Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ1789

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
200.033.532
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

7:365, 7:366, 7:376 en 7:377 BW; 130 en 150 Rv

Pluraliteit en processuele ondeelbaarheid. Pacht en bedrijfsmatig gebruik. Bewijslast. Medewerking verpachter aan verdeling.

Acht medepachters, waarvan er vier niet in hoger beroep zijn verschenen. De verpachtster kan in haar gewijzigde eis tegenover de niet verschenen medepachters niet worden ontvangen, nu niet blijkt dat voldaan is aan het voorschrift van het derde lid van artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat heeft ook gevolgen voor de toewijsbaarheid van de gewijzigde eis tegenover de wel verschenen medepachters, omdat, in ieder geval wat betreft de vordering op grond van art. 7:377 BW, sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding, zodat enkel kan worden beslist in een geding waarin alle bij de rechtsverhouding betrokkenen partij zijn, omdat het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van allen in dezelfde zin luidt. Aan dit laatste doet niet af dat de medepachters de rechten en verplichtingen uit de pachtovereenkomst inmiddels hebben toegedeeld aan één van hen, omdat immers die toedeling de medewerking van verpachtster behoeft (vergelijk art. 7:366 lid 3 BW) en uit het standpunt wat verpachtster in dit geding inneemt, volgt dat zij die medewerking weigert. Tot het moment dat die medewerking eventueel alsnog wordt verleend, zijn de medepachters dus nog allen partij bij de rechtsverhouding.

Voor zover de vraag of sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie van belang is voor de primaire vordering van verpachtster (ontbinding op grond van art. 7:376 BW), draagt verpachtster de bewijslast, maar van de medepachters kan wel worden gevergd dat zij voldoende gegevens omtrent de bedrijfsvoering overleggen.

Volgens de Memorie van Toelichting bij art. 7:366 BW (Kamerstukken II, 30448, nr. 3, p. 26) is voor de vraag of sprake is van redelijke bezwaren van de verpachter in de zin van het derde lid van die bepaling, van belang of de erfgenaam aan wie de toedeling plaatsvindt behoort tot de in art. 7:363 BW bedoelde kring van personen. Anders dan waar verpachtster vanuit gaat, betekent dit niet dat zij iedere toedeling aan een of meer erfgenamen van buiten de bedoelde kring kan blokkeren. Indien de wetgever zou hebben gewild dat pachtovereenkomsten na het overlijden van de pachter alleen kunnen worden voortgezet door een of meer personen die tot in art. 7:363 BW bedoelde kring behoren, zou hij, zo moet worden aangenomen, die bedoeling in de wettekst tot uitdrukking hebben gebracht. Aan de bedoelde passage uit de Memorie van Toelichting moet de betekenis worden gehecht dat de rechter bij de waardering van de bezwaren van de verpachter tegen de door de erfgenamen overeengekomen wijze van verdeling, als gezichtspunt dient te betrekken de vraag of er erfgenamen zijn die tot de bedoelde kring behoren, in die zin dat toedeling – zij het ook niet zonder afweging tegen andere gezichtspunten – bij voorkeur dient te geschieden aan een of meer erfgenamen die inderdaad tot die kring behoren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.033.532

(zaaknummer rechtbank 297440)

arrest van de pachtkamer van 29 maart 2011

inzake

de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Schinnen,

zetelende te Schinnen,

appellante in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. H.J.J. van der Salm,

tegen:

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. F.A.M. Knüppe,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. F.A.M. Knüppe,

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. F.A.M. Knüppe,

4. [geïntimeerde 4],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. F.A.M. Knüppe,

5. [geïntimeerde 5],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

6. [geïntimeerde 6],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

7. [geïntimeerde 7],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

8. [geïntimeerde 8],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

geïntimeerden in het principaal beroep,

de partijen sub 1 tot en met 4 tevens appellanten in het incidenteel beroep.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 19 november 2008 en 4 februari 2009, die de pachtkamer van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen, tussen appellante in het principaal beroep (hierna ook te noemen: de Gemeente) als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en geïntimeerden in het principaal beroep (hierna ook te noemen: [A]) als gedaagden in conventie en deels tevens eisers in reconventie heeft gewezen. Van het vonnis van 4 februari 2009 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

¦ de verstekverlening tegen geïntimeerden sub 5 tot en met 8 op de rol van 26 mei 2009;

¦ de dagvaarding in hoger beroep van 25 februari 2009;

¦ de memorie van grieven, tevens houdende wijziging (van de grondslag van) de vordering;

¦ de memorie van antwoord in het principaal beroep, tevens memorie van grieven in het incidenteel beroep;

¦ de akte in het principaal beroep van de Gemeente, tevens memorie van antwoord in het incidenteel beroep.

2.2 De Gemeente en geïntimeerden sub 1 tot en met 4 hebben de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en het hof heeft arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

3.2 [B] heeft bij schriftelijke pachtovereenkomst met ingang van 15 maart 1953 aan [C] verpacht de boerderij bestaande uit woonhuis, schuur, stallen, bergplaats, boomgaard met tuin, destijds kadastraal bekend [.....] (hierna aan te duiden als: het perceel [adres]).

3.3 De Gemeente verkreeg per 1 december 1966 de eigendom van het perceel [adres] en werd aldus verpachtster.

3.4 [C] is op 7 februari 1986 overleden.

3.5 Bij schriftelijke pachtwijzigingsovereenkomst van 9 december 1986 is de pachtovereenkomst voortgezet met [D] en zijn de overige erfgenamen van [C] met ingang van 1 september 1986 uit de pacht ontslagen.

3.6 [D] is overleden op 2 juni 2007. De [A] zijn haar erfgenamen.

3.7 Uit het samenstel van een “afstandsverklaring en verdeling / toedeling” van 16 februari 2009, ondertekend door geïntimeerden sub 1 en sub 5, en een “afstandsverklaring en verdeling / toedeling pachtrechten” van 31 maart 2009, ondertekend door geïntimeerden sub 1 tot en met 4 en 6 tot en met 8, blijkt dat de [A] de rechten en verplichtingen van wijlen [D] uit de pachtovereenkomst als gezamenlijke erfgenamen hebben toegedeeld aan geïntimeerde sub 1.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In dit geding heeft de Gemeente primair op grond van artikel 7:376 en subsidiair op grond van art. 6:258 Burgerlijk Wetboek ontbinding van de pachtovereenkomst gevorderd, met nevenvorderingen. In reconventie hebben geïntimeerden sub 1 tot en met 4 gevorderd dat de geïntimeerden 2 tot en met 8 uit de pacht zullen worden ontslagen. Bij het vonnis van 4 februari 2009 heeft de pachtkamer in eerste aanleg zowel de vorderingen in conventie als die in reconventie afgewezen. Tegen de afwijzing van de vorderingen in conventie richten zich de grieven in het principaal beroep, tegen die van de vordering in reconventie de grieven in het incidenteel beroep.

4.2 Bij memorie van grieven in het principaal beroep heeft de Gemeente haar eis gewijzigd. Thans vordert zij primair op grond van artikel 7:376, subsidiair op grond van artikel 7:377 en meer subsidiair op grond van artikel 6:258 Burgerlijk Wetboek ontbinding van de pachtovereenkomst, althans de [A] op grond van artikel 7:365 Burgerlijk Wetboek te ontslaan uit de pacht, met nevenvorderingen. De Gemeente kan in haar gewijzigde eis tegenover geïntimeerden sub 5 tot en met 8 niet worden ontvangen, nu niet blijkt dat voldaan is aan het voorschrift van het derde lid van artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat heeft ook gevolgen voor de toewijsbaarheid van de gewijzigde eis tegenover geïntimeerden sub 1 tot en met 4, omdat, in ieder geval wat betreft de vordering op grond van artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek, sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding, zodat enkel kan worden beslist in een geding waarin alle bij de rechtsverhouding betrokkenen partij zijn, omdat het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van allen in dezelfde zin luidt. Aan dit laatste doet niet af dat de [A] de rechten en verplichtingen uit de pachtovereenkomst inmiddels hebben toegedeeld aan geïntimeerde sub 1 (hiervoor onder 3.7), omdat immers die toedeling de medewerking van de Gemeente als verpachtster behoeft (vergelijk artikel 7:366 lid 3 Burgerlijk Wetboek) en uit het standpunt wat de Gemeente in dit geding inneemt, volgt dat zij die medewerking weigert. Tot het moment dat die medewerking eventueel alsnog wordt verleend, zijn de [A] dus nog allen als (mede)pachters partij bij de rechtsverhouding.

4.3 Op 1 september 2007 is met de artikelen 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek een nieuwe wettelijke regeling van de pacht in werking getreden en is de Pachtwet vervallen. Naar oud recht was volgens de vaste rechtspraak van deze kamer onder pacht te verstaan vruchttrekking met een economisch oogmerk van meer dan ondergeschikte betekenis. Het nieuwe recht neemt van die ruime opvatting van de pacht afstand door in artikel 7:312 Burgerlijk Wetboek de eis te stellen dat de landbouw bedrijfsmatig wordt uitgeoefend. Deze wijziging heeft tot gevolg dat na de inwerkingtreding van het nieuwe recht gesloten overeenkomsten die strekken tot (agrarisch) gebruik anders dan voor bedrijfsmatige landbouw, niet als pachtovereenkomsten maar als huurovereenkomsten dienen te worden gekwalificeerd (uiteraard onverminderd het vereiste dat partijen een tegenprestatie voor het gebruik zijn overeengekomen).

4.4 Indien tussen partijen een pachtovereenkomst bestaat en de pachter het gepachte niet langer voor de uitoefening van de landbouw gebruikt, waarbij in verband met opnieuw artikel 7:312 Burgerlijk Wetboek onder “landbouw” bedrijfsmatige landbouw moet worden verstaan, levert die omstandigheid volgens artikel 7:376 lid 1 Burgerlijk Wetboek (tweede volzin, aanhef en onder a) een tekortkoming van de pachter op die tot ontbinding van de pachtovereenkomst dient te leiden. Volgens de Gemeente doet dit geval zich hier voor.

4.5 Indien in verband met de onder 4.3 bedoelde wijziging sprake is van huur in plaats van pacht, heeft dit in verband met artikel 1019j Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot gevolg dat de pachtrechter onbevoegd is om van het geschil kennis te nemen.

4.6 Of sprake is van een bedrijfmatige exploitatie van het perceel [adres] is in geschil. Volgens de Gemeente is dat niet het geval, maar volgens de [A] wel. De [A] hebben onder meer aangevoerd dat het bedrijf ongeveer 5 ha akkerbouwgrond omvat, waarop voederbieten en maïs worden geteeld ten behoeve van vleesvee dat op de boerderij wordt gehouden. Ook zou een perceel weiland in gebruik zijn waarop het vleesvee geweid wordt. Steeds zou een “voldoende bedrijfsresultaat” zijn behaald.

4.7 Mede tegen de achtergrond van de wetsgeschiedenis van artikel 7:312 Burgerlijk Wetboek veronderstelt een bedrijfsmatige exploitatie dat sprake is van een complex van economische activiteiten, gericht op winst door uitoefening van de landbouw. Voor de vraag of daarvan sprake is, acht het hof de navolgende gezichtspunten in het bijzonder van belang:

a. de omvang van het bedrijf en de onderlinge samenhang tussen de diverse bedrijfsactiviteiten;

b. de vraag of de voor toekomstige winstkansen noodzakelijke investeringen plaatsvinden;

c. het redelijkerwijs te verwachten ondernemingsrendement;

d. de vraag of de gebruiker een hoofdfunctie buiten de landbouw heeft;

een en ander in onderlinge samenhang te beschouwen en met inachtneming van de overige omstandigheden van het geval.

4.8 Voor zover de vraag of sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie van belang is voor de primaire vordering van de Gemeente, draagt de Gemeente de bewijslast, maar van de [A] kan wel worden gevergd dat zij voldoende gegevens omtrent de bedrijfsvoering overleggen.

4.9 Ingeval het hof bij gelegenheid van een volgend arrest tot de slotsom komt dat van een bedrijfsmatige exploitatie van het perceel [adres] geen sprake is, betekent dit niet noodzakelijk dat de [A] zijn tekortgeschoten en dat op die grond ontbinding moet volgen. Het hof leest in de stellingen van de [A] dat volgens hen de huidige exploitatie niet verschilt van hetgeen in 1953 bij gelegenheid van het aangaan van de initiële pachtovereenkomst, althans in 1986 bij gelegenheid van het aangaan van de pachtwijzigingsovereenkomst, partijen voor ogen stond (zie onder meer conclusie van antwoord onder 10, 11 en 14 en memorie van antwoord p. 7). Een en ander is door de Gemeente slechts in een min of meer algemene zin bestreden (memorie van antwoord in het incidenteel beroep onder 12). Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de wijze van exploitatie niet wezenlijk is gewijzigd ten opzichte van hetgeen althans in 1986 partijen voor ogen stond, is sinds 1 september 2007 sprake van een huurovereenkomst. Dit heeft dan onder meer tot consequentie dat deze kamer niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en dat het hof de zaak dient te verwijzen naar de bevoegde kantonrechter. Het hof verwijst in dit verband naar zijn arrest van 15 februari 2011, LJN BP6580.

4.10 Indien de [A] staande wensen te houden dat sprake is van een bedrijfsmatige agrarische exploitatie van het perceel [adres], dienen zij kopieën van de meitellinggevens van de afgelopen drie jaren over te leggen (voor zover beschikbaar) en daarnaast de boekhoudrapporten van de laatste drie opvolgende jaren. Het hof zal daartoe, alsmede voor een reactie op hetgeen hiervoor is overwogen, de zaak naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van de [A].

4.11 De Gemeente kan bij antwoordakte op de akte van de [A] reageren. Vervolgens zal het hof met partijen compareren, teneinde het nadere debat tussen partijen te vervolmaken.

4.12 Met betrekking tot de vordering in reconventie, zoals gewijzigd bij memorie van grieven in het incidenteel beroep, overweegt het hof voorlopig als volgt. Die vordering strekt thans tot veroordeling van de Gemeente tot medewerking aan de onder 3.7 bedoelde toedeling op straffe van een dwangsom. Volgens de Memorie van Toelichting bij artikel 7:366 Burgerlijk Wetboek (Kamerstukken II, 30448, nr. 3, p. 26) is voor de vraag of sprake is van redelijke bezwaren van de verpachter in de zin van het derde lid van die bepaling, van belang of de erfgenaam aan wie de toedeling plaatsvindt behoort tot de in artikel 7:363 Burgerlijk Wetboek bedoelde kring van personen. Anders dan waar de Gemeente vanuit gaat, betekent dit niet dat zij als verpachtster iedere toedeling aan een of meer erfgenamen van buiten de bedoelde kring kan blokkeren. Indien de wetgever zou hebben gewild dat pachtovereenkomsten na het overlijden van de pachter alleen kunnen worden voortgezet door een of meer personen die tot in artikel 7:363 Burgerlijk Wetboek bedoelde kring behoren, zou hij, zo moet worden aangenomen, die bedoeling in de wettekst tot uitdrukking hebben gebracht. Aan de bedoelde passage uit de Memorie van Toelichting moet de betekenis worden gehecht dat de rechter bij de waardering van de bezwaren van de verpachter tegen de door de erfgenamen overeengekomen wijze van verdeling, als gezichtspunt dient te betrekken de vraag of er erfgenamen zijn die tot de bedoelde kring behoren, in die zin dat toedeling – zij het ook niet zonder afweging tegen andere gezichtspunten – bij voorkeur dient te geschieden aan een of meer erfgenamen die inderdaad tot die kring behoren. Het is voor het hof niet geheel duidelijk of mogelijk één of meer van de erfgenamen tot de bedoelde kring behoren. De [A] dienen op dit punt bij gelegenheid van de onder 4.11 bedoelde comparitie opheldering te verschaffen.

4.13 De [A] dienen bij gelegenheid van de bedoelde comparitie bovendien in te gaan op de overige bezwaren die de Gemeente bij memorie van antwoord in het incidenteel beroep onder 46 tegen toedeling aan geïntimeerde sub 1 heeft geformuleerd.

4.14 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden, waaronder die ter zake van de subsidiaire en meer subsidiair vorderingen van de Gemeente.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart de Gemeente niet-ontvankelijk in haar gewijzigde eis tegenover geïntimeerden sub 5 tot en met 8;

verwijst de zaak naar de rol van 26 april 2011 voor akte aan de zijde van de [A] als onder 4.10 bedoeld;

bepaalt dat de Gemeente in de gelegenheid zal zijn om bij antwoordakte te reageren;

bepaalt dat de Gemeente vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking en geïntimeerde in het principaal beroep sub 1 in persoon, tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. W.L. Valk, in aanwezigheid van het deskundige lid ir. H.B.M. Duenk, die daartoe zitting zullen houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door de raadsheer-commissaris te bepalen dag en tijdstip, zulks tot het geven van inlichtingen als onder 4.11, 4.12 en 4.13 aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, G.P.M. van den Dungen en M.G.W.M. Stienissen en de deskundige leden mr. ing. J.A. Jansens van Gellicum en ir. H.B.M. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2011.