Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BQ0228

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-03-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
24-001142-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot moord. Dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan psychose sluit niet uit dat er sprake was van voorbedachte raad. OVAR en oplegging van TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001142-10

Parketnummer eerste aanleg: 07-607304-09

Arrest van 31 maart 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 april 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1962] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in Psych. Ziekenhuis De Gelderse Roos te Wolfheze,

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. M.J. van Essen, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis ontslagen van alle rechtsvervolging en heeft een maatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het primair ten laste gelegde (in de zin van poging tot moord) zal bewezen verklaren, verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging en haar de maatregel van TBS met verpleging zal opleggen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - conform de in eerste aanleg toegelaten wijziging van de tenlastelegging en de in eerste aanleg verbeterde lezing van de tenlastelegging - ten laste gelegd, dat:

zij op of omstreeks 23 oktober 2009 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] (haar, verdachte's, kind) (geboren op [2000]) van het leven te beroven, met dat opzet, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, de mond en de neus en/of hals(gebied) van die [slachtoffer] (met haar hand) heeft dichtgedrukt en/of (vervolgens) die [slachtoffer] met een mes, in elk geval met een dergelijk scherp voorwerp in de nek/hals, in elk geval in de kin/wang heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

zij op of omstreeks 23 oktober 2009 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, al dan niet met voorbedachte rade, aan een persoon genaamd [slachtoffer] (haar, verdachte's, kind) (geboren op [2000]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg de mond en de neus en/of hals(gebied) van die [slachtoffer] (met haar hand) heeft dichtgedrukt en/of (vervolgens) die [slachtoffer] met een mes, in elk geval met een dergelijk scherp voorwerp in de nek/hals, in elk geval in de kin/wang heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Overweging met betrekking tot het bewijs

Namens verdachte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit leed aan een psychose, zich niet verhoudt met de vaststelling dat sprake zou zijn van voorbedachte raad.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Voor bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' is vereist dat komt vast te staan dat de verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Ter terechtzitting van de rechtbank op 8 april 2010 heeft verdachte verklaard: "In de ochtend van 23 oktober 2009 werd ik wakker. Ik hoorde stemmen in mijn hoofd die mij zeiden dat ik mezelf dood moest maken. Ik wilde [slachtoffer] meenemen in de dood. Ik ben toen naar beneden gegaan, naar de keuken, en heb een mes gepakt. Vervolgens ben ik weer naar boven gegaan, naar de slaapkamer waar ik en [slachtoffer] sliepen. Ik heb in de slaapkamer mezelf in de buik gestoken, omdat ik dood wilde. Daarna heb ik [slachtoffer] gestoken met het mes."

Uit deze verklaring van verdachte leidt het hof af dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Anders dan door de raadsvrouw is betoogd, sluit de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit leed aan een psychose, waardoor - zo begrijpt het hof haar betoog - de keuzevrijheid van verdachte zodanig was aangetast dat het feit haar niet kan worden toegerekend, niet uit dat er sprake is van voorbedachte raad in hierboven bedoelde zin. Het hof verwerpt het verweer.

Het hof acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

zij op 23 oktober 2009 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, met voorbedachten rade [slachtoffer] (haar, verdachte's, kind) (geboren op [2000]) van het leven te beroven, met dat opzet, na kalm beraad en rustig overleg, de mond en de neus van die [slachtoffer] (met haar hand) heeft dichtgedrukt en vervolgens die [slachtoffer] met een mes in de wang heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

poging tot moord.

Strafbaarheid

Omtrent verdachtes persoon heeft in hoger beroep nieuw onderzoek plaatsgevonden. Hieromtrent is door R.A. Sterk, psycholoog, en H.A. Gerritsen, forensisch psychiater, beiden vast gerechtelijk deskundige, op 2 maart 2011 een pro justitiarapport opgemaakt.

In het rapport van deskundige Gerritsen wordt geconcludeerd dat er bij verdachte ten tijde van het plegen van het haar ten laste gelegde feit sprake was van een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens in de zin van een waanstoornis en een depressie. Het plegen van het ten laste gelegde kan - aldus Gerritsen - volledig verklaard worden op grond van de op dat moment aanwezige psychopathologie.

In het rapport van de deskundige Sterk wordt eveneens geconcludeerd dat er bij verdachte ten tijde van het plegen van het haar ten laste gelegde feit sprake was van een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens in de vorm van een waanstoornis. Voorts concludeert Sterk dat tevens sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een borderline persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Op het moment van het ten laste gelegde beheerste - aldus Sterk - de geconstateerde psychische problematiek haar belevingswereld zozeer dat verdachte zich aan de dwingende invloed hiervan niet kon onttrekken en zij haar wil op geen enkele manier in vrijheid kon bepalen.

Beide rapporteurs adviseren het hof om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

De hiervoor genoemde rapporteur Sterk heeft als deskundige ter zitting van het hof herhaald dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis op basis waarvan sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid.

Het hof neemt de conclusie van de rapporteurs over en maakt die tot de zijne. Met betrekking tot het bewezenverklaarde feit is verdachte derhalve niet strafbaar, zodat zij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Motivering van de op te leggen maatregel

Het hiervoor genoemde rapport van psychiater Gerritsen houdt onder meer het volgende in:

"De kans op herhaling van het plegen van het ten laste gelegde moet nog steeds als hoog worden getaxeerd. Er zijn diverse risicofactoren aanwezig, waarvan de psychopathologie de belangrijkste is. Hoewel de waanstoornis in enige mate lijkt te zijn verbleekt, is deze nog steeds grotendeels aanwezig. Naast de aanwezige waanstoornis is er vermoedelijk sprake van een zwakke (borderline) persoonlijkheidsorganisatie, een (in beschrijvende zin) borderline persoonlijkheidsstoornis en beperkte intellectuele capaciteiten.

Betrokkene is op geen enkele manier in staat om op een genuanceerde manier over het ten laste gelegde te praten, laat staan te onderzoeken wat haar aandeel in deze is geweest. Ze heeft vrijwel geen zicht op haar huidige functioneren en het functioneren gedurende haar leven. Evenmin heeft ze zicht op haar afhankelijkheid van anderen. (...) Ze lijkt nauwelijks in staat om zich zelf staande te houden in het dagelijkse leven. Betrokkene heeft een beperkt sociaal netwerk. (...)

De enige manier om het recidiverisico substantieel te verminderen is door de huidige behandeling (al dan niet op de Forensisch Psychiatrische Afdeling Kompas van de Gelderse Roos te Wolfheze) te continueren. Deze behandeling moet gericht worden op (indien haalbaar) uitbreiding van de diagnostiek (in het bijzonder intelligentieonderzoek en persoonlijkheidsonderzoek) en op behandeling van de waanstoornis en de vermoedelijk aanwezige zwakke (borderline) persoonlijkheidsorganisatie en in beschrijvende zin een borderline persoonlijkheidsstoornis, terwijl er rekening moet worden gehouden met de waarschijnlijk aanwezige beperkte intellectuele capaciteiten. Het enige juiste kader voor deze behandeling is het opleggen van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Onderzochte komt niet in aanmerking voor een art. 37-maatregel vanwege de maximale termijn van één jaar van deze maatregel: de behandeling van de psychopathologie duurt aanzienlijk langer. Evenmin (het hof begrijpt: eveneens) is een TBS met voorwaarden uitgesloten, omdat betrokkene zichzelf in het geheel niet als ziek beschouwd, het nut van behandeling niet inziet en alleen maar samen met haar dochter naar Londen wil. Het grote gevaar blijft bestaan dat zij wederom een poging doet om haar dochter om het leven te brengen als zij op vrije voeten komt. De patstelling voor de behandeling is vermoedelijk dat het herstel van onderzochte substantieel samenhangt met het al dan niet mogen zien van haar dochter, die voor haar van wezenlijk belang is."

De bevindingen en adviezen in eerdergenoemd rapport van psycholoog Sterk komen in grote lijnen overeen met die van Gerritsen.

Naast beide hiervoor genoemde rapporten, heeft het hof rekening gehouden met de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 11 januari 2010 en kennis genomen van de Pro Justitia rapportages van psycholoog Koenraadt en psychiater Van Os d.d. 17 januari 2010.

Voorts heeft het hof acht geslagen op hetgeen de huidige behandelaars van verdachte, psycholoog Spronk en maatschappelijk werker Bressers, beiden werkzaam bij de Gelderse Roos in Wolfheze, ter terechtzitting van het hof van 17 maart 2011 hebben verklaard over de huidige situatie van verdachte.

Uit de hiervoor genoemde gedragsdeskundige rapporten komt naar voren dat verdachte een gebrek aan ziektebesef en -inzicht heeft. De deskundigen hebben uiteindelijk geadviseerd aan verdachte de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege op te leggen.

Gebleken is dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en dat de feiten haar niet kunnen worden toegerekend, terwijl het door haar gepleegde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Gelet hierop en voorts in aanmerking genomen dat de kans op herhaling zonder adequate behandeling groot moet worden geacht, is het hof - met de advocaat-generaal - van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de maatregel van terbeschikkingstelling eist. Die veiligheid van anderen eist tevens dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd. Een klinische behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden of in een ander voorwaardelijk kader dan wel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis is gelet op bovengenoemde gedragskundige rapporten voor verdachte geen reële mogelijkheid.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte als voormeld primair ten laste gelegde bewezen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

kwalificeert hetgeen is bewezenverklaard als hiervoor vermeld en verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte echter niet strafbaar en ontslaat haar van alle rechtsvervolging;

gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier.