Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ0494

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-04-2011
Datum publicatie
07-04-2011
Zaaknummer
24-002898-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt wegens het medeplegen van een gewapende overval op een restaurant veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren, waarvan twee jaren voorwaardelijk. Geen sprake van eendaadse samenloop van de ten laste gelegde afpersing en diefstal met geweld. (Gedeeltelijke) Toewijzing van de vorderingen van benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002898-10

Parketnummer eerste aanleg: 07-660107-10

Arrest van 7 april 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 november 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1987] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in [verblijfplaats],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.A.C. van den Brink, advocaat te Almere.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, heeft maatregelen opgelegd en heeft een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen met uitzondering van de straf en de schadevergoedingsmaatregelen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]. In plaats daarvan heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof een gevangenisstraf van 44 maanden waarvan 14 maanden voorwaardelijk zal opleggen met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde het volgen van een training Cognitieve Vaardigheden, en schadevergoedingsmaatregelen zal opleggen tot bedragen van respectievelijk € 750,- en € 801,-.

De beslissing op het hoger beroep.

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van de bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafbaarheid van de dader, alsmede de bij deze beslissingen gegeven motiveringen. Het hof zal het bestreden vonnis in zoverre met aanvulling van gronden bevestigen.

Ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing ten aanzien van de benadeelde partijen zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd, om hierna te noemen redenen.

Aanvulling van gronden

Overweging omtrent verweer eendaadse samenloop

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat er ten aanzien van de cumulatieve ten laste gelegde feiten sprake is van eendaadse samenloop zodat artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) dient te worden toegepast.

Het hof overweegt hieromtrent dat één van de voorwaarden om van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 WvSr te kunnen spreken, is dat er sprake moet zijn van één feitelijk gebeuren dat tot vervulling van meerdere delictsomschrijvingen leidt.

In casu ligt aan de ten laste gelegde afpersing een ander feitelijk gebeuren ten grondslag dan aan de ten laste gelegde diefstal met geweld. Het hof verwerpt het verweer.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een restaurant. Bij deze overval hebben verdachte en zijn mededader, die hun gezicht (gedeeltelijk) bedekt hadden, onder bedreiging van een vuurwapen en een honkbalknuppel, de aanwezige gasten gedwongen hun persoonlijke bezittingen af te geven. Het personeel werd gedwongen de kassa te openen, waarna geld uit de kassa werd meegenomen en een paar flessen wijn.

Het hof kenschetst het bewezenverklaarde als een brutale overval die op initiatief van verdachte heeft plaatsgevonden. Het hof tilt zwaar aan het bewezen verklaarde. Een overval als door verdachte en zijn mededader gepleegd, wordt door slachtoffers in het algemeen als zeer ingrijpend ervaren en heeft gewoonlijk grote nadelige psychische gevolgen. Dat dit voor de slachtoffers in deze zaak ook geldt, blijkt uit de schriftelijke stukken die zijn ingediend door de benadeelde partijen. Bovendien versterkt dergelijk openlijk gewelddadig optreden de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtsorde raakt ernstig geschokt door dergelijke feiten, die in toenemende mate worden gepleegd. Daarom staat de strafoplegging niet alleen in het teken van de vergelding van toegebracht leed maar ook in het teken van generale preventie. Daarbij baseert het hof zich op ressortelijke oriëntatiepunten voor diefstal met geweld en afpersing.

Het hof heeft bij de straftoemeting - ten nadele van verdachte - in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 maart 2011 meermalen is veroordeeld ter zake van vermogens-/geweldsdelicten. Het hof houdt tevens rekening met het feit dat verdachte - gelet op het Pro Justitia rapport d.d. 7 augustus 2010 - ter zake van de onderhavige feiten als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Gelet op voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren in beginsel een passende bestraffing is. Dit is hoger dan de straf die is opgelegd door de rechtbank en gevorderd door de advocaat-generaal. In de persoonlijke omstandigheden zoals deze ter zitting door de verdediging zijn toegelicht, ziet het hof aanleiding om een aanzienlijk deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Hieraan zal als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht worden verbonden, ook als dit inhoudt het volgen van een training Cognitieve Vaardigheden. Het hof beoogt hiermee tevens verdachte ervan te weerhouden opnieuw in de fout te gaan.

Benadeelde partij [benadeelde 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering in eerste aanleg is toegewezen, met uitzondering van de gevorderde wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich niet opnieuw gevoegd in het geding in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort, voor zover die vordering in eerste aanleg is toegewezen.

De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd wegens immateriële schade als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Deze schade wordt door de benadeelde partij begroot op € 750,-.

De vordering is van de zijde van verdachte niet weersproken. Nu de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, kan deze worden toegewezen tot een bedrag van € 750,-. Eén en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door een mededader geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aan verdachte zal daarnaast de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Benadeelde partij [benadeelde 3]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde 3], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd wegens immateriële schade als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Deze schade wordt door de benadeelde partij begroot op € 1.500,-.

De vordering is van de zijde van verdachte tot het bedrag van € 750,- niet weersproken. Nu de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, kan deze worden toegewezen tot een bedrag van € 750,-. Eén en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door een mededader geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Het hof is van oordeel, dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in zijn vordering in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de (deels) in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aan verdachte zal daarnaast de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Benadeelde partij [benadeelde 4]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde 4], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd wegens immateriële schade als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Deze schade wordt door de benadeelde partij begroot op € 1.500,-.

De vordering is van de zijde van verdachte tot het bedrag van € 750,- niet weersproken. Nu de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, kan deze worden toegewezen tot een bedrag van € 750,-. Eén en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door een mededader geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Het hof is van oordeel, dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in zijn vordering in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de (deels) in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aan verdachte zal daarnaast de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Benadeelde partij [benadeelde 5]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde 5], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd wegens immateriële schade als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Deze schade wordt door de benadeelde partij begroot op € 1.500,-.

De vordering is van de zijde van verdachte tot het bedrag van € 750,- niet weersproken. Nu de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, kan deze worden toegewezen tot een bedrag van € 750,-. Eén en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door een mededader geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Het hof is van oordeel, dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in zijn vordering in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de (deels) in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aan verdachte zal daarnaast de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Benadeelde partij [benadeelde 6]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde 6], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd wegens immateriële schade als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Deze schade wordt door de benadeelde partij begroot op € 1.500,-.

De vordering is van de zijde van verdachte tot het bedrag van € 750,- niet weersproken. Nu de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, kan deze worden toegewezen tot een bedrag van € 750,-. Eén en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door een mededader geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Het hof is van oordeel, dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in zijn vordering in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de (deels) in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aan verdachte zal daarnaast de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Benadeelde partij [benadeelde 11]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde 11], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd wegens immateriële schade als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Deze schade wordt door de benadeelde partij begroot op € 1.500,-.

De vordering is van de zijde van verdachte tot het bedrag van € 750,- niet weersproken. Nu de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, kan deze worden toegewezen tot een bedrag van € 750,-. Eén en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door een mededader geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Het hof is van oordeel, dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in haar vordering in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de (deels) in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aan verdachte zal daarnaast de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Benadeelde partij [benadeelde 8]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde 9]. van der [benadeelde 8], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd wegens immateriële schade als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Deze schade wordt door de benadeelde partij begroot op € 1.500,-.

De vordering is van de zijde van verdachte tot het bedrag van € 750,- niet weersproken. Nu de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, kan deze worden toegewezen tot een bedrag van € 750,-. Eén en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door een mededader geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Het hof is van oordeel, dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in zijn vordering in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de (deels) in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aan verdachte zal daarnaast de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Benadeelde partij [benadeelde 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat haar vordering in eerste aanleg is toegewezen, met uitzondering van de gevorderde wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich niet opnieuw gevoegd in het geding in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort, voor zover die vordering in eerste aanleg is toegewezen.

De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd wegens immateriële en materiële schade als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Deze schade wordt door de benadeelde partij begroot op € 750,- respectievelijk € 51,-.

Ten aanzien van de immateriële schade:

Van de zijde van verdachte is de vordering ten aanzien van de immateriële schade tot een bedrag van € 750,- niet weersproken. Nu de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, kan deze worden toegewezen tot een bedrag van € 750,-.

Ten aanzien van de materiële schade:

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 51,-, bestaande uit de reparatiekosten van haar horloge. Derhalve kan de vordering ten aanzien van de materiële schade, die het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, tot € 51,- worden toegewezen.

Het totaalbedrag dat wordt toegewezen komt hierdoor op € 801,-, één en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door een mededader geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aan verdachte zal daarnaast de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Benadeelde partij [benadeelde 10]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde 10], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd wegens immateriële en materiële schade als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Deze schade wordt door de benadeelde partij begroot op € 1.500,- respectievelijk € 665,-.

De vordering is van de zijde van verdachte ten aanzien van de immateriële schade tot het bedrag van € 750,- niet weersproken. Nu de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, kan deze worden toegewezen tot een bedrag van € 750,-. Eén en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door een mededader geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Het hof is van oordeel, dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in zijn vordering in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

bevestigt het vonnis waarvan beroep met aanvulling van gronden, met uitzondering van de strafoplegging, de beslissing ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen;

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor wat betreft de strafoplegging, de beslissing ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen en in zoverre opnieuw recht doende:

veroordeelt [verdachte] tot:

gevangenisstraf voor de duur van vier jaren;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van twee jaren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling, ook als dit inhoudt het volgen van een training Cognitieve Vaardigheden;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van zevenhonderdvijftig euro;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van zevenhonderdvijftig euro, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 3], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van zevenhonderdvijftig euro;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van zevenhonderdvijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3], [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 4], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van zevenhonderdvijftig euro;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van zevenhonderdvijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4], [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 5], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van zevenhonderdvijftig euro;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van zevenhonderdvijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 5], [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 6], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van zevenhonderdvijftig euro;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van zevenhonderdvijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 6], [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 11], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van zevenhonderdvijftig euro;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van zevenhonderdvijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 11], [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 8], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van zevenhonderdvijftig euro;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van zevenhonderdvijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 8], [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van achthonderdenéén euro;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van achthonderdenéén euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zestien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 10], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van zevenhonderdvijftig euro;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van zevenhonderdvijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 10], [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K.J. van Dijk, voorzitter, mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen als griffier.