Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP9914

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
01-04-2011
Zaaknummer
200.075.075
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie, draagkracht man die in AWBZ instelling verblijft

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.075.075

(zaaknummer rechtbank 110074 / FA RK 10-353)

beschikking van de familiekamer van 15 maart 2011

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. E.D. Breuning ten Cate te Almelo,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. S.L. Geeraths te Almelo.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Almelo van 25 augustus 2010, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 29 september 2010, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vrouw verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen op € 790,84 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanig bedrag dat het hof redelijk acht, zulks met ingang van 25 augustus 2010, althans met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht, kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 november 2010, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek ongegrond te verklaren, althans een zodanige beschikking te wijzen als het hof juist acht, kosten rechtens.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 15 februari 2010 plaatsgevonden. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De man is niet verschenen. Namens hem is zijn advocaat verschenen.

2.4 Ter mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man verklaard dat de man met toestemming van zijn bewindvoerder aan de rechter om wijziging van de hoogte van zijn onderhoudsverplichting heeft verzocht, ten bewijze waarvan zij een kopie van de e-mail van 2 maart 2010 van de praktijk van de bewindvoerder van de man overgelegd, waaruit blijkt dat de procedure in eerste aanleg door de bewindvoerder is goedgekeurd.

2.5 Desgevraagd heeft de advocaat van de vrouw ter mondelinge behandeling meegedeeld dat hij ermee bekend is dat de man met toestemming van zijn bewindvoerder procedeert en dat hij instemt met overlegging van de e-mail zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op dit bericht.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 29 december 1967 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 30 januari 2008 heeft de rechtbank Almelo echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 20 mei 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Bij voormelde echtscheidingsbeschikking is de beslissing ten aanzien van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw aangehouden. Bij beschikking van 16 april 2008 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud dient te betalen van € 349,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3.3 Bij beschikking van 31 maart 2009 heeft dit hof de beschikking van de rechtbank van 16 april 2008 vernietigd en bepaald dat de man in de periode van 20 mei 2008 tot 1 september 2008 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 481,67 per maand dient te betalen en met ingang van 1 september 2008 van € 790,84 per maand.

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Almelo op 17 maart 2010, heeft de man - met toestemming van de hierna te noemen bewindvoerder - verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat zijn bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2010, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans met ingang van een datum die de rechtbank juist acht, op nihil vast te stellen, althans op een zodanig bedrag dat de rechtbank juist acht.

3.5 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de beschikking van dit hof van 31 maart 2009 gewijzigd in die zin dat de man vanaf 1 januari 2010 aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van € 237,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Ten aanzien van de man

3.6 De man, geboren op [geboortedatum] 1946, is alleenstaand. Hij verblijft in een verpleeghuis van de Zorggroep [...] te [woonplaats]. De man ontvangt een uitkering op grond van de WAO/WIA. Blijkens de jaaropgave van het UWV heeft de man in 2009 een WAO/WIA uitkering ontvangen van € 18.922,-. Blijkens de uitkeringsspecificatie van januari 2010 ontvangt de man een WAO/WIA uitkering van € 1.055,97 netto per maand, te vermeerderen met 5% vakantietoeslag.

3.7 De kantonrechter heeft bewind ingesteld over de goederen van de man met benoeming van J. Ligtermoet tot bewindvoerder.

3.8 De door de rechtbank vastgestelde en niet betwiste lasten van de man bedragen per maand:

- € 44,50 aan ziektekosten in 2010:

- € 92,50 premie basisverzekering ZVW,

- € 14,- eigen risico,

verminderd met de zorgtoeslag van € 62,-;

- € 80,55 aan kosten verpleeghuis;

- € 25,- aan taxikosten;

- € 125,- aan zakgeld.

Ten aanzien van de vrouw

3.9 De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1948, is alleenstaand.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Uit het onder 2.4 genoemde e-mailbericht blijkt dat het verzoekschrift in eerste aanleg met toestemming van de bewindvoerder van de man is ingediend. Het hof gaat er daarom van uit dat het verzoek van de man mede is ingediend namens de voornoemde bewindvoerder.

4.2 De man betwist niet dat behoefte bestaat aan een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, zodat die behoefte in rechte vaststaat.

4.3 De vrouw stelt dat de man dient in te teren op zijn vermogen en dat zijn draagkracht hoger dient te worden vastgesteld dan de rechtbank heeft gedaan. De man betwist dat.

4.4 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.6 en 3.7 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.5 Voor het vaststellen van de draagkracht neemt het hof tot uitgangspunt de aanbeveling in het rapport Alimentatienormen juli 2010 van de werkgroep Alimentatienormen voor die gevallen waarin een onderhoudsplichtige verpleegd wordt in een instelling die voldoet aan de bepalingen van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en waarvoor een eigen bijdrage AWBZ is verschuldigd. Omdat de eigen bijdrage wordt vastgesteld met eerbiediging van rechterlijke alimentatiebeslissingen, wordt de draagkracht aldus berekend dat het netto inkomen van de onderhoudsplichtige uitsluitend wordt verminderd met zijn in die situatie noodzakelijke lasten, zonder rekening te houden met de AWBZ-bijdrage. Onder de noodzakelijke lasten valt dus niet de bijstandsnorm (de alimentatieplichtige heeft in een dergelijk geval immers geen kosten voor huisvesting en verzorging), maar wel bijvoorbeeld de kosten van kleding en ontspanning die de verpleegde zelf moet betalen.

4.6 Degene die in een AWBZ-instelling wordt verpleegd en een eigen bijdrage AWBZ moet betalen, dient volgens de bepalingen op grond waarvan de eigen bijdrage wordt vastgesteld in ieder geval te kunnen beschikken over zak- en kleedgeld ten bedrage van (in 2011) € 292,57 per maand. Het hof zal ambtshalve daarmee rekening houden, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de man geacht wordt van genoemd bedrag het door hem opgevoerde zakgeld en de taxikosten te betalen.

4.7 De vrouw stelt dat de man dient in te teren op zijn vermogen en dat hij inzichtelijk dient te maken hoeveel rente hij over zijn vermogen ontvangt. Daartegenover heeft de man gesteld dat aan zijn zijde thans nog een vermogen resteert van € 26.054,06. De vrouw heeft de hoogte van dit vermogen niet betwist. Het hof is van oordeel dat, gezien het relatief geringe vermogen in combinatie met het eveneens relatief lage inkomen van de man, van hem niet gevergd kan worden dat hij daar op inteert. Daarentegen houdt het hof wel rekening met rente-inkomsten uit het vermogen van de man en acht een jaarrendement van 2,2% gelet op de gemiddelde rentestanden in 2009 en 2010 redelijk. Uitgaande van voornoemd vermogen en jaarrendement becijfert het hof de rente-inkomsten uit vermogen op € 573,19 per jaar. Gezien het heffingsvrij vermogen van thans € 20.661,- per jaar en een forfaitair rendement van 4% dient de man volgens het vaste tarief (van 30%) € 65,- aan inkomstenbelasting over voornoemde rente-inkomsten te betalen. Dat betekent dat de rente-inkomsten van de man € 508,19 netto per jaar, dus € 42,35 netto per maand, bedragen.

4.8 Het hof hanteert als ingangsdatum 1 april 2010, de eerste dag van de maand volgend op de datum van indiening van het oorspronkelijke verzoekschrift door de man, nu geen aanleiding bestaat een andere ingangsdatum te hanteren. De vrouw was vanaf het moment van indienen van het verzoekschrift door de man op de hoogte van de mogelijkheid dat de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zou worden verlaagd, zodat zij vanaf dat moment daarmee rekening had kunnen houden.

4.9 Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties van een en ander heeft de man met ingang van 1 april 2010 draagkracht voor een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 681,- per maand.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen en te beslissen als volgt.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Almelo van 25 augustus 2010 en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van dit hof van 31 maart 2009 en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 april 2010 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 681,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Loo, M.L. van der Bel en J.G. Luiten, bijgestaan door mr. M. Ligtenberg-Vastenholt als griffier, en is op 15 maart 2010 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.