor ontbinding van de pachtovereenkomst.

2.22 In beginsel levert het zonder gebruiksrecht gebruiken door de pachter van aan de verpachter toebehorende, niet-gepachte gronden, als inbreuk op een eigendomsrecht, een onrechtmatige daad op jegens de verpachter. In verband met de contractuele pachtrelatie levert het overschrijden van de grenzen van het gepachte tevens een schending op van de verplichtingen van de pachter jegens zijn verpachter. De pachtovereenkomst brengt immers naar zijn aard op de voet van artikel 6:248 lid 1 BW ook de verplichting mee zich te onthouden van onrechtmatige inbreuken op niet-gepachte aangrenzende eigendommen van de verpachter. In de bijzondere feiten en omstandigheden van dit geval ziet het hof echter aanleiding te oordelen dat het thans vastgestelde onrechtmatige gebruik door Heibloem de ontbinding van de pachtovereenkomst niet rechtvaardigt. Het hof licht dat als volgt toe.

2.23 Het merendeel van de getuigen aan de zijde van Heibloem, maar ook [getuige 3], hebben zich uitgesproken over de intentie van [voormalig eigenaar] dat [statutair directeur] de bedrijfsopvolger zou worden en alle grond zou gaan gebruiken. [statutair directeur] heeft ook gemeend dat hij de toezegging van [voormalig eigenaar] had dat hij het bedrijf zou mogen voortzetten. [voormalig eigenaar] is echter overleden en een schriftelijk stuk ontbreekt. Makelaar [makelaar] heeft schriftelijk verklaard - en dit is ook door getuige [getuige C] bevestigd - dat een pachtovereenkomst is opgesteld voor de hele kwekerij maar dat die overeenkomst vanwege de ziekte van [voormalig eigenaar] niet meer is ondertekend. Ook makelaar [makelaar] is overleden waardoor er geen mogelijkheid was voor Heibloem hem als getuige te horen.

2.24 Na het overlijden van [voormalig eigenaar] zijn de erfgenamen en is ook Heibloem ervan uitgegaan dat de erfgenamen de eigenaren waren geworden van de kwekerij. De erfgenamen, vertegenwoordigd door [getuige 3], wisten van de wens van [voormalig eigenaar] dat [statutair directeur] het bedrijf zou voortzetten. Wel hebben zij op enig moment bij brief van [D] van 26 augustus 2004, (productie bij productie 7 conclusie van antwoord) Heibloem te kennen gegeven dat naar hun oordeel slechts 3.800 m² was verpacht en niet 9000 m², maar daarbij is het gebleven.

2.25 Eerst na een gerechtelijke procedure die een aantal jaren in beslag heeft genomen, is rechtens komen vast te staan dat [appellante] de grond van [voormalig eigenaar] vlak voor diens overlijden had gekocht en dat de koopovereenkomst onaantastbaar was. Inmiddels had Heibloem het hele bedrijf in gebruik genomen. Tussen partijen is vervolgens op meerdere fronten onenigheid ontstaan.

2.26 In deze procedure heeft de pachtkamer in eerste aanleg als vaststaand aangenomen dat Heibloem per 1 januari 1999 alle grond en de opstallen pachtte. De desbetreffende vordering van Heibloem is toegewezen en uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Eerst in hoger beroep is Heibloem voor de opdracht gesteld de door haar gestelde pachtovereenkomst op al haar onderdelen te bewijzen. Bij dit arrest is rechtens komen vast te staan dat Heibloem (niet het geheel maar) een deel van het perceel en de opstallen pacht. De onduidelijkheid over de omvang van het gepachte die tot op heden bij in elk geval [appellante] bestond, kan niet volledig worden toegerekend aan Heibloem. Al met al vormt de omstandigheid dat na bewijslevering als vaststaand wordt aangenomen dat Heibloem gedeelten onrechtmatig heeft gebruikt, onvoldoende grond voor ontbinding.

2.27 Het hof merkt ter voorlichting nog op dat Heibloem vanaf nu verplicht is zich te onthouden van gebruik van de opstallen behoudens de kas, het paardenlandje, de moestuin en het perceel aan de straat; het huidige gebruik dient zij onverwijld te beëindigen. Indien zij niet aan deze verplichting zal voldoen, zal dat op de voet van het onder 2.22 overwogene een tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen jegens [appellante] kunnen opleveren.

Slotsom

2.28 De grieven 1 tot en met 7 voor zover deze zien op de bewijswaardering van de pachtkamer in eerste aanleg slagen. Voor het overige falen zij. De grieven 8 en 9 terzake de reconventionele vordering van [appellante] falen. In het tussenarrest van 17 februari 2009 is [appellante] al niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de tussenvonnissen van 14 maart 2007, 9 mei 2007 en 12 september 2007. Het vonnis van 30 januari 2008 voor zover in conventie tegen [appellante] gewezen zal worden vernietigd en de vordering van Heibloem zal gedeeltelijk worden toegewezen en overigens worden afgewezen. Omdat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet het hof aanleiding de proceskosten in beide instanties te compenseren.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Alkmaar, sector kanton, locatie Alkmaar van 30 januari 2008 voor zover in conventie tegen [appellante] gewezen en doet opnieuw recht:

legt vast de tussen (de rechtsvoorgangers van) Heibloem als pachter en [appellante] als verpachter gesloten pachtovereenkomst met betrekking tot een kas en land, te weten het grote stuk naast de kas zoals weergegeven op de aan dit arrest aangehechte kaart, gelegen aan de [adres] te [plaats], kadastraal bekend Gemeente [gemeente], Sectie E, nr. 1392 gedeeltelijk, met ingang van 1 januari 1999 voor de duur van zes jaren tegen een pachtprijs van € 3.167,46 (fl. 7.000) per jaar, zulks onverminderd de werking van het eerste lid van artikel 7:322 BW en de mogelijke toepassing van het tweede lid van dat artikel;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de kosten aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

bekrachtigt dat vonnis voor het overige;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, Th.C.M. Willemse en J.K.B. van Daalen en de raden baron F.J.A. van Verschuer en ir. H.K.C. Roelofsen, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2011.