Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ1299

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-04-2011
Datum publicatie
14-04-2011
Zaaknummer
21.004688/09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2009:BK5476, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De militaire kamer van het hof verklaart de Officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens bewuste schending en grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte op een eerlijk proces

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 348
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/161
NBSTRAF 2012/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004788-09

Uitspraak d.d.: 8 april 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de militaire kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de militaire kamer van de rechtbank Arnhem van 7 december 2009 in de strafzaak tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

eertijds militair,

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 april 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr A. Ester, naar voren is gebracht en van het standpunt van de advocaat-generaal.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging,

primair terzake alle tenlastegelegde feiten omdat sprake is van een bewuste schending of een grove veronachtzaming van de rechten van de verdediging,

subsidiair terzake de feiten 3. en 4., omdat ten aanzien van die feiten het bepaalde in artikel 255, derde lid Sv niet in acht is genomen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het primair gestelde maar, deels op andere gronden, geconcludeerd tot honorering van het subsidiaire standpunt van de verdediging.

Oordeel van het hof

Het gaat in deze zaak om oude feiten: de onder 1. en 2. tenlastegelegde feiten (de “zaak [A]”) beslaan de periode van december 1991 tot december 1994, de onder 3. en 4. tenlastegelegde feiten (de “zaak [B]”) beslaan de periode van december 1991 tot juli 1992. Het hof stelt vast dat verdachte terzake de onder 3. en 4. tenlastegelegde feiten

(de “zaak [B]”) eerder is vervolgd. Deze vervolging is in september 1994 geëindigd door een kennisgeving van niet verdere vervolging.

De officier van justitie heeft terzake de thans onder 1. en 2. (de “zaak [A]”) resp. onder 3. en 4. (de “zaak [B]”) tenlastegelegde feiten op 12 december 2006 het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek (GVO) gevorderd. Dit GVO is op 14 december 2006 door de rechter-commissaris geopend. Een afschrift van de vordering GVO is verdachte op 25 mei 2007, bij gelegenheid van zijn verhoor op de vordering tot inbewaringstelling, ter hand gesteld. Met uitzondering van het verhoor op 26 juni 2007 van aangeefster [A] als getuige, zijn in het GVO geen getuigen gehoord. Dat was wel de bedoeling, maar omdat de rechter-commissaris noch de raadsman in het bezit was gesteld van het hierna te noemen proces-verbaal (de raadsman had daar wel meermalen om verzocht), is het daar niet van gekomen. De rechter-commissaris heeft het GVO op 26 mei 2008 gesloten.

Door de Koninklijke Marechaussee (KMar) is een opsporingsonderzoek verricht, dat op 5 november 2007 is afgesloten met een uit 10 ordners bestaand proces-verbaal. Dit was een (zeer) uitgebreid onderzoek, waarin vele getuigen zijn gehoord. De verdediging is niet in de gelegenheid gesteld enig verhoor bij te wonen, noch anderszins enige inbreng te hebben in het onderzoek.

Eerst op 1 december 2008 is de raadsman in het bezit gesteld van het eindproces-verbaal, nadat verdachte al was gedagvaard tegen de zitting van 26 januari 2009.

Naar het oordeel van het hof zijn door het (parallelle) opsporingsonderzoek door de KMar in deze zaak alle voor de verdediging in een GVO gelegen rechten en waarborgen omzeild. Gezien het feit dat de raadsman voortdurend alert is geweest en meermalen om de resultaten van het onderzoek heeft gevraagd, kan dit niet anders dan bewust zijn geschied. Ook aan de rechter-commissaris zijn, ondanks haar uitdrukkelijk beroep op artikel 177a Sv (brief van 15 april 2008 met rappel d.d. 15 mei 2008), de processtukken onthouden, waarop de rechter-commissaris het GVO onverrichterzake heeft afgesloten. Het hof hecht daarbij tevens gewicht aan het feit dat, gelet op artikel 255, derde lid Sv, het onderzoek naar nieuwe bezwaren niet anders dan in het kader van een GVO kan geschieden. De officier van justitie heeft (ook) dit wettelijk voorschrift genegeerd.

Een en ander, gevoegd bij het feit, dat het méér dan een jaar heeft geduurd voordat de verdediging in het bezit is gesteld van het door de KMar opgestelde proces-verbaal, leidt het hof tot de conclusie, dat zowel sprake is van een bewuste schending als van grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte op een eerlijk proces.

Dit brengt met zich dat de officier van justitie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart de officier van justitie ter zake van het onder 1, 2 primair en subsidiair, 3 en 4 primair en subsidiair tenlastegelegde niet ontvankelijk in de strafvervolging.

Aldus gewezen door

mr R. van den Heuvel, voorzitter,

mr J.P. Bordes, lid, en brigade-generaal (tit.) mr J.S. van Duurling, militair lid,

in tegenwoordigheid van J.R.M. Roetgerink, griffier,

en op 8 april 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.