Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ1300

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-04-2011
Datum publicatie
18-04-2011
Zaaknummer
24-002686-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de strafoplegging. Verdachte wordt ter zake van - kort gezegd - twee gewapende overvallen op winkelbedrijven , alsmede het aanwezig hebben van een wapen in de zin van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002686-10

Parketnummer eerste aanleg: 07-663103-10

Arrest van 14 april 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 november 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1991] te [geboorteplaats],

niet ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie, volgens eigen opgave ter zitting verblijvende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in [verblijfplaats],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens onder meer het medeplegen van twee gewapende overvallen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, heeft maatregelen opgelegd en heeft beslist op de vorderingen van benadeelde partijen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 31 maart 2011, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Met betrekking tot het in beslag genomen wapen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof dit wapen zal onttrekken aan het verkeer. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van [benadeelde 1] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,- en de vordering van [benadeelde 2] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 900,-, met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen tot voornoemde bedragen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis van de rechtbank - met inbegrip van de gronden waarop dit berust - zodat het vonnis voor bevestiging in aanmerking komt, een en ander met uitzondering van de opgelegde straf.

Het hof zal het vonnis met betrekking tot de opgelegde straf vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van twee gewapende overvallen op twee verschillende winkelbedrijven in de gemeente [gemeente]. Op 25 augustus 2009 heeft verdachte samen met zijn mededader een kledingwinkel overvallen, waarbij verdachte degene is geweest die de medewerkster van de winkel heeft bedreigd met een mes. Verdachte en zijn mededader hebben die medewerkster zodoende geld afhandig gemaakt. Vervolgens hebben verdachte en diezelfde mededader op 9 februari 2010 een supermarkt overvallen. Ook bij deze overval is gebruik gemaakt van wapens. Verdachte heeft een vuurwapen op de op dat moment aanwezige medewerkers gericht en zijn mededader heeft hen bedreigd met een mes. Tijdens deze overval is een drietal medewerkers van de supermarkt gedwongen plaats te nemen in het magazijn en zijn hun handen op de rug vastgetapet, waarna hun tassen en/of de inhoud hiervan zijn meegenomen. Een andere medewerker moest, terwijl hij een vuurwapen op zich gericht zag, het geld uit de kluis van de supermarkt halen en aan verdachte en zijn mededader overhandigen. Er is aldus eveneens een geldbedrag van € 4100,- buitgemaakt.

Dat verdachte en zijn mededader slechts voor hun eigen financiële gewin dergelijk gewelddadig gedrag hebben vertoond, rekent het hof hen zwaar aan. Verdachte en zijn mededader hebben de overvallen tevoren goed overdacht en voorbereid en zij hebben zich hierbij en bij de daadwerkelijke uitvoering hiervan - kennelijk - geen moment bekommerd om de gevolgen die hun handelen voor de slachtoffers zou hebben. Dat de impact van het handelen van verdachte en zijn mededader op de slachtoffers groot is geweest, blijkt - onder meer - uit de zich in het dossier bevindende vorderingen van de benadeelde partijen. Verdachte en zijn mededader hebben daarenboven de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving vergroot.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een start/alarmpistool, dat is gebruikt bij de overval op de supermarkt.

De ernst van de feiten - in het licht bezien van de oriëntatiepunten die het hof hanteert ter zake van strafbare feiten als die onder 1 en 2 bewezen zijn verklaard - rechtvaardigt in beginsel de door de rechtbank opgelegde - en de door de advocaat-generaal gevorderde - onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, temeer nu uit een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 18 maart 2011, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten.

Tegenover het vorenoverwogene staat dat het hof ter terechtzitting van verdachte de indruk heeft gekregen dat hij tot zelfinzicht is gekomen, waaraan het verdachte blijkens een omtrent hem opgemaakt reclasseringsrapport van Reclassering Nederland d.d. 21 september 2010 lange tijd heeft ontbroken. Verdachte ziet inmiddels in dat hij een agressieprobleem heeft en dat hij hiervoor hulp nodig heeft, hulp die hij - anders dan in het verleden - ook zegt te zullen accepteren. Nu het hof geloof hecht aan de verklaring van verdachte dat hij - kort gezegd - een omslagpunt in zijn leven heeft bereikt, acht het hof het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van voornoemde duur niet passend.

Het hof zal aan verdachte - overeenkomstig de straf die in eerste aanleg aan zijn mededader is opgelegd - een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Verdachte wordt aldus de mogelijkheid geboden om de door hem ingeslagen weg voort te zetten, terwijl deze straf ook recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Deze straf dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig zal maken aan (soortgelijke) strafbare feiten. Het hof stelt hierbij als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich onder toezicht van de Reclassering zal stellen.

Beslag

Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de genomen beslissing omtrent het in beslag genomen wapen en de gronden waarop deze beslissing berust.

Benadeelde partijen

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partijen,

[benadeelde 1], wonende te [woonplaats], en [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg hebben gevoegd, dat hun vorderingen in eerste aanleg deels zijn toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van hun eerste vorderingen in het geding in hoger beroep opnieuw hebben gevoegd.

Het hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van deze benadeelde partijen en zal het vonnis ook in zoverre bevestigen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36b, 36c, 36f, 47, 57, 63, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Voornoemde artikelen vervangen de in het vonnis van de rechtbank in dit kader genoemde artikelen.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

bevestigt met aanvulling en verbetering van gronden het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de strafoplegging;

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor wat betreft de strafoplegging, en in zoverre opnieuw recht doende:

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vier jaren;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van één jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en

mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier.