Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ0366

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
24-000384-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verduistering in dienstbetrekking. Werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000384-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-600595-08

Arrest van 6 april 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 februari 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.A.C. van den Brink, advocaat te Almere.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en heeft een beslissing genomen over de inbeslaggenomen videoband, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke werkstraf van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof zal beslissen dat de inbeslaggenomen videoband wordt teruggegeven aan [bedrijf].

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij in of omstreeks de periode van 01 februari 2007 tot en met 04 mei 2007 in de gemeente [gemeente] opzettelijk meermalen een hoeveelheid geld (van in totaal circa 2000 euro), in elk geval telkens enig goed, dat/die telkens geheel of ten dele toebehoorde(n) aan het winkelbedrijf [bedrijf] (filiaal [straat]), in elk geval telkens aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte telkens uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als assistent filiaalmanager en/of verkoopchef (in opleiding), in elk geval telkens anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen

Op 9 mei 2007 doet mw. [getuige 1] namens de [bedrijf] bij de politie aangifte van verduistering in dienstbetrekking1. Zij verklaart bij de politie, zakelijk weergegeven, onder meer:

Ik ben werkzaam als filiaalmanager van [bedrijf] aan het [straat] te [plaats]. Onze verkoopleider was [verdachte].

Ik hoorde van een medewerkster van de klantenservice dat als zij pauze had haar werk werd overgenomen door [verdachte]. Deze medewerkster zag dan bonnen op de prikkers zitten en zag dat er geen tegenbonnen waren en dat de goederen die normaal in een bepaalde bak worden gelegd er niet lagen.

Bij de klantenservice hangt standaard een camera en deze opname op band heb ik opgestuurd naar het bureau dat dit voor ons heeft onderzocht.

Ik hoorde van dit bureau dat zij op de bandopnamen konden zien dat er bij de klantenservice geen klanten stonden en dus ook geen goederen retour werden gegeven en dat [verdachte] de retouren aansloeg bij de klantenservice.

Het bureau dat het onderzoek heeft geleid is met [verdachte] in gesprek gegaan hierover in het bijzijn van mij en P&O van [bedrijf]. [verdachte] gaf in dit gesprek toe dat hij retourbonnen had gemaakt van goederen die nooit retour waren gegeven en er waren uiteindelijk ook geen klanten geweest.

Ik zag via de bonnen dat dit al ongeveer 10 weken gaande was en op de dagen dinsdag en vrijdag dat ik niet aanwezig was. [verdachte] gaf zelf toe dat het ongeveer 300 euro op een dag was en dat hij totaal voor ongeveer voor 2000 euro bonnen had gemaakt van niet bestaande goederen en niet bestaande klanten. [verdachte] gaf tevens toe dat hij deze 2000 euro had weggenomen.

Op 15 november 2007 heeft [getuige 1] haar verklaring bij de politie aangevuld met, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende2:

U vraagt mij hoe het gesprek met [verdachte] ging. Hij gaf snel toe dat hij 2000 euro had verduisterd. Ik weet nog goed dat hij letterlijk zei dat het een weloverwogen actie was en dat er een kans was dat hij gepakt zou worden.

De onderzoeker van het bureau [bureau], de heer [getuige 2], heeft op 29 januari 2008 bij de politie, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende verklaard3:

Ik ben werkzaam als bedrijfsrechercheur bij [bureau] en ons bedrijf wordt ingehuurd door [bedrijf].

In samenspraak met mw. [getuige 1], filiaalmanager, en dhr. [verdachte], assistent filiaalmanager, werden wij ingeschakeld door [bedrijf] [plaats].

Op een gegeven moment werd mw. [getuige 1] benaderd door een medewerkster van de klantenservice die aangaf dat er na haar pauze altijd retourbonnen waren zonder dat er goederen in de retourbak lagen. Tevens gaf zij aan dat dhr. [verdachte] dan haar balie had overgenomen.

Mw. [getuige 1] heeft ons toen gevraagd om een onderzoek te doen zonder medeweten van dhr. [verdachte]. Vervolgens op 24 april 2007 zag ik op de videobeelden dat dhr. [verdachte] diverse malen retourbonnen aanmaakt op de kassa van de klantenservice zonder dat daarbij een klant dan wel een collega aanwezig is. Tevens heb ik van [bedrijf] hiervan de kassabonnen gekregen. De tijdstippen en het kassanummer corresponderen met de tijdstippen zoals te zien op de videobeelden van de klantenservice.

Ik heb samen met [getuige 3], personeelszaken [bedrijf], en mw. [getuige 1] een gesprek gevoerd met dhr. [verdachte]. Ik heb hem geconfronteerd met mijn bevindingen omtrent de video en de kassabonnen. Ik hoorde dat dhr. [verdachte] zei dat hij inderdaad zich schuldig had gemaakt aan verduistering. Hij gaf toe dat hij ongeveer 2000 euro weggenomen had uit de kassa van [bedrijf].

Naar aanleiding van het gesprek dat met verdachte [verdachte] is gevoerd op 4 mei 2007

- waar aangeefster [getuige 1] en getuige [getuige 2] in bovengenoemde verklaringen over verklaren -, heeft verdachte [verdachte] in aansluiting op dit gesprek een door van [getuige 2] opgestelde schriftelijke weergave van verdachtes verklaring ondertekend4. In deze verklaring staat, onder meer, het volgende:

Ik ben werkzaam bij [bedrijf] en ben sinds 1 februari 2006 werkzaam in het filiaal van [bedrijf] te [plaats].

Ik kan u zeggen dat ik een 'glijder' heb gemaakt op de klantenservicekassa door hier ten onrechte retourbonnen aan te maken. Ik nam de klantenservicekassa over in pauzetijden en op dagen dat met name de filiaalmanager er niet was en dan maakte ik op een verkoopdag in een korte tijd diverse retourbonnen aan met soms wel een totaalwaarde van € 300,--. Ik zeg u zelf dat dit in de achterliggende weken is gebeurd voor een maximaal bedrag van € 2000,--.

Tevens heeft verdachte in aansluiting op het gesprek een eigen, handgeschreven verklaring opgesteld met, onder meer, als inhoud5:

Hierbij verklaar ik binnen [bedrijf] [plaats] een bedrag van maximaal € 2.000 uit de klantenservicekassa ontvreemd te hebben. Dit is gedaan via retourbonnen. Niet nader te noemen omstandigheden hebben mij hiertoe gebracht.

Ik begrijp de gevolgen en de ernst hiervan.

Door verdachte is tegenover de politie en ter terechtzitting van het hof verklaart dat hij zich tijdens het gesprek waarin hij bekende onder druk gezet voelde. Hij zou zich niet goed hebben gevoeld en onder druk zijn gezet door de wijze waarop het gesprek werd gevoerd en zijn persoonlijke omstandigheden. Hij stelt onschuldig te zijn en te hebben gelogen toen hij bekende geld te hebben verduisterd van [bedrijf].

Het hof hecht geen waarde aan de latere verklaringen van verdachte dat hij onder druk gelogen heeft tegenover de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], dat hij eveneens onder druk de schriftelijke bekentenis heeft opgemaakt en ondertekend en dat hij onschuldig is. Getuige [getuige 1] heeft ter zitting van het hof verklaard dat verdachte in het gesprek heeft gezegd dat het een weloverwogen beslissing van hem was geweest om geld te verduisteren. Een dergelijke uitlating past niet bij een afgedwongen (onjuiste) bekennende verklaring. Ook het feit dat verdachte andere beschuldigingen aan zijn adres stellig is blijven ontkennen laat zich moeilijk rijmen met de stelling van verdachte dat hij onder druk een bekentenis heeft afgelegd. Het vorenstaande in aanmerking nemende is het hof ervan overtuigd dat verdachte in het gesprek met de getuigen [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 2] de waarheid heeft gesproken.

Op grond van voornoemde verklaringen van aangeefster [getuige 1], getuige [getuige 2] en de voornoemde schriftelijke bekennende verklaringen van verdachte6 is het hof van oordeel dat het de verdachte tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij in de periode van 01 februari 2007 tot en met 04 mei 2007 in de gemeente [gemeente] opzettelijk meermalen een hoeveelheid geld van in totaal circa 2000 euro, dat geheel toebehoorde aan het winkelbedrijf [bedrijf] (filiaal [straat]), en welke goederen verdachte telkens uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als assistent filiaalmanager en verkoopchef onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als verkoopchef van [bedrijf] gedurende een periode van 10 weken meermalen op slinkse wijze geld verduisterd van zijn werkgever. Door zijn strafbare gedrag heeft hij zowel het vermogensbelang als het vertrouwen van zijn werkgever geschaad.

Bij de strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 februari 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Ter terechtzitting van het hof is door de verdachte naar voren gebracht dat het op dit moment heel goed met hem gaat. Hij heeft een nieuwe baan als projectmanager en zijn partner is zwanger van hun eerste kind.

In eerste aanleg is door de politierechter aan verdachte een werkstraf van 100 uur waarvan 25 uur voorwaardelijk opgelegd. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat een werkstraf van 150 uur wordt opgelegd.

Na het vonnis van de politierechter d.d. 9 februari 2009 is inmiddels ruim 2 jaren verstreken. In deze tijd is verdachte niet weer in contact gekomen met de justitiële autoriteiten wegens strafbare gedragingen. Het hof ziet geen aanleiding meer om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een werkstraf van 75 uur een passende bestraffing is.

Teruggave

Het hof zal de teruggave gelasten aan de [bedrijf] van de in beslag genomen

VHS-videoband, TDK HS240 nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van vijfenzeventig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zevenendertig dagen zal worden toegepast;

gelast de teruggave aan [bedrijf] van:

VHS-videoband, TDK HS240.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Greve, voorzitter, mr. G. Dam en mr. L.T. Wemes, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier.