Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ0615

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
1000340
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Diverse als ziektekosten opgevoerde posten niet in aftrek aanvaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/37.11 met annotatie van Redactie
FutD 2011-0936
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 10/00340

uitspraakdatum: 22 maart 2011

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 juli 2010, nummer AWB 09/2765

in het geschil tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.269 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.762. Daarnaast is bij beschikking een bedrag van € 796 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar van 1 juli 2009 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.292 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.950. De beschikking heffingsrente is verminderd tot een bedrag van € 724.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 22 juli 2010 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.149 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.950 en bepaald dat de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig dient te worden verlaagd.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2011 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De feiten

Voor de feiten verwijst het Hof naar de door de Rechtbank vastgestelde feiten. In onderdeel 2 van haar uitspraak heeft de Rechtbank de feiten als volgt vastgesteld (waarbij eiser dient te worden gelezen als belanghebbende en verweerder als de Inspecteur)

“2.1. Eiser is geboren in 1951. Hij is gehuwd met mevrouw X-Y. Op 21 april 1991 is eiser bij een ongeval betrokken geraakt. Tengevolge van dit ongeluk is hij niet meer in staat zijn oude beroep uit te oefenen. Hij tracht een nieuwe toekomst op te bouwen als kunstschilder. Door een verkeersongeval in het jaar 1993 is de vrouw van eiser eveneens invalide geraakt.

2.2. Eiser heeft als gevolg van het ongeval in 1991 een civiele procedure gevoerd tegen A Schadeverzekeringen, welke procedure heeft geleid tot een vonnis van rechtbank Zwolle van 13 augustus 2003. De rechtbank heeft A Schadeverzekeringen veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding met betrekking tot verloren gegaan verdienvermogen, ten titel van smartengeld, en aan eiser te betalen de overige door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het verkeersongeval, bestaande uit materiële schade en kosten juridische en medische bijstand, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Op grond van het hiervoor genoemde vonnis van rechtbank Zwolle hebben eiser en B Schadeverzekeringen, namens A Schadeverzekeringen (hierna B), uiteindelijk overeenstemming bereikt over de te betalen schadevergoeding, hetgeen geresulteerd heeft in een op 23 april 2004 getekende vaststellingsovereenkomst. Overeengekomen is een vergoeding van € 503.385,56. Middels voorschotten werd reeds € 253.385,56 aan eiser vergoed. De slotuitkering in april 2004 bedroeg derhalve € 250.000. B heeft eiser op zijn verzoek in 2010 de navolgende specificatie van het bedrag van € 503.385,56 verstrekt.

Smartengeld (inclusief wettelijke rente) € 46.495,67

Verlies van verdienvermogen € 126.260,97

Materiële schade t/m 31-12-1997 € 28.695,97

Kosten aanpassing woning € 2.835,01

Materiële schade 1998 € 6.435,40

Materiële schade 1999 € 3.907,71

Materiële schade 2000 € 28.302,16

Materiële schade 2001 € 4.922,73

Materiële schade 2002 € 7.240,56

Materiële schade 2003 € 5.648,95

Kosten ivm verhuizing naar andere woning € 25.000,00

Verlies zelfwerkzaamheid tuinonderhoud (toekomst) € 37.500,00

Huishoudelijke hulp (toekomst) € 20.000,00

Verlies zelfwerkzaamheid woning (toekomst) € 30.000,00

Extra vakantiekosten € 50.000,00

Hulpmiddelen (toekomst) € 15.000,00

Vervangen aangepaste auto (toekomst) € 25.000,00

Eigen bijdrage ziektekostenverzekering € 5.500,00

Kosten juridische hulp € 22.123,31

Kosten vervanging implantaten (toekomst) € 12.500,00

€ 503.385,56

2.3. Eiser heeft voor het onderhavige jaar aangifte IB/PVV gedaan, waarbij hij als buitengewone uitgaven voor ziekte, voor toepassing van de drempel, een bedrag van € 42.054 in aftrek heeft gebracht. Dit bedrag is als volgt tot stand gekomen. De totale ziektekosten bedragen € 28.155, waarvan aan specifieke buitengewone uitgaven € 21.384. Op grond van de aangifte bedraagt het gezamenlijk drempelinkomen € 26.769. Dit is lager dan de voor 2004 geldende drempel van € 29.543, zodat de vermenigvuldigingsfactor van 65% met betrekking tot de specifieke uitgaven is toegepast. Op grond van het voorgaande stelt eiser de totale buitengewone uitgaven vast op € 42.054 (€ 6.771 + 165% van € 21.384 = € 42.054).

2.4. In de periode februari 2007 tot oktober 2007 is tussen eiser en verweerder correspondentie gevoerd over de aangifte IB/PVV 2004. Op 10 oktober 2007 heeft verweerder een aanslag opgelegd, waarbij van de geclaimde buitengewone uitgaven een bedrag van € 9.685 wordt geaccepteerd.

2.5. In de bezwaarfase is verweerder ten dele tegemoet gekomen aan de bezwaren van eiser, en is de persoonsgebonden aftrek voor toepassing van de drempel op € 10.561 vastgesteld. De uiteindelijke correctie ter zake van de buitengewone uitgaven is als volgt:

Kosten thuiszorg de heer X: € 832

Vervanging lattenbodem en matrassen € 6.440

Extra uitgaven kleding X-Y € 800

Extra uitgaven kleding X € 800

Vervanging relaxfauteui1 op medisch voorschrift € 2.893

Verhoogd toilet € 2.679

Extra vervoerskosten € 3.143

€ 17.587

2.6. Daarnaast heeft eiser in zijn aangifte over het jaar 2004 - voor zover hier van belang - een verlies uit onderneming verantwoord van € 6.443. Op grond van een na de aangifte gedane uitspraak van Gerechtshof Arnhem is komen vast te staan dat met ingang van 1 januari 2004 de betreffende onderneming definitief is opgehouden te bestaan. Verweerder heeft bij de uitspraak op bezwaar het geclaimde verlies over 2004 niet in aanmerking genomen, met als gevolg dat het gezamenlijk drempelinkomen van eiser boven eerdergenoemde drempel van € 29.543 uitstijgt.

2.7. Eiser en verweerder hebben met betrekking tot een beroepsprocedure inzake de IB/PVV over het jaar 2002 een mediationtraject gevolgd, welk traject is afgesloten met een vaststellingovereenkomst. In deze vaststellingovereenkomst van 21 februari 2005 is onder meer het onderwerp extra vervoerskosten aan de orde gekomen. Partijen hebben afspraken gemaakt over de wijze van berekenen van deze extra uitgaven voor het onderhavige jaar. Deze afspraken luiden als volgt.

‘Belanghebbende legt zich erbij neer dat in de aanslagen vanaf 2003 de aftrek voor kosten eigen vervoer zal worden berekend op de bij de belastingdienst gebruikelijke wijze: dat is door van de werkelijke door belanghebbende gemaakte kosten af te trekken de kosten die een groep van qua inkomen, vermogenspositie en gezinssamenstelling vergelijkbare gezonde (niet gehandicapte) belastingplichtigen maakt, berekend op basis van de door het CBW vastgestelde kosteninformatie. De eigen brandstofkosten zal belanghebbende voor 2003 en 2004 berekenen op de dezelfde wijze als voor 2002, voor de jaren daarna aan de hand van brandstofnota’s. De eigen afschrijvingskosten zal belanghebbende vanaf 2003 berekenen op basis van vijf jaar afschrijving en een restwaarde van 10% of, voor zover reeds te bepalen op basis van de werkelijke afschrijvingskosten. De aanslag 2003 is geblokkeerd in verband met de lopende beroepsprocedure. De inspecteur zal te zijner tijd contact opnemen met belanghebbende om het aftrekbedrag voor vervoer met de eigen auto voor 2003 onderling af te stemmen; datzelfde geldt voor het aftrekbedrag voor 2004.’”

Het Hof voegt hieraan het volgende toe: De door belanghebbende geclaimde vervoerskosten zijn door de Rechtbank op grond van het vertrouwensbeginsel als persoonsgebonden aftrek in mindering gebracht op het belastbaar inkomen uit werk en woning.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is de vraag of het belastbare inkomen uit werk en woning door de Rechtbank tot een juist bedrag is vastgesteld. Belanghebbende stelt dat bepaalde met de ziekte van belanghebbende en zijn echtgenote verband houdende kosten ten onrechte niet als persoonsgebonden aftrek zijn geaccepteerd. Deze niet geaccepteerde kosten houden verband met (extra) kosten voor kleding en beddengoed, een relaxfauteuil, een bed met matrassen en kosten in verband met het verhogen van een toiletpot. Verder stelt belanghebbende dat hij recht heeft op schadevergoeding omdat de correcties van de Inspecteur tot gevolg hebben gehad dat zijn dochter geen of minder recht zou hebben op een tegemoetkoming in de studiekosten.

3.2 De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het belastbare inkomen uit werk en woning door de Rechtbank tot een juist bedrag is vastgesteld en belanghebbende dientengevolge geen recht heeft op schadevergoeding. Hij concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

3.3 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in verband met de ziekte van zijn echtgenote en die van hem zelf in 2004 extra kosten voor kleding en beddengoed heeft moeten maken. Belanghebbende heeft daartoe een nota gedateerd 7 december 2004 overgelegd van “C Bedden”, waarop onder andere staat vermeld de aankoop van dekbedden, hoeslakens, overtrekken en moltons tot een totaalbedrag van € 1.025. Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten verband houden met de ziekte van belanghebbende of zijn echtgenote. Nog daargelaten de omstandigheid dat de nota ook een korting van € 909 over het totale factuurbedrag van € 10.460 bevat, heeft belanghebbende naar ‘s Hofs oordeel niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2004 in verband met ziekte extra uitgaven voor beddengoed heeft gedaan, dat wil zeggen uitgaven die uitgaan boven het bedrag dat een niet-zieke, doch qua inkomen en gezinssamenstelling vergelijkbare belastingplichtige aan beddengoed pleegt uit te geven. Ook (extra) uitgaven voor kleding die verband houden met ziekte, zijn niet aannemelijk gemaakt door belanghebbende.

4.2 Met betrekking tot de door belanghebbende geclaimde aftrek in verband met de aanschaf van het bed en de matrassen, heeft belanghebbende eveneens gewezen op de in 4.1. vermelde nota van “C Bedden”. Op deze nota staan eveneens vermeld een bed, bedbodems en matrassen (samen hierna: het bed), tot een totaalbedrag van € 9.435. Belanghebbende heeft over het bed verklaard dat het een normaal bed betreft, dat in een reguliere beddenzaak is gekocht en ook door niet-zieke personen wordt aangeschaft, doch dat hij, zouden hij noch zijn echtgenote ziek zijn geweest, nimmer tot de aanschaf van een bed met een dergelijke prijs zou zijn overgegaan.

4.3 Met betrekking tot de relaxfauteuil heeft belanghebbende een verklaring van 15 december 1992 overgelegd van de neuroloog D, waarin deze stelt in te kunnen stemmen met de aanschaf van een relaxstoel voor belanghebbende. Verder heeft belanghebbende een nota van “E Woonoase” van 17 september 2004 overgelegd, waarin voor een bedrag van € 2.893 een relaxfauteuil is opgenomen. Verder staan op deze nota vermeld eetkamerstoelen, een eetkamertafel en een kast, voor een bedrag van € 6.657.

4.4 Met betrekking tot het bed en de relaxfauteuil is het Hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een (ander) hulpmiddel als bedoeld in artikel 6.17 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, dan wel artikel 20a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. De verklaring van de neuroloog D brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Deze verklaring, waarin D in 1992 verklaart dat hij “kan instemmen” met de aanschaf van een relaxstoel, maakt niet aannemelijk dat de aanschaf van een relaxfauteuil in 2004 direct verband houdt met de ziekte van belanghebbende en dat hij zich daaraan op grond van medische noodzaak redelijkerwijs niet kon onttrekken. Ook kunnen het bed en de relaxfauteuil naar het oordeel van het Hof niet worden gezien als middelen die belanghebbende of zijn echtgenote in staat stellen tot het verrichten van normale lichaamsfuncties waartoe zij niet in staat zouden zijn zonder de beschikking te hebben over het bed of de relaxfauteuil. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat het bed en de relaxfauteuil van een zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt.

4.5 Met betrekking tot de, tot een bedrag van € 2.679, opgevoerde kosten in verband met het verhogen van de toiletpot oordeelt het Hof als volgt. Uit de stukken volgt dat belanghebbende stelt dat deze kosten zijn opgeroepen door de ziekte van zijn echtgenote. Volgens de overgelegde, niet gedagtekende, factuur heeft een bedrag van € 1.029 betrekking op de verhoogde toiletpot en heeft € 1.650 betrekking op het aanbrengen van een brede schuifdeur, het verwijderen van een bestaande deur en het dichtmetselen van ontstane openingen. Naar het oordeel van het Hof kan de verhoogde toiletpot niet worden gezien als een middel dat de echtgenote van belanghebbende in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe zij zonder die toiletpot niet in staat zou zijn. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de toiletpot van een zodanige aard is dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen wordt gebruikt. Dat de verhoogde toiletpot mogelijk het, in verband met de invaliditeit moeizame, gebruik van een toilet vergemakkelijkt, doet daaraan niet af. Voor zover de toiletpot en de overige aanpassingen moeten worden aangemerkt als een aanpassing van de woning in de zin van artikel 20a, aanhef en onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001, is het Hof van oordeel dat gesteld noch gebleken is dat die aanpassingen in het onderhavige jaar op medisch voorschrift zijn aangebracht.

4.6 Ter onderbouwing van de door belanghebbende gevraagde schadevergoeding heeft hij in kopie een gedeelte van een brief van de Dienst Uitvoering Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap overgelegd. In deze brief staat het volgende vermeld.

“Dit levert de volgende rekensom op:

Toetsingsinkomen 2007 € 58.935,00

Normbedrag € 32.510,00

-

Meerinkomen € 26.425,00

0,3

x

Kortingsbedrag € 7.927,50

Aantal kinderen 1 :

Kortingsbedrag per kind € 7.927,50

Maximale tegemoetkoming voor AX € 827,43

Kortingsbedrag € 827,43

-

Tegemoetkoming voor AX € 0,00

U geeft te kennen dat u bij de Belastingdienst mogelijk een procedure aanhangig maakt wordt voor wat betreft de vaststelling van de hoogte van uw inkomen in 2007. Dit is voor mij echter geen aanleiding om een andere beslissing te nemen.

Mocht het verzamelinkomen alsnog lager worden vastgesteld, dan kunt u alsnog om herziening van mijn beslissing verzoeken.”

4.7 Buiten het feit dat in de door belanghebbende overgelegde brief uitgegaan wordt van een toetsingsinkomen 2007 en in de onderhavige procedure de aanslag 2004 IB/PV in geding is, bevat de brief de mogelijkheid herziening aan te vragen. Gelet op het bovenstaande acht het Hof het niet aannemelijk dat belanghebbende schade heeft geleden als gevolg van het feit dat de Inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2004 bij aanslag te hoog heeft vastgesteld en bij uitspraak op bezwaar heeft gehandhaafd.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. J. van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 22 maart 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.