Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP9908

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
200.004.760
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2007:BB2024, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling nalatenschappen. Uitleg legaatsclausule in testament.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.004.760

(zaaknummer rechtbank 110426)

arrest van de vierde civiele kamer van 22 maart 2011

inzake

1. [appellant sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [appellante sub 4],

wonende te [woonplaats],

5. [appellante sub 5],

wonende te [woonplaats],

6. [appellante sub 6],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. A.F.M. van Vlijmen,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.W. Kobossen.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 16 juni 2004, 2 maart 2005, 7 december 2005, 12 april 2006, 15 augustus 2007 en 20 februari 2008 (hierna: eindvonnis) die de rechtbank Arnhem tussen appellanten (hierna ook gezamenlijk te noemen: de broers en zussen) als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en geïntimeerde (hierna: [geïntimeerde]) als eiser in conventie, gedaagde in reconventie heeft gewezen. Van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 De broers en zussen hebben bij exploot van 25 maart 2008 [geïntimeerde] aangezegd van die vonnissen in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben de broers en zussen acht grieven tegen het tussenvonnis van 2 maart 2005, één grief tegen het tussenvonnis van 7 december 2005, één grief tegen het tussenvonnis van 12 april 2006, twee grieven tegen het tussenvonnis van 15 augustus 2007 en twee grieven tegen het eindvonnis van 20 februari 2008 aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht.

Zij hebben gevorderd dat het hof, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad,

(i) de tussenvonnissen van 2 maart 2005, 7 december 2005, 12 april 2006, 15 augustus 2007 en het eindvonnis, in conventie en reconventie tussen partijen gewezen, zal vernietigen behoudens voor zover de broers en zussen hebben aangegeven dat zij zich met het oordeel van de rechtbank kunnen verenigen voor welk deel de broers en zussen bekrachtiging vorderen,

(ii) zal vernietigen dan wel nietig zal verklaren, de akte van scheiding en deling welke onder protest tot gehoudenheid, tussen partijen is verleden op 23 juli 2008 behoudens voor zover in die akte artikelen zijn opgenomen waarvan de broers en zussen hebben aangegeven dat zij zich met de inhoud daarvan kunnen verenigen, en

(iii) opnieuw rechtdoende in hoger beroep:

inzake nalatenschap [betrokkene A]:

A) [geïntimeerde] zal veroordelen aan de broers en zussen te betalen, ter zake van de verkoop van Artikel 2 / Object 10 - Boxmeer [...] -, een bedrag van € 285.767,82 met de wettelijke rente daarover vanaf 22 september 2008 tot de dag der algehele voldoening;

B) Voor recht zal verklaren:

1) dat de legaatclausule uit het testament van [betrokkene B.] niet op de Boedel [betrokkene A.] van toepassing is; subsidiair [geïntimeerde] zal veroordelen tot de inbreng van een bedrag gelijk aan de wettelijke rente, dan wel een samengestelde rente van 3,5% per jaar vanaf 20 februari 1999 tot en met 23 juli 2008, welk bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2008 tot de dag der inbreng, over de bedragen van Artikel 1: € 1.384,50, Artikel 2:

€ 12.244,50, Artikel 3: € 1.121,75 en Artikel 9: € 29.510,-. Artikel 12: € 4.874,-;

2) dat bij de verdeling uitgegaan dient te worden van de waarden in vrij opleverbare staat per april 2005 behoudens voor Artikel 3 / Object 11 en Artikel 4 / Object 14 waarvoor de waarde per april 2005 in verpachte staat geldt;

3) dat de Boedel [betrokkene A.] toegedeeld dient te worden op basis van 1/2 [geïntimeerde], 1/4 de Boedel Beugen en 1/4 de Gemeenschap Lottum;

C) De verdeling van de nalatenschap van de Boedel [betrokkene A.] opnieuw zal vaststellen, conform de spreadsheet "Vorderingen toedeling Boedel [betrokkene A.]", waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast is te beschouwen, onder benoeming van een notaris (Mr P.F. Heuff), met opdracht aan die notaris om de alsdan door het hof vastgestelde verdeling op te nemen in een notariële akte van verdeling, met veroordeling van [geïntimeerde] om aan het verlijden van die akte mee te werken, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat [geïntimeerde] daarmee in gebreke zal zijn, daarbij [geïntimeerde] tevens zal veroordelen in de kosten van deze nieuwe akte en overdrachtsbelasting waar die verschuldigd zou zijn, en tot schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 juli 2008, op te maken bij staat en te vereffen volgens de wet, zoals hiervoor aangegeven, ingeval [geïntimeerde] aan enige uit die verdeling voortvloeiende verplichting niet kan voldoen,

voorts met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan de onderbedeelde partij / de broers en zussen van het bedrag waarmede hij in de verdeling overbedeeld wordt, met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juli 2008 tot de dag der algehele voldoening;

D) [geïntimeerde] zal veroordelen aan de broers en zussen te betalen de kosten verbonden aan het verlijden van de akte van 23 juli 2008, te weten € 1.273,86, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2008;

E) [geïntimeerde] zal veroordelen om aan de broers en zussen te voldoen de extra kosten van de deskundigen voor het vaststellen van het bietenquotum in prima ad € 582,36 en € 434,35, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2008;

F) [geïntimeerde] zal veroordelen om aan de broers en zussen te betalen een bedrag van € 11.961,28 - Artikel 11 / Object 21 - te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2008;

G) [geïntimeerde] zal veroordelen aan de broers en zussen te betalen de bedragen per jaar vanaf 1990, in totaal € 22.354,73, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf elk jaar dat [geïntimeerde] de betaling had dienen te verrichten over het dat jaar te betalen bedrag tot de dag der algehele voldoening;

inzake nalatenschap van [betrokkene B.]:

H) [geïntimeerde] zal veroordelen aan de broers en zussen te voldoen de wettelijke rente over de waarde van de registergoederen welke onder het legaat vallen, subsidiair een samengestelde rente van 3,5% per jaar vanaf 20 februari 1999 tot en met 23 juli 2008, voormeld bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2008 tot de dag der algehele voldoening;

I) [geïntimeerde] zal veroordelen aan de broers en zussen te voldoen een rente van 3,5% over de bedragen van Artikel 10 ad € 110.843,- respectievelijk Artikel 11 ad € 4.160,- en Artikel 12 ad € 2.042,- (Boedel Beugen) vanaf 1 mei 2008 tot en met 23 juli 2008, voormeld bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2008;

J) Ten aanzien van de nota van mr. Rieter voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde] gehouden is 2/3 van de kosten van nota Rieter ten behoeve van de Boedel Beugen te voldoen en voorts [geïntimeerde] zal veroordelen aan de broers en zussen te voldoen een bedrag van € 17.450,60 met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juli 2008;

K) Ten aanzien van het bietenquota [geïntimeerde] zal veroordelen aan de broers en zussen te voldoen de wettelijke rente, subsidiair een samengestelde rente van 3,5% vanaf 28 februari 1999 tot de dag der betaling over een bedrag van € 6.459,-;

L) Ten aanzien van huis Oeffelt [geïntimeerde] zal veroordelen te betalen, telkens met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2008, navolgende bedragen, zijnde de rente ad 4% over de periode 1 mei 2008 tot en met 23 juli 2008, vermeerderd met de wettelijke rente:

- aan [appellant sub 3] een bedrag van € 454,09;

- aan [appellant sub 1] een bedrag van € 353,26;

- aan [appellante sub 4] een bedrag van € 252,34;

- aan Boedel Lottum een bedrag van € 390,44;

Algemeen

M) [geïntimeerde] zal bevelen ten kantore van de advocaat van de broers en zussen te deponeren en wel voor de duur van drie maanden, zulks binnen twee weken na betekening van het te dezen te wijzen arrest op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde] daarmede in gebreke zal zijn, de fotoalbums van [betrokkene C.], [betrokkene D.] en [betrokkene B.], alsmede de losse familiefoto's, een album uit de Boedel [betrokkene A.], alsmede de volledige boekhouding en administratie van de Boedel [betrokkene A.] en de Boedel Beugen;

N) [geïntimeerde] zal veroordelen aan de broers en zussen te voldoen de schade die zij lijden en geleden hebben doordat zij door toedoen van [geïntimeerde] aan het verlijden van de akte van 23 juli 2008 dienden mee te werken, voornoemde schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juli 2008,

met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof de door de broers en zussen bestreden vonnissen zal bevestigen en bekrachtigen, eventueel onder aanvulling en verbetering van de gronden, alles met veroordeling van de broers en zussen in de kosten van beide instanties, althans met compensatie van kosten.

2.4 Ter zitting van 16 augustus 2010 hebben partijen de zaak doen bepleiten, de broers en zussen door mr. Van Vlijmen voornoemd, advocaat te Arnhem, en [geïntimeerde] door mr. Kobossen voornoemd, advocaat te Nijmegen. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

Mr. Van Vlijmen heeft op 11 augustus 2010 aan het hof zes producties gezonden.

Mr. Kobossen heeft bezwaar gemaakt tegen het zo laat in het geding brengen van deze producties. Hij heeft daarbij tevens gewezen op de brief van de griffier van het hof van 4 juni 2010 waarin is bepaald dat nagezonden stukken uiterlijk op de vierde werkdag vóór de datum van het pleidooi moeten worden overgelegd. Hij heeft niet behoorlijk kunnen kennisnemen van deze stukken binnen de beschikbare tijd, heeft deze stukken niet met zijn cliënt kunnen bespreken en heeft zich niet kunnen voorbereiden op een verweer daartegen.

Het hof heeft geconstateerd dat deze producties uit 2007 of 2008 dateren, behoudens een brief van 1 mei 2010. Mr. Van Vlijmen heeft onvoldoende gemotiveerd waarom deze stukken niet eerder in het geding konden worden gebracht. Ook is de termijn genoemd in voornoemde brief van de griffier overschreden. Het hof heeft verder geconstateerd dat de zes producties die mr. Van Vlijmen in het geding wenst te brengen niet kort en eenvoudig zijn te doorgronden. Het hof heeft daarom besloten mede gelet op het bezwaar van mr. Kobossen geen acht te slaan op die producties.

2.5 Ter zitting van 16 augustus 2010 heeft mr. Van Vlijmen de eis genoemd onder 2.2 onder G verminderd in die zin dat de broers en zussen betaling vorderen van een bedrag van € 15.500,97. Deze eisvermindering is op grond van artikel 129 Rv mogelijk.

2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan vast de door de rechtbank vastgestelde feiten in rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.7 in het tussenvonnis van 2 maart 2005. Omwille van de leesbaarheid van dit arrest geeft het hof deels in aanvulling daarop de voor de beoordeling relevante feiten hierna weer.

3.2 Dit geschil betreft de afwikkeling van een tweetal nalatenschappen waarin partijen gerechtigd zijn. Het betreft de nalatenschap van hun oud-tante van moederszijde [betrokkene A.] (hierna: [betrokkene A.]), en de nalatenschap van hun tante aan moederszijde [betrokkene B.] (hierna: [betrokkene B.]).

3.3 Partijen zijn daarnaast nog gerechtigd in de nalatenschap van hun vader [betrokkene E.] die op 19 december 1995 is overleden en hun moeder [betrokkene F.], die op 21 februari 1997 is overleden. Bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch is een procedure tussen partijen over de verdeling van de nalatenschappen van hun ouders aanhangig.

3.4 [betrokkene A.], die is overleden op 1 februari 1955, heeft ingevolge haar testament van

29 maart 1949 als enige erfgenamen van haar nalatenschap achtergelaten de vier kinderen van haar zuster (…), ieder voor een vierde deel. Dat zijn:

1. [betrokkene C.], oom van partijen van moederszijde (hierna: [betrokkene C.]);

2. [betrokkene D.], tante van partijen van moederszijde (hierna: [betrokkene D.]);

3. [betrokkene B.], tante van partijen van moederszijde (hierna: [betrokkene B.]);

4. [betrokkene F.], de moeder van partijen.

3.5 Na het overlijden van [betrokkene A.] is haar nalatenschap onverdeeld gebleven. Partijen duiden de nalatenschap van [betrokkene A.] aan als de Boedel [betrokkene A.].

3.6 [betrokkene C.] is op 18 januari 1992 overleden en heeft ingevolge zijn testament van 11 april 1980 [geïntimeerde] als zijn enige erfgenaam heeft achtergelaten.

3.7 [betrokkene D.] is op 28 februari 1998 overleden en heeft ingevolge haar testament van 28 januari 1992 [geïntimeerde] als haar enige erfgenaam achtergelaten.

3.8 [betrokkene B.] is op 20 januari 1967 overleden en heeft ingevolge haar testament van 19 januari 1966 partijen samen en voor gelijke delen, als enige erfgenamen van haar nalatenschap achtergelaten. Zij heeft verder in haar testament het volgende legaat gemaakt aan [geïntimeerde]:

“II. Ik legateer:

1. het vruchtgebruik van mijn nalatenschap aan mijn broer [betrokkene C.] en mijn zuster [betrokkene D.], gezamenlijk en voor gelijke aandelen en

2. de blote eigendom van het onroerend goed gelegen onder de gemeente Boxmeer en Wanroy aan mijn neef [geïntimeerde] te Beugen, onder verplichting om binnen een jaar na het eindigen van gemeld vruchtgebruik in mijn nalatenschap in te brengen een bedrag gelijk aan de landbouwkundige waarde dier goederen, vast te stellen door drie deskundigen, te benoemen door belanghebbenden en bij geschil te benoemen door de heer kantonrechter van het kanton, waaronder Beugen ressorteert (…)”

3.9 Na het overlijden van [betrokkene B.] is haar nalatenschap onverdeeld gebleven. Tot de nalatenschap van [betrokkene B.] behoort het onverdeeld een vierde aandeel in de nalatenschap van [betrokkene A.]. Partijen duiden de nalatenschap van [betrokkene B.] aan als de Boedel Beugen.

3.10 De ouders van partijen zijn gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. De vader van partijen is op 19 december 1995 overleden en heeft ingevolge zijn testament van 13 juli 1992 de moeder van partijen en partijen als zijn enige erfgenamen achtergelaten, ieder voor een gelijk deel. Bij notariële akte van 31 december 1996 zijn alle onroerende zaken die tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorden, waaronder het een vierde onverdeeld aandeel van de moeder van partijen in de onroerende zaken die behoren tot de nalatenschap van [betrokkene A.] toegedeeld aan de nalatenschap van de vader van partijen. Partijen duiden de nalatenschap van hun vader aan als de Gemeenschap Lottum.

3.11 De moeder van partijen is op 21 februari 1997 overleden en heeft ingevolge haar testament van 13 juli 1992 partijen als haar enige erfgenamen achtergelaten, ieder voor een gelijk deel. Partijen duiden de nalatenschap van hun moeder aan als de Boedel Lottum.

3.12 De rechtbank heeft bij haar vonnis van 20 februari 2008 de verdeling van de nalatenschappen van [betrokkene A.] en [betrokkene B.] vastgesteld overeenkomstig een ontwerp van de notariële akte van verdeling opgemaakt door mr. P.F. Heuff, notaris te Arnhem, partijen veroordeeld bij te dragen in de kosten van de deskundigenberichten, de proceskosten gecompenseerd, de beslissingen inzake de vaststelling van de verdeling en de bijdrage in de deskundigenberichten uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.13 Op 23 juli 2008 is ten overstaan van de genoemde notaris mr. P.F. Heuff de akte van boedelbeschrijving en verdeling van de nalatenschappen van [betrokkene A.] en [betrokkene B.] overeenkomstig het voormelde ontwerp verleden. Deze akte wordt hierna aangeduid als de akte van verdeling.

3.14 De nalatenschap van [betrokkene A.] bestond op het moment van verdeling uit negen onroerende zaken gelegen in Boxmeer, Beugen, Linden en Vierlingsbeek. Deze onroerende zaken zijn in de akte van verdeling nader omschreven als artikel 1 tot en met artikel 9. Partijen duiden deze onroerende zaken in hun processtukken ook aan als objecten gevolgd door een cijfer. Met de artikelen 1-9 corresponderen telkens de objecten met het volgende cijfer 1=9, 2=10, 3=11, 4=14, 5=15, 6=16, 7=17, 8=18 en 9=19. De nalatenschap van [betrokkene A.] bevatte verder een vordering op [geïntimeerde] (artikel 10) en een vordering op de broers en zussen (artikel 11) alsmede bietenquota (artikel 12 en 13). In de akte van verdeling is vastgesteld dat de nalatenschap van [betrokkene A.] toebehoort aan:

- [geïntimeerde] voor de onverdeelde helft als enig erfgenaam van [betrokkene C.] en [betrokkene D.];

- voor het een vierde onverdeeld gedeelte aan partijen, ieder voor een zevende onverdeeld aandeel als erfgenamen van [betrokkene B.] onder de last van het onder 3.8 omschreven legaat;

- voor een vierde onverdeeld gedeelte aan partijen, ieder voor een zevende onverdeeld aandeel, op grond van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van de ouders van partijen en het overlijden van hun moeder.

In de akte van verdeling is verder vastgesteld dat aan [geïntimeerde] acht veertiende gedeelte van het saldo van het te verdelen vermogen toekomt en aan de broers en zussen ieder een veertiende gedeelte.

Alle onroerende zaken en de bietenquota zijn toegedeeld aan [geïntimeerde] onder de verplichting wegens overbedeling aan de broers en zussen een bedrag van in totaal € 254.445,80 of aan ieder van hen € 42.407,63 te betalen.

3.15 De nalatenschap van [betrokkene B.] bestond op het moment van verdeling uit negen onroerende zaken gelegen in Beugen, Heyen en Oeffelt. Deze onroerende zaken zijn in de akte van verdeling nader omschreven als artikel 1 tot en met artikel 9. Partijen duiden deze onroerende zaken in hun processtukken ook aan als objecten gevolgd door een cijfer. Met de artikelen 1-9 corresponderen telkens de objecten met het volgende cijfer 1=2, 2=3, 3=4, 4=5, 5=6, 6=7, 7=8, 8=12 en 9=13. De nalatenschap van [betrokkene B.] bevatte verder een drietal vorderingen op [geïntimeerde], te weten een vordering wegens verkoop van het woonhuis aan de [adres] (artikel 10), een vordering wegens verkoop van een perceel bouwland in Boxmeer (artikel 11) en een vordering zoals vermeld in de boedelbeschrijving van de boedel [betrokkene A.] onder artikel 10 (artikel 12). De nalatenschap van [betrokkene B.] bevatte voorts een vordering op de broers en zussen wegens hun aandeel in de nota van notariskantoor Hekkelman, Terheggen en Rieter te Nijmegen (artikel 13) en bietenquota (artikel 14). De nalatenschap bevatte ten slotte schulden aan (1) [...] (appellant sub 3), (2) [...] (appellant sub 1), (3) [...] (appellante sub 4), (4) partijen samen als erfgenamen van hun moeder, (5) Notariskantoor Hekkelman, Terheggen en Rieter en (6) [geïntimeerde].

In de akte van verdeling is vastgesteld dat aan ieder van partijen een zevende gedeelte van het saldo van het te verdelen vermogen toekomt.

De onroerende zaken aangeduid als artikel 1 tot en met artikel 7, de bietenquota en de vorderingen ten laste van hemzelf zijn toegedeeld aan [geïntimeerde] onder de verplichting de onder 4, 5 en 6 genoemde schulden over te nemen en om wegens overbedeling aan de broers en zussen een bedrag van in totaal € 242.703,38 te betalen. Aan de broers en zussen zijn de onroerende zaken aangeduid als artikel 8 en 9 en de vordering ten laste van henzelf toegedeeld onder de verplichting de onder 1, 2 en 3 genoemde schulden over te nemen.

3.16 Tot de nalatenschap [betrokkene A.] behoorde een als artikel 2/object 10 aangeduid perceel bouwland, gelegen nabij de Hogeweg/Boxmeerseweg te Beugen, kadastraal bekend als gemeente Boxmeer [...], groot 4 hectaren, 8 aren en vijftien centiaren. [geïntimeerde] heeft deze onroerende zaak op 22 juli 2008 met meer onroerende zaken verkocht aan PROPER-STOK BV voor een koopprijs van € 2.398.882,-. Deze onroerende zaak is bij de akte van verdeling op 23 juli 2008 toegedeeld aan [geïntimeerde] tegen een waarde van € 119.384,25. Bij notariële akte van 22 september 2008 heeft [geïntimeerde] ter uitvoering van deze koopovereenkomst deze onroerende zaken geleverd aan de gemeente Boxmeer die de contractspositie van PROPER-STOK BV jegens [geïntimeerde] heeft overgenomen.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Nu de broers en zussen noch in de appeldagvaarding noch in de memorie van grieven gronden voor het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 16 juni 2004 hebben aangevoerd en dus de vordering in hoger beroep niet naar de eis van de wet met redenen is omkleed, zullen zij niet-ontvankelijk worden verklaard in dat hoger beroep.

4.2 De grieven van de broers en zussen komen – kernachtig weergegeven – neer op het volgende:

I. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat alle boedels in één keer konden worden afgewikkeld en daarom heeft de rechtbank ten onrechte geen, althans een verkeerde volgorde van verdeling van de Boedel [betrokkene A.] en de Boedel Beugen aangehouden. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte alle onroerende zaken uit de Boedel [betrokkene A.] aan [geïntimeerde] toebedeeld.

II. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de onroerende zaken uit de Boedel [betrokkene A.] onder de legaatclausule vallen, zoals vermeld in het testament van [betrokkene B.]. In het verlengde daarvan heeft de rechtbank ten onrechte voor een aantal zaken een verkeerde waarderingsmaatstaf aangelegd en/of is van een verkeerde waardering uitgegaan.

III. De rechtbank heeft ten onrechte geen (wettelijke) rente toegekend over de door [geïntimeerde] in te brengen waarden van de onder de legaatclausule vallende onroerende goederen, welke rente vanaf 28 februari 1999 verschuldigd is.

IV. De rechtbank heeft ten onrechte de verkeerde verdeelsleutel toegepast ten aanzien van de nota voor de werkzaamheden van notaris mr. Rieter.

V. De rechtbank heeft de kosten van de deskundigen met betrekking tot de vaststelling van het melk- en bietenquotum ten onrechte niet volledig ten laste van [geïntimeerde] gebracht.

Daarnaast vermeerderen de broers en zussen hun eis in hoger beroep. [geïntimeerde] voert gemotiveerd verweer.

Wijze van verdelen en afwikkelen van de Boedel [betrokkene A.] en de Boedel Beugen

4.3 Met de grieven II, IX en X betogen de broers en zussen dat de rechtbank ten onrechte alle onroerende zaken uit de Boedel [betrokkene A.] aan [geïntimeerde] heeft toebedeeld. Zij heeft daarbij ten onrechte geoordeeld dat de broers en zussen geen aanspraak hebben gemaakt op toedeling van onroerende zaken. [geïntimeerde] voert gemotiveerd verweer.

4.4 Het hof oordeelt als volgt. Voor zover de erfgenamen over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, gelast op vordering van de meest gerede partij de rechter de wijze van verdeling of stelt hij zelf de verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang (zie artikel 3:185 lid 1 BW).

4.5 [geïntimeerde] voert gemotiveerd aan dat hij alle onroerende zaken behorende tot de Boedel [betrokkene A.] toebedeeld wenst te krijgen nu deze onroerende zaken in de nabijheid van het door hem geëxploiteerde boerenbedrijf liggen dan wel aan hem of zijn onderneming zijn verpacht. Voorts heeft hij als erfgenaam van [betrokkene C.] en [betrokkene D.] hun aandeel in de Boedel [betrokkene A.] verkregen waardoor hij ook op die grond meer belang heeft bij toedeling van de onroerende zaken van de Boedel [betrokkene A.].

4.6 Het betoog van de broers en zussen in eerste aanleg komt erop neer:

- dat de objecten 14, 15, 17, 18 en 19 aan de Boedel Beugen moeten worden toebedeeld, waarna de broers en zussen deze onroerende zaken aan zich wensen toebedeeld te krijgen. Van toedeling van object 14 zien de broers en zussen later weer af;

- dat de objecten 9, 10 en 11 aan de Gemeenschap Lottum moeten worden toebedeeld, waarbij zij ook kunnen instemmen met verkoop van object 10;

- dat zij, nadat toedeling aan de Boedel Beugen heeft plaatsgevonden, aanspraak maken op de objecten 14, 15, 17, 18 en 19 (oorspronkelijk toebehorend aan de Boedel [betrokkene A.]) en de objecten 12 en 13 uit de Boedel Beugen.

Elke deelgerechtigde in de Boedel [betrokkene A.] heeft volgens de broers en zussen recht op toedeling van de onroerende zaken ter waarde van ieders deelgerechtigdheid. [geïntimeerde] mag daarom tot de helft van de waarde van de Boedel [betrokkene A.] onroerende zaken toebedeeld krijgen, de Boedel Beugen onroerende zaken tot een vierde van de totale waarde van de Boedel [betrokkene A.] en de Gemeenschap Lottum eveneens tot een vierde van de totale waarde van de Boedel [betrokkene A.]. In hoger beroep handhaven zij dit standpunt. Zij maken deels aanspraak op andere objecten, althans de verdeling van objecten over de Boedel Beugen en de Gemeenschap Lottum wijkt enigszins af van het betoog in eerste aanleg (productie 10 bij memorie van grieven).

4.7 Het hof is van oordeel dat partijen niet alleen dienen te stellen welke onroerende zaken zij toebedeeld wensen te krijgen, maar ook welk belang zij bij toedeling hebben. In het licht van het betoog van [geïntimeerde] en de door hem gestelde belangen kunnen de broers en zussen niet volstaan met de niet nader toegelichte stelling dat zij toedeling wensen, omdat zij ook recht hebben op toedeling in natura. Nu gesteld noch gebleken is welk belang de broers en zussen bij toedeling hebben, ziet het hof niet in dat zij een groter belang bij toedeling zouden hebben dan [geïntimeerde].

4.8 De broers en zussen betwisten dat de onroerende zaken van de Boedel [betrokkene A.], anders dan de onroerende zaken van de Boedel Beugen, tot het boerenbedrijf van [geïntimeerde] behoren dan wel in de nabijheid van het boerenbedrijf liggen. Zo dit al juist zou zijn, doet dat niet af aan de andere door [geïntimeerde] gestelde belangen. De broers en zussen betwisten niet dat een aantal onroerende zaken van de Boedel [betrokkene A.] aan [geïntimeerde] of diens onderneming zijn verpacht. Daaruit kan worden afgeleid dat hij al dan niet in het kader van zijn onderneming de grond thans feitelijk in gebruik heeft. Daarmee heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof een belang bij toedeling van die onroerende zaken. Dat die pachtrelatie enkel bestaat om te voorkomen dat bij de verdeling problemen zouden rijzen indien de verpachting aan derden zou plaatsvinden, ziet het hof niet in. Ook al is het niet zo dat een verpachte onroerende zaak zonder meer toegedeeld dient te worden aan de pachter/deelgenoot, het bestaan van een pachtrelatie kan in dit geval wel als een belang worden meegewogen bij de verdeling.

4.9 Voor zover het betoog van de broers en zussen erop neer komt dat toedeling van de onroerende zaken via de Gemeenschap Lottum of de Boedel Beugen moet plaatsvinden, verwerpt het hof dat betoog. De onroerende zaken in de Boedel [betrokkene A.] zijn toegedeeld aan [geïntimeerde] als een van de deelgenoten in die boedel, zodat toedeling daarvan aan het onverdeeld aandeel dat partijen samen als erfgenamen van [betrokkene B.] of als rechtsopvolgers onder algemene titel van hun ouders in de boedel [betrokkene A.] hebben alleen daarom al niet meer aan de orde is. Evenmin bestaat er een rechtsregel waaruit zou voortvloeien dat partijen alvorens zij de Boedel [betrokkene A.] kunnen verdelen, eerst de Boedel Beugen of de Gemeenschap Lottum moeten verdelen, inclusief het daarin vervatte een vierde onverdeeld aandeel in de Boedel [betrokkene A.].

4.10 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hof de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de Boedel [betrokkene A.] en van de Boedel Beugen zal bekrachtigen, nu [geïntimeerde] voldoende gemotiveerd stelt bij die toedeling belang te hebben en de broers en zussen daartegenover geen belang, althans geen zwaarder wegend belang, aanvoeren. Dit oordeel behoeft nuancering wat betreft de onder 3.16 nader omschreven onroerende zaak, bij partijen als object 10 (Boxmeer [...], hierna: object 10) bekend staande onroerende zaak van de Boedel [betrokkene A.]. Het hof zal daarop hierna nader ingaan.

4.11 Met grief II voeren de broers en zussen tevens aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Boedel [betrokkene A.] en de Boedel Beugen in een keer kunnen worden afgewikkeld. Hierdoor heeft de rechtbank ten onrechte geen, althans een verkeerde volgorde van verdeling van de Boedel [betrokkene A.] en de Boedel Beugen aangehouden. Volgens hen dient eerst de Boedel [betrokkene A.] te worden verdeeld alvorens de omvang van de Boedel Beugen kan worden vastgesteld en de Boedel Beugen kan worden verdeeld. [geïntimeerde] voert aan dat het standpunt van de broers en zussen materieel tot dezelfde uitkomst leidt als de vaststelling van de verdeling door de rechtbank.

4.12 Het hof overweegt als volgt. De verdeling van de Boedel [betrokkene A.] heeft plaatsgehad tussen alle deelgenoten, waarbij het aandeel van zowel [geïntimeerde] als van de broers en zussen in de Boedel [betrokkene A.] is bepaald aan de hand van hun gerechtigdheid in de Boedel Beugen en de Gemeenschap Lottum en voor [geïntimeerde] daarnaast nog op grond van de omstandigheid dat hij enig erfgenaam is van [betrokkene C.] en [betrokkene D.]. Doordat alle onroerende zaken die behoren tot de Boedel [betrokkene A.] aan [geïntimeerde] zijn toebedeeld, is een vordering wegens overbedeling ontstaan ten laste van [geïntimeerde] en ten behoeve van de andere deelgenoten in de Boedel [betrokkene A.], te weten de broers en zussen. Er geen regel die voorschrijft dat bij de verdeling van de Boedel [betrokkene A.] eerst dient te worden bepaald dat [geïntimeerde] een deel van de met deze vordering corresponderende schuld dient te voldoen aan de Boedel Beugen en dat deze vordering wegens overbedeling vervolgens moet worden opgenomen onder het actief van de Boedel Beugen en in de verdeling van de Boedel Beugen moet worden betrokken. Niets staat eraan in de weg bij de verdeling van de Boedel [betrokkene A.] te bepalen dat [geïntimeerde] wegens overbedeling een bedrag dient uit te keren aan zijn broers en zussen, de overige deelgenoten in de Boedel [betrokkene A.], waarbij hun deelgerechtigdheid is bepaald met inachtneming van hun deelgerechtigdheid in de Boedel Beugen en de Gemeenschap Lottum. Met [geïntimeerde] oordeelt het hof dat het per saldo voor ieders aanspraak ook niets uitmaakt welke manier van verdelen wordt gekozen. In zoverre faalt grief II ook.

4.13 De broers en zussen betogen daarnaast dat het oordeel van de rechtbank leidt tot partiële verdeling van de Gemeenschap Lottum nu zij als deelgerechtigden tot die gemeenschap gelden ontvangen. De verdeling van deze gemeenschap ligt voor aan de rechtbank ’s-Hertogenbosch, zodat de rechtbank daarover geen beslissing mocht nemen. [geïntimeerde] voert verweer.

4.14 Het hof volgt de broers en zussen daarin niet. Er is naar het oordeel van het hof geen sprake van een partiële verdeling van de Gemeenschap Lottum. In de akte van verdeling is de Boedel [betrokkene A.] verdeeld, waarbij tevens is bepaald welke betalingen [geïntimeerde] wegens overbedeling dient te doen aan de andere deelgenoten in deze gemeenschap, waarbij, zoals hiervoor al is overwogen, het aandeel van zowel [geïntimeerde] als van de broers en zussen in de Boedel [betrokkene A.] is bepaald aan de hand van hun gerechtigdheid in de Boedel Beugen en de Gemeenschap Lottum en voor [geïntimeerde] daarnaast nog op grond van de omstandigheid dat hij enig erfgenaam is van [betrokkene C.] en [betrokkene D.]. Zij ontvangen deze gelden dan ook als deelgenoten in de Boedel [betrokkene A.] en niet als deelgenoten in de Gemeenschap Lottum. Dat de verdeling van de Boedel [betrokkene A.] tot gevolg heeft dat tot de Gemeenschap Lottum niet meer behoort het onverdeeld aandeel in de Boedel [betrokkene A.] betekent niet dat er een (partiële) verdeling van de Gemeenschap Lottum heeft plaatsgehad.

4.15 Het voorgaande leidt ertoe dat de grieven II, IX (voor zover deze niet ziet op de hierna te bespreken legaatclausule) en X falen en niet tot vernietiging leiden van de bestreden vonnissen. Voor zover de broers en zussen bezwaren hebben tegen de door de rechtbank gehanteerde waarden van de onroerende zaken en de uitleg van de legaatclausule verwijst het hof naar de behandeling van de overige grieven.

Uitleg legaatclausule en de hoogte van de inbrengverplichting

4.16 Met de grieven III, IV en IX komen de broers en zussen op tegen de door de rechtbank gegeven uitleg van de legaatclausule in het testament van [betrokkene B.], zoals aangehaald in 3.8. Die uitleg komt erop neer dat de onroerende zaken uit de Boedel [betrokkene A.] onder de reikwijdte vallen van de legaatclausule. Dit heeft gevolgen voor de waardering van de onroerende zaken en dientengevolge de hoogte van de overbedelingsvordering.

4.17 Bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Dit thans in art. 4:46 lid 1 BW vervatte uitlegvoorschrift, dat blijkens art. 68a Overgangswet Nieuw BW onmiddellijke werking toekomt, gold ook reeds onder het oude erfrecht (HR 22 januari 1965, NJ 1966, 177 en HR 3 december 2004, NJ 2005, 58). Ten aanzien van de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, merkt het hof op dat beide partijen ervan uitgaan dat het testament van [betrokkene B.] indertijd in de haast is opgesteld en dat er geen dossier meer voorhanden is waaruit kan blijken hoe dit testament tot stand is gekomen.

4.18 Het betoog van de broers en zussen komt op het volgende neer. De legaatclausule is alleen geschreven voor gronden die [betrokkene B.] op het moment van verlijden van het testament zelf in haar bezit had en die bij het boerenbedrijf in gebruik waren. Het doel van het testament was onder meer dat het boerenbedrijf met de daarbij behorende landbouwgronden intact bleef. Om dat doel te bereiken legateerde [betrokkene B.] de landbouwgronden aan [geïntimeerde]. Op grond daarvan verkreeg [geïntimeerde] de onroerende zaken (de landbouwgronden) in eigendom, maar hoefde hij slechts tegen landbouwkundige waarde in te brengen. Verder strekt de bevoordeling van [geïntimeerde] niet. De clausule strekt zich dus niet uit over het onverdeeld aandeel van [betrokkene B.] in de onroerende zaken van de Boedel [betrokkene A.]. In het testament van [betrokkene B.] wordt over haar gerechtigdheid in die boedel niets vermeld. De gronden van de Boedel [betrokkene A.] waren in 1967, het jaar waarin [betrokkene B.] overleed, ook niet in gebruik bij [geïntimeerde] of het boerenbedrijf.

Ingeval het hof van oordeel is dat de legaatclausule zich wel uitstrekt over het onverdeelde aandeel van [betrokkene B.] in de Boedel [betrokkene A.] voeren de broers en zussen subsidiair aan dat de legaatclausule alleen dan geldt voor zover uit de Boedel [betrokkene A.] onroerende zaken (gelegen in de gemeente Boxmeer en Wanroy) aan de Boedel Beugen worden toebedeeld.

4.19 [geïntimeerde] voert aan dat de onroerende zaken gelegen in de gemeentes Boxmeer en Wanroy en toebehorend tot de Boedel [betrokkene A.] wel degelijk onder de legaatclausule vallen. Hij schetst daarbij de feitelijke gang van zaken in het verleden. Toen [betrokkene B.] ziek werd, hebben [betrokkene C.] en [betrokkene D.] hem gevraagd om onmiddellijk in te springen en mee te helpen bij de exploitatie van het boerenbedrijf. Hij is vanaf 1959 tot 1967 werkzaam geweest in dat boerenbedrijf. Hij ontving geen salaris, maar slechts een beperkt bedrag aan zakgeld en daarnaast kost en inwoning. Vanaf 1967, toen hij trouwde, kwam hij op de loonlijst. In den beginne heeft uitgebreid familieberaad plaatsgevonden waaraan hijzelf, de ouders van [geïntimeerde], [betrokkene B.], [betrokkene D.] en [betrokkene C.] deelnamen. Er is toen afgesproken (hetgeen in de loop der tijd is herhaald) dat de exploitatie van het boerenbedrijf niet toeliet dat [geïntimeerde] reëel beloond zou worden. Als honorering voor zijn jarenlange inspanningen zouden [betrokkene C.], [betrokkene D.] en [betrokkene B.] zorgen dat bij hun overlijden alles naar [geïntimeerde] zou gaan, zodat [geïntimeerde] het boerenbedrijf zou kunnen blijven exploiteren en daaruit inkomsten zou kunnen verwerven, aldus [geïntimeerde]. [geïntimeerde] is daarom ook enig erfgenaam van [betrokkene C.] en [betrokkene D.]. Het legaat opgenomen in het testament van [betrokkene B.] heeft duidelijk de bedoeling om [geïntimeerde] te bevoordelen boven de broers en zussen nu [geïntimeerde] de onroerende zaken gelegen in de gemeentes Boxmeer en Wanroy verkrijgt en in ruil daarvoor slechts de landbouwkundige waarde hoeft in te brengen. Het testament dateert van 1966, op welk moment [geïntimeerde] al zes jaar aan het hoofd van het bedrijf stond. De gronden die behoren tot de Boedel [betrokkene A.] worden via het boerenbedrijf gelegen in de gemeente Boxmeer, direct en indirect, via verpachting landbouwkundig geëxploiteerd. Materieel vormen de gronden onderdeel van het bedrijf en directe exploitatie vindt plaats voor de gronden die in of in de directe omgeving liggen van de gemeentes Boxmeer en Wanroy.

4.20 Het hof oordeelt als volgt. De broers en zussen betwisten niet dat [geïntimeerde] een belangrijke rol heeft gespeeld bij de exploitatie van het boerenbedrijf en zij hebben onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de legaatclausule onder meer is opgenomen vanwege zijn inspanningen voor het boerenbedrijf. Uit de gang van zaken in het verleden blijkt duidelijk dat de oom en tantes de bedoeling hadden om te zorgen dat [geïntimeerde] het boerenbedrijf kon voortzetten. Daarin past immers dat [geïntimeerde] enig erfgenaam van [betrokkene C.] en [betrokkene D.] is. Ook de tekst van de legaatclausule onderstreept die bedoeling, in aanmerking genomen de omstandigheden ten tijde van het maken van deze uiterste wilsbeschikking. De bevoordeling van [geïntimeerde] is erin gelegen dat hij de onroerende zaken in eigendom verkrijgt en slechts de landbouwkundige waarde hoeft in te brengen. Dat partijen voor het overige voor gelijke delen erfgenamen in de nalatenschap van [betrokkene B.] zijn, doet hieraan niet af.

4.21 Op 1 februari 1955 is [betrokkene A.] overleden en is haar nalatenschap (de Boedel [betrokkene A.]) opengevallen. [betrokkene B.] was deelgerechtigde in die boedel. Het was haar bij het bij het verlijden van haar testament bekend, althans behoorde bekend te zijn, dat zij een aandeel had in de Boedel [betrokkene A.], die voor het belangrijkste deel bestond uit onroerende zaken. Het hof volgt de broers en zussen niet in hun betoog dat de legaatclausule geen betrekking heeft op de onroerende zaken van de Boedel [betrokkene A.] waarop [betrokkene B.] als erfgenaam van wijlen [betrokkene A.] aanspraak kon maken, nu dit niet uitdrukkelijk is vermeld in het testament. Niet is gebleken dat [betrokkene B.] de werking van de legaatclausule heeft willen beperken tot onroerende zaken die zij volledig in eigendom had. De tekst van de legaatclausule bevat geen enkele beperking en spreekt in algemene zin van “het onroerend goed gelegen onder de gemeente Boxmeer en Wanroy”. Gelet op de bedoeling [geïntimeerde] in staat te stellen het boerenbedrijf te blijven exploiteren, ziet het hof niet in dat de legaatclausule alleen de onroerende zaken die volledig in eigendom toebehoren aan [betrokkene B.] zou bevatten en niet ook haar onverdeeld aandeel in onroerende zaken van de Boedel [betrokkene A.].

4.22 Concluderend komt het hof tot het oordeel dat ook de onroerende zaken uit de Boedel [betrokkene A.], althans het onverdeeld aandeel van [betrokkene B.] daarin, onder de legaatclausule vallen, met uitzondering van de burgerhuizen waarvan tussen partijen in hoger beroep al vaststond dat de legaatclausule daarop geen betrekking heeft. Anders dan de broers en zussen betogen, is het hof van oordeel dat ten aanzien van de onroerende zaken die behoren tot de Boedel [betrokkene A.] met de legaatclausule rekening dient te worden gehouden aldus dat [geïntimeerde] bij een/vierde deel daarvan (zijnde het onverdeeld aandeel van [betrokkene B.] daarin) de landbouwkundige waarde en bij drie vierde deel de economische waarde van die onroerende zaken in de nalatenschap dient in te brengen. Aldus wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat de legaatclausule ziet op het onverdeeld aandeel van [betrokkene B.] in de onroerende zaken van de Boedel [betrokkene A.] en wordt de legaatclausule niet verder toegepast dan waartoe deze strekt. Dit betekent dat de grieven III en IV falen.

4.23 Daarnaast is tussen partijen in geschil voor hoeveel de reeds verkochte onroerende zaken moeten worden ingebracht. De rechtbank heeft (samengevat weergegeven) geoordeeld dat het testament niet vermeldt dat in geval van verkoop voor het einde van het vruchtgebruik de inbrengplicht wijzigt van agrarische waarde in economische waarde. Mede gezien de onzekere duur van het vruchtgebruik achtte de rechtbank het niet voor de hand liggen dat [betrokkene B.] heeft bedoeld dat de omvang van de inbreng zou kunnen wisselen, afhankelijk van de omstandigheden ten tijde van het einde van het vruchtgebruik. Voor zover de onroerende zaken dus zijn verkocht, maar wel onder het legaat vielen, geldt ook voor die objecten inbreng tegen landbouwkundige waarde, aldus de rechtbank. De broers en zussen komen hier tegen op met de grieven IV, V, VI en IX. De broers en zussen stellen dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid indien [geïntimeerde] kan volstaan met inbreng tegen de landbouwkundige waarde, maar wel de economische waarde heeft ontvangen. In het geval van verkoop van de onroerende zaak is sprake van discontinuïteit en dient [geïntimeerde] de economische waarde in te brengen, aldus de broers en zussen. [geïntimeerde] onderschrijft het oordeel van de rechtbank.

4.24 Dit geschilpunt beperkt zich tot de door partijen aangeduide objecten 1, 20, 21 en 22. Niet in geschil is dat deze objecten of tot de Boedel Beugen (objecten 1 en 22) of tot de Boedel [betrokkene A.] (objecten 20 en 21) behoorden. De tekst van het legaat biedt voor de door de broers en zussen beoogde uitleg geen aanknopingspunten. Deze objecten vielen, nu zij waren gelegen in de gemeente Boxmeer, onder de legaatclausule. Het feit dat de objecten zijn verkocht, al dan niet met instemming van [geïntimeerde], doet niet af aan de werking van het legaat dan wel heeft niet tot gevolg dat [geïntimeerde]s rechten uit hoofde van de legaatclausule komen te vervallen. Dat zou ook op gespannen voet staan met de bedoeling van de legaatclausule. Er bestaat geen aanwijzing dat de werking van de legaatclausule is uitgespeeld in het geval van door de broers en zussen gestelde discontinuïteit. Voor het overige hebben de broers en zussen onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die de door hen voorgestane uitleg ondersteunen. [geïntimeerde] dient daarom voor die goederen de landbouwkundige waarde in te brengen, ook al heeft hij wellicht de economische waarde ontvangen. Het hof acht het voorgaande in de gegeven omstandigheden, mede gelet op het feit dat een legaat nu eenmaal begunstigend van aard is, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

4.25 De rechtbank heeft in haar vonnis van 2 maart 2005 bepaald dat voor zover de verkoopopbrengst van voornoemde objecten 1, 20, 21 en 22 niet is gestort op een gemeenschappelijke rekening [geïntimeerde] met ingang van 28 februari 1999 een redelijke rente moet vergoeden en heeft die in redelijkheid bepaald op 3,5%. In de akte van verdeling is deze bepaling nader uitgewerkt. Er is niet gebleken van verzuim, aldus de rechtbank (rechtsoverweging 3.13 van het tussenvonnis van 2 maart 2005). De broers en zussen komen hiertegen op en stellen dat [geïntimeerde] heeft nagelaten de opbrengst direct op een boedelrekening te storten en daarmee het verzuim is gegeven. [geïntimeerde] betwist dit.

4.26 De grief is op dit punt niet helder geformuleerd. Kennelijk betogen de broers en zussen dat [geïntimeerde] al vanaf het moment dat hij de verkoopopbrengst onder zich kreeg rente is verschuldigd en niet pas met ingang van 28 februari 1999 en dat hij al op het moment dat hij de opbrengst ontving in verzuim was. Het hof stelt voorop dat verzuim intreedt, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft (artikel 6:82 lid 1 BW). Niet is gesteld of gebleken dat hiervan sprake is dan wel dat [geïntimeerde] op grond van artikel 6:83 BW zonder ingebrekestelling in verzuim is komen te verkeren.

4.27 De grieven IV, V, VI en IX (in zoverre) falen. Hetzelfde lot treft grief X.

Waardering

4.28 De broers en zussen stellen dat de objecten 17 en 19 ten onrechte in verpachte staat zijn gewaardeerd (grief VIII). Voor object 17 heeft de pachter aangegeven het object te laten liggen. Voor object 19 geldt dat er wel sprake is van een pachtovereenkomst, maar dat de pachter reeds jaren in Nieuw Zeeland verblijft en de pachtsom door zijn broer wordt betaald. Aldus is geen sprake van reële pacht. Voor beide objecten moet rekening worden gehouden met de vrije waarden. [geïntimeerde] voert aan dat op de voor de waardering geldende peildatum wel sprake was van pachtovereenkomsten.

4.29 Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat op de peildatum voor de waardering van deze objecten geen sprake was van geldige pachtovereenkomsten. Dat de pachtsom door een derde wordt betaald, doet niet af aan het bestaan en de afdwingbaarheid van de rechten en verplichtingen uit die pachtovereenkomst en geeft geen aanleiding te veronderstellen dat sprake is van een schijnconstructie, zoals de broers en zussen hebben betoogd. Ook een toezegging van de pachter dat hij de grond vrij van pacht ter beschikking zal stellen zodra hij een verzoek daartoe krijgt, zoals de broers en zussen hebben betoogd tijdens het pleidooi in hoger beroep, doet niet af aan het bestaan van de pachtovereenkomst. Bij de waardering van deze objecten is dus terecht uitgegaan van verpachte staat. Hun betoog dat ook voor een aantal andere objecten moet worden gerekend met een waarde vrij van pacht is niet nader gemotiveerd en het hof gaat daarom daaraan voorbij.

4.30 Ten aanzien van de waardering en in het verlengde van grief VIII betogen de broers en zussen dat tot een andere waardering van de onroerende zaken in de Boedel [betrokkene A.] moet worden gekomen. Hun betoog bouwt voort op de stelling dat die onroerende zaken niet onder de legaatclausule vallen. Aangezien deze stelling reeds is verworpen en zij voor het overige geen nadere motivering geven van hun standpunt, verwerpt het hof ook deze stelling. De broers en zussen geven geen nadere onderbouwing van hun stelling dat moet worden uitgegaan van de waarde per april 2005. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat zij geen grieven hebben gericht tegen rechtsoverweging 3.2 van het tussenvonnis van 2 maart 2010. Daarin is bepaald: “Partijen zijn het er over eens dat de peildatum voor de waardering de datum van de levering van het betreffende object zal zijn en dat voor de reeds verkochte zaken de datum verkoop geldt. Voor de gelegateerde onroerende zaken geldt als peildatum voor de inbreng de waarde ten tijde van het einde van het vruchtgebruik 28 februari 1998.”.

4.31 Grief VIII is dus ten onrechte opgeworpen en faalt. Daarom zal het hof het onder B.2 gevorderde (zie hiervoor onder 2.2) afwijzen.

Rente

4.32 Met grief XI betogen de broers en zussen dat de rechtbank ten onrechte geen rente heeft toegewezen over de door [geïntimeerde] in te brengen waarde van de gelegateerde goederen. Zij vorderen vergoeding van de wettelijke rente vanaf 28 februari 1999 tot 23 juli 2008 (de dag dat de akte van verdeling is verleden) over de inbrengsom met betrekking tot de gelegateerde goederen en subsidiair een samengestelde rente van 3,5%, althans een zodanige rente als het hof in goede justitie zal oordelen. [geïntimeerde] diende uiterlijk een jaar na het overlijden van [betrokkene D.] in te brengen, dus uiterlijk op 28 februari 1999, hetgeen hij heeft nagelaten zodat hij in verzuim is met het voldoen aan deze verplichting. [geïntimeerde] heeft ook als enige de volledige beschikking gehad over de onroerende zaken, zodat [geïntimeerde] door geen enkele rentevergoeding te betalen ongerechtvaardigd is verrijkt dan wel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij geen rente hoeft te betalen, aldus de broers en zussen. De broers en zussen verwijzen daarbij naar de door notaris mr. P.F. Heuff opgeworpen vraag om ook voor de onroerende zaken uit de Boedel [betrokkene A.] een samengestelde rente van 3,5% te rekenen, zoals ook over de opbrengst van de reeds verkochte onroerende zaken. Daarnaast wijzen zij erop dat er geen enkele actualisatie van de waarde heeft plaatsgevonden.

4.33 [geïntimeerde] voert verweer. Volgens [geïntimeerde] bestaan er geen gronden voor toekenning van rente. De broers en zussen hebben daar nimmer aanspraak op gemaakt en partijen hebben daarover ook geen afspraken gemaakt. Door de houding van de broers en zussen heeft [geïntimeerde] pas op 23 juli 2008 de onroerende zaken geleverd gekregen.

4.34 Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van de legaatclausule op [geïntimeerde] een inbrengverplichting rust. Nu [betrokkene D.] op 28 februari 1998 overleed ([betrokkene C.] was toen al overleden) diende [geïntimeerde] op 28 februari 1999 in te brengen. Vaststaat dat [geïntimeerde] niet heeft gevraagd om afgifte van het legaat en dat de erfgenamen ook niet (eigener beweging) zijn overgegaan tot afgifte van het legaat. In de akte van verdeling zijn de gelegateerde goederen uiteindelijk aan [geïntimeerde] toegedeeld en is bepaald dat [geïntimeerde] in dat verband aan de broers en zussen een bedrag wegens overbedeling moet betalen, waarbij wel rekening is gehouden met de bestaande verplichting tot afgifte van dat legaat. Doordat het legaat niet is afgegeven, is er ook nooit een verplichting tot inbreng van [geïntimeerde] ontstaan, zodat hij alleen daarom al geen rente is verschuldigd.

4.35 Ook om andere redenen kan de door de broers en zussen gevorderde wettelijk rente niet worden toegewezen. Wettelijke rente is ingevolge artikel 6:119 lid 1 BW verschuldigd over de periode dat de schuldenaar met de voldoening van een geldsom in verzuim is. Verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft (artikel 6:82 lid 1 BW). Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] in verzuim is komen te verkeren. Het enkel verstrijken van de termijn van een jaar, zoals bepaald in de legaatclausule, is daartoe ook onvoldoende.

4.36 Ook ziet het hof geen grond om anderszins rente over de inbreng toe te wijzen. In het testament van [betrokkene B.] is niet bepaald dat een dergelijke verplichting op [geïntimeerde] rust. Voorts is gesteld noch gebleken dat partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] rente over zijn inbreng verschuldigd zou zijn. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, ziet het hof niet in waarom [geïntimeerde] ongerechtvaardigd zou zijn verrijkt door geen rentevergoeding te betalen. De onroerende zaken vallen onder het legaat en gesteld noch gebleken is dat de broers en zussen in het verleden aanspraak hebben gemaakt op een vergoeding van rente dan wel dat zij [geïntimeerde] hebben gesommeerd om de waarde van de gelegateerde zaken in te brengen. [geïntimeerde] brengt nog naar voren dat de broers en zussen (gedeeltelijk) hebben geparticipeerd in de opbrengsten van de gelegateerde onroerende zaken en verwijst naar productie 13 bij memorie van grieven. De broers en zussen betwisten niet dat zij inderdaad gedeeltelijk hebben geparticipeerd in de opbrengsten en erkennen dat in ieder geval een vierde van de opbrengst door partijen werd gedeeld. De stelling van de broers en zussen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde] geen rente hoeft te vergoeden is, mede voornoemde stelling van [geïntimeerde] in aanmerking genomen, evenmin voldoende gemotiveerd. Het feit dat [geïntimeerde] niet om afgifte van de gelegateerde onroerende zaken heeft verzocht, is daarvoor onvoldoende. De broers en zussen geven in dat verband ook zelf aan dat altijd is gesproken over een algehele verdeling van de boedels. Dat geen enkele actualisatie van de waarde is bevolen, maakt dat oordeel ook niet anders. Grief XI faalt.

Nota van notaris mr. Rieter

4.37 Grief VII is gericht tegen rechtsoverweging 3.11 van het tussenvonnis van 2 maart 2005 waarin de rechtbank (kort gezegd) heeft overwogen dat [geïntimeerde] een derde van de kosten van mr. Rieter dient te voldoen en de overige erfgenamen twee derde van de kosten. De broers en zussen stellen dat vaststaat dat de werkzaamheden van mr. Rieter grotendeels bestonden in een reconstructie van het vruchtgebruik ten behoeve van [betrokkene C.] en verdere werkzaamheden met betrekking tot de Boedel [betrokkene A.]. De nota van mr. Rieter zou volgens hen daarom moeten worden verdeeld als volgt: twee derde van het bedrag komt ten laste van [geïntimeerde] en een derde komt ten laste van hen. Daarnaast ziet een deel van het voorschot, namelijk ten bedrage van NLG 3.518,- op een andere kwestie en kan dus niet verrekend worden met de nota van mr. Rieter. Subsidiair voeren zij aan dat [geïntimeerde] slechts kan verrekenen met een bedrag van € 4.825,52 en niet met een bedrag van € 6.875,70. [geïntimeerde] voert gemotiveerd verweer.

4.38 Over de betreffende nota is gecorrespondeerd. Het hof verwijst naar de correspondentie van mr. A. Rieter en prof. mr. M.J.A. van Mourik overgelegd als producties 3 en 5 bij de inleidende dagvaarding, producties 1 en 2 bij conclusie van antwoord in reconventie en producties 7 en 8 bij antwoordconclusie na deskundigenbericht van 20 juni 2007. In het licht van die correspondentie is het hof van oordeel dat de broers en zussen niet duidelijk hebben gemaakt dat de door hen geformuleerde verdeelsleutel de juiste is of redelijker is dan de door de rechtbank gehanteerde verdeelsleutel, waarbij geldt dat [geïntimeerde] geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld op dit punt. [geïntimeerde] verweert zich onvoldoende tegen de stelling dat een deel van het voorschot, namelijk ten bedrage van NLG 3.518,- op een heel andere kwestie ziet en daarom niet kan worden verrekend. In zoverre slaagt grief VII, voor het overige faalt de grief. In de akte van verdeling (p. 26 en 27) is opgenomen dat [geïntimeerde] een bedrag van € 14.899,72 dient te voldoen in verband met de nota van mr. Rieter. Hij kan dit verrekenen met de reeds door hem betaalde voorschotten van € 21.775,42, zodat hij per saldo een bedrag van € 6.875,70 ontvangt, te vermeerden met rente van 3,5% vanaf 28 februari 1999 tot en met mei 2008, zijnde € 2.550,88. In totaal ontvangt [geïntimeerde] een bedrag van € 9.426,58. Zoals geoordeeld, kan [geïntimeerde] het bedrag van NLG 3.518,- (zijnde € 1.596,-) niet verrekenen, zodat hij dit bedrag aan de broers en zussen dient te voldoen, welk bedrag in lijn met de akte van verdeling moet worden vermeerderd met 3,5% per jaar vanaf 28 februari 1999 tot en met de dag van betaling. Aldus zal worden bepaald.

Bietenquotum

4.39 De broers en zussen richten grief XIV tegen rechtsoverweging 6 van het eindvonnis waarin is bepaald dat ieder van partijen dient bij te dragen in de kosten van de deskundigenberichten in de verhoudingen zoals in de verschillende tussenvonnissen is bepaald met betrekking tot de voorschotten. Zij stellen dat de deskundigen extra werk (nadere berekeningen) moesten verrichten, omdat [geïntimeerde] pas laat in de procedure informatie verstrekte over de melk- en bietenquota. [geïntimeerde] voert aan dat het alleen gaat om een bedrag van € 5.300,- voor het bietenquotum en dat de deskundigen geen extra werkzaamheden hebben verricht, omdat die werkzaamheden hoe dan ook hadden moeten worden uitgevoerd, ook al had [geïntimeerde] de informatie eerder verstrekt.

4.40 De grief faalt. Niet valt in te zien dat alle kosten ten laste van [geïntimeerde] moeten worden gebracht. Het hof stelt vast dat de quota hoe dan ook gewaardeerd dienden te worden. In hoeverre sprake is van extra werkzaamheden ten opzichte van de werkzaamheden die in elk geval moesten worden uitgevoerd voor de waardering van die quota maken de broers en zussen niet duidelijk. Mocht het al zo zijn dat door de proceshouding van [geïntimeerde] de benodigde informatie voor de waardering pas in een laat stadium beschikbaar was, dan doet dat niet eraan af dat (mede) op basis van die informatie tot een waardering moest worden gekomen. Niet gebleken is dat de deskundigen daardoor extra werkzaamheden hebben verricht.

4.41 De vordering tot veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het deskundigenbericht voor het vaststellen van het bietenquotum zal daarom worden afgewezen (zie 2.2 onder E). Daarnaast vorderen de broers en zussen dat [geïntimeerde] wettelijke rente dan wel samengestelde rente van 3,5% dient te voldoen over het bedrag van € 6.459,- (zie 2.2 onder K). Deze vordering is niet nader onderbouwd, zodat deze reeds op die grond zal worden afgewezen. Daarnaast verwijst het hof naar hetgeen het heeft overwogen ten aanzien van grief XI, hetgeen ook leidt tot afwijzing van deze vordering.

4.42 Gezien het bovenstaande missen de broers en zussen belang bij de behandeling van de grieven XII en XIII. Daarnaast hebben de broers en zussen voldoende gelegenheid gehad om in hoger beroep nogmaals hun standpunt naar voren te brengen.

4.43 Ten aanzien van grief I verwijst het hof naar de vaststaande feiten en het hiervoor overwogene. De door de broers en zussen gewenste aanvullingen zijn overigens niet relevant voor de beoordeling. Grief I kan niet tot vernietiging van de bestreden vonnissen leiden.

Verdeling verkoopopbrengst object 10

4.44 De rechtbank heeft overwogen dat de wens van [geïntimeerde] op toedeling in beginsel voorgaat op de wens tot verkoop van de broers en zussen (rechtsoverwegingen 3.4 en 3.5 van het tussenvonnis van 2 maart 2005). De rechtbank heeft vervolgens beslist dat object 10 aan [geïntimeerde] wordt toebedeeld en zo is in de akte van verdeling die op 23 juli 2008 is verleden geschied. Blijkens rechtsoverweging 3.16 van dit arrest heeft [geïntimeerde] deze onroerende zaak op 22 juli 2008 met meer onroerende zaken verkocht aan PROPER-STOK BV voor een koopprijs van € 2.398.882,-. Deze onroerende zaak is bij de akte van verdeling op 23 juli 2008 toegedeeld aan [geïntimeerde] tegen een waarde van € 119.384,25. Bij notariële akte van 22 september 2008 heeft [geïntimeerde] ter uitvoering van deze koopovereenkomst deze onroerende zaken geleverd aan de gemeente Boxmeer die de contractspositie van PROPER-STOK BV jegens [geïntimeerde] heeft overgenomen.

4.45 De broers en zussen stellen in hoger beroep dat de verkoopprijs van dit object dient te worden verdeeld onder partijen. De totale verkoopopbrengst van object 10 bedraagt € 786.176,04 en de broers en zussen maken aanspraak op drie zevende daarvan. Dit leidt ertoe dat [geïntimeerde] ter zake de verkoop van object 10 een bedrag van € 285.767,82, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 september 2008 tot de dag der algehele voldoening aan de broers en zussen dient te voldoen (zie hiervoor onder 2.2 onder A). Zij doen daarbij een beroep op een door partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst van eind 1999 (productie 11 bij memorie van grieven). Op grond van die overeenkomst hebben zij aanspraak op een gedeelte van de opbrengst, aldus de broers en zussen. [geïntimeerde] voert verweer.

4.46 Het hof oordeelt als volgt. In eerste aanleg hebben de broers en zussen zich op het standpunt gesteld dat object 10 hetzij aan de Gemeenschap Lottum moest worden toebedeeld hetzij moest worden verkocht. De verwachting was dat object 10 in waarde zou stijgen en voor een goede prijs zou kunnen worden verkocht, waarna de opbrengst op grond van de samenwerkingsovereenkomst zou worden verdeeld. Ook uit de samenwerkingsovereenkomst volgt, mede gezien de door partijen beoogde waarden per vierkante meter, dat door een bestemmingsplanwijziging de grond in waarde zou stijgen. [geïntimeerde] betwist het voorgaande niet. [geïntimeerde] weerspreekt dat object 10 voor ongeveer een bedrag van € 786.176,04 is verkocht, maar dat doet hij gelet op de overeengekomen vierkante meter prijzen onvoldoende gemotiveerd. Het had op zijn weg gelegen om duidelijkheid te verschaffen, doch hij heeft dit nagelaten.

4.47 Bij de taxatie van object 10 is geen rekening gehouden met het bestaan van de samenwerkingsovereenkomst. In het taxatierapport staat ten aanzien van dit object vermeld dat de landbouwkundige waarde per 28 februari 1998 moet worden begroot op € 48.978,- en de vrij opleverbare staat per april 2005 op € 142.853,-. Daarnaast is in het taxatierapport opgemerkt dat:

“Desgevraagd kan worden bericht, dat de genoemde samenwerkingsovereenkomst aan ondergetekenden niet bekend is en ook niet in de procedure is gebracht. Ondergetekenden hebben slechts rekeninggehouden met de bekende feiten en mogelijkheden die een redelijk handelend koper verwachten. Tijdens de descente is het verzoek van een van partijen geweest ook de waarde in het economisch verkeer in vrij opleverbare staat per april 2005 vast te stellen. De wederpartij heeft daartegen toen geen bezwaar gemaakt. Het niet meer vermelden van die waarde heeft geen nut, immers, de waarde die ondergetekenden aan het object geven is nu bekend bij partijen.”

4.48 De rechtsbetrekking tussen partijen wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid (artikel 3:166 lid 3 BW). Bij vaststelling van een verdeling door de rechter moet naar billijkheid rekening worden gehouden zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. Gelet op het bestaan van de samenwerkingsovereenkomst zou een verkoop van object 10 en verdeling van de netto-opbrengst daarvan in de rede hebben gelegen (vgl. artikel 3:185 lid 2 aanhef sub c BW). Die wijze van verdelen doet naar het oordeel van het hof het meeste recht aan de wederzijdse belangen van partijen.

4.49 Doordat object 10 in de akte van verdeling aan [geïntimeerde] is toebedeeld en op 22 september 2008 is geleverd aan een derde is deze wijze van verdelen weliswaar praktisch niet meer mogelijk, maar door te bepalen dat de verkoopprijs van object 10 van € 786.176,04 als netto-opbrengst daarvan tussen partijen dient te worden verdeeld, wordt wel hetzelfde effect bereikt. Het hof zal daarom aldus bepalen. Door deze wijze van verdeling is ten aanzien van object 10 al hetgeen is bepaald over de waarde en waardering daarvan niet meer van belang. Dit oordeel doet recht aan de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheersen, waarbij een rol speelt dat de gedachte achter de samenwerkingsovereenkomst was dat partijen samen zouden delen in de waardestijging van het perceel. Met zijn standpunt dat de samenwerkingsovereenkomst voorwaardelijk van aard was (wat de broers en zussen betwisten, terwijl voor het hof niet duidelijk is wat [geïntimeerde] daarmee bedoelt) en is beëindigd (hetgeen de broers en zussen ook betwisten), doordat hij het object toebedeeld heeft gekregen, miskent [geïntimeerde] het voorgaande. Voor het hof weegt daarbij zwaar dat het op grond van het betoog van de broers en zussen in eerste aanleg en in hoger beroep zou hebben geoordeeld dat object 10 moest worden verkocht waarna de netto opbrengst had moeten worden verdeeld. Ook speelt mee dat bij de taxatie geen rekening is gehouden met de samenwerkingsovereenkomst. Voorts is van belang dat [geïntimeerde] nog voordat de akte van verdeling is verleden een koopovereenkomst is aangegaan met een derde en daarbij een substantieel hogere koopsom is overeengekomen dan de vrij opleverbare staat waarmee in de akte van verdeling rekening is gehouden. [geïntimeerde] heeft de broers en zussen daarvan ter gelegenheid van de ondertekening van de akte van verdeling niet in kennis gesteld. Ook [geïntimeerde] wist dat de grond ruim vijf keer zoveel waard was dan de getaxeerde vrij opleverbare staat. De verwachting van de broers en zussen dat [geïntimeerde] de onroerende zaak direct zou doorverkopen, was gegrond.

4.50 Het hof hanteert met partijen de volgende verdeelsleutel voor de netto-opbrengst: vier zevende voor [geïntimeerde] en drie zevende voor de broers en zussen. Ook in de akte van verdeling wordt uitgegaan van deze verdeelsleutel ([geïntimeerde]: acht veertiende (hetgeen gelijkstaat aan vier zevende) en de broers en zussen: zes veertiende (hetgeen gelijkstaat aan drie zevende)) (p. 9 en 10 van de akte). Deze verdeelsleutel correspondeert ook met het standpunt van partijen in hoger beroep (zie p. 35 onderaan memorie van grieven en p. 6 memorie van antwoord).

4.51 Object 10 behoorde tot de Boedel [betrokkene A.], is gelegen in Boxmeer en valt onder de reikwijdte van de legaatclausule. Ook de akte van verdeling gaat daarvan uit. Op grond van de akte van verdeling diende [geïntimeerde] een waarde van € 119.384,25 in te brengen. Het hof neemt de berekening op pagina 11 en 12 van de akte tot uitgangspunt, waarbij het hof anders dan in de akte is gedaan de waarde in vrij opleverbare staat op € 786.176,04 stelt. Dit leidt tot de volgende berekening van de inbrengverplichting van [geïntimeerde]:

een vierde van € 48.978,00 = € 12.244,50

drie vierde van € 786.176,04 = € 589.632,03 +

€ 601.876,53

Aan de broers en zussen komt nog toe drie zevende deel van het verschil tussen € 601.876,53 en € 119.384,25, zijnde € 206.782,41. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld dit laatstgenoemde bedrag aan de broers en zussen te betalen en in zoverre zal de vordering van de broers en zussen worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het moment van indiening van de memorie van grieven, nu [geïntimeerde] sedertdien in verzuim is geweest met betaling daarvan.

Opbrengsten van de Boedel [betrokkene A.]

4.52 De broers en zussen maken aanspraak op een groter gedeelte van de opbrengst van de onroerende zaken van de Boedel [betrokkene A.] dan zij elk jaar hebben ontvangen. [geïntimeerde] was volgens hen niet gerechtigd om een vierde van die opbrengst, het aandeel van [betrokkene B.] (de Boedel Beugen) aan zichzelf toe te delen. Zij verwijzen daarbij naar de overzichten overgelegd als productie 13 bij memorie van grieven en stellen dat [geïntimeerde] aan hen een bedrag van € 13.286,55 (zoals vermeld op het gecorrigeerde overzicht overgelegd tijdens het pleidooi in hoger beroep) dient te betalen. [geïntimeerde] voert onder andere aan dat hij nimmer commentaar heeft ontvangen op de door hem opgestelde afrekening, dat de afrekeningen zijn opgesteld conform de afspraken, dat er sprake is rechtsverwerking en verjaring.

4.53 [geïntimeerde] betwist niet dat hij de opbrengsten van de onroerende zaken in de Boedel [betrokkene A.], voor zover die toekwamen aan het onverdeeld een vierde aandeel van [betrokkene B.] onder zich heeft gehouden. Hij betwist ook niet dat dit gedeelte van de opbrengst aan de broers en zussen en hem samen toekomt, ieder voor een zevende deel. Van rechtsverwerking of verjaring is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het betreft hier een onverdeeldheid bestaande uit het een vierde deel van de opbrengsten, waarvan de broers en zussen nu verdeling vorderen. Nu zoals hiervoor al is overwogen geen afgifte van het legaat heeft plaatsgehad valt niet in te zien dat de legaatclausule voor de beoordeling van dit punt van belang is. Het hof zal op grond van het vorenstaande deze vordering van de broers en zussen toewijzen en bepalen dat [geïntimeerde] aan hen een bedrag van € 13.286,55 dient te voldoen. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het moment van indiening van de memorie van grieven, nu [geïntimeerde] sedertdien in verzuim is geweest met betaling daarvan.

Deponeren foto’s en administratie

4.54 De broers en zussen verzoeken het hof (samengevat weergegeven) [geïntimeerde] te bevelen de fotoalbums van [betrokkene C.], [betrokkene D.], [betrokkene B.] alsmede de losse familiefoto's, een album uit de Boedel [betrokkene A.], alsmede de volledige boekhouding en administratie van de Boedel [betrokkene A.] en de Boedel Beugen voor drie maanden te deponeren bij hun advocaat. [geïntimeerde] geeft (op hoofdlijnen) aan in het verleden de broers en zussen daartoe alle gelegenheid te hebben geboden.

4.55 Het hof is van oordeel dat de broers en zussen alleen als erfgenamen van de Boedel Beugen en als erfgenamen van het aandeel in de Boedel [betrokkene A.] aanspraak kunnen maken op de aan die onverdeelde boedels toebehorende fotoalbums, losse foto’s en administratie. In zoverre is hun vordering toewijsbaar (zie 2.2 onder M). Aangezien zij geen erfgenamen zijn van [betrokkene C.] en [betrokkene D.] kunnen zij geen aanspraken geldend maken op goederen uit die boedels.

4.56 Het hof zal [geïntimeerde] bevelen de fotoalbums, losse foto’s en de administratie, voor zover nog aanwezig, behorende tot de Boedel Beugen en de Boedel [betrokkene A.] gedurende een maand ter inzage te leggen op het kantoor van de advocaat van de broers en zussen. Dat de broers en zussen voor het nemen van inzage meer tijd nodig hebben dan een maand, ziet het hof niet in. Nu [geïntimeerde] zich bereid heeft verklaard medewerking te verlenen aan inzage van de fotoalbums, foto’s en administratie ziet het hof geen gronden aanwezig om een dwangsom op te leggen. Ook in het verleden heeft [geïntimeerde] de broers en zussen (gedeeltelijk) inzage verschaft.

Vordering tot rente over inbreng

4.57 Wat betreft de door de broers en zussen gevorderde rente over de door [geïntimeerde] in te brengen waarden met betrekking tot de onroerende zaken die onder de legaatclausule vallen, verwijst het hof naar de behandeling van de grieven V en XI. De vordering (zie 2.2 onder H) zal worden afgewezen.

4.58 Ook de door de broers en zussen gevorderde verklaring voor recht dat de legaatclausule niet van toepassing is op de onroerende zaken behorende tot de Boedel [betrokkene A.] zal worden afgewezen gezien hetgeen daaromtrent hierboven is overwogen.

Vordering tot vernietiging van de akte van verdeling

4.59 In hoger beroep vorderen de broers en zussen vernietiging van de akte van verdeling. Het hof begrijpt dat zij bedoelen de vernietiging van in die akte opgenomen rechtshandelingen, in het bijzonder de verdeling van de Boedel [betrokkene A.] en de verdeling van de Boedel Beugen. Die vordering kan niet worden toegewezen. De in die akte opgenomen verdelingen kunnen alleen worden vernietigd in de in de wet genoemde gevallen, zoals bepaald in de artikelen 3:195 en 3:196 BW. Daarvan is geen sprake, althans daarvoor stellen de broers en zussen onvoldoende. De daarmee samenhangende vordering zal daarom ook worden afgewezen (zie 2.2 onder ii).

Overige vorderingen

4.60 Daar de akte van verdeling is opgesteld ten behoeve van beide partijen valt niet in te zien waarom [geïntimeerde] de daaraan verbonden kosten zou moeten dragen. De vordering onder D zal worden afgewezen.

4.61 De vorderingen onder L en N zijn niet onderbouwd noch aannemelijk gemaakt, zodat het hof ook die vordering zal afwijzen. Voor de vordering genoemd onder 2.2. onder M verwijst het hof naar hetgeen hiervoor al daarover is overwogen.

Slotsom

4.62 Op grond van al het vorenstaande zal het hof de bestreden vonnissen bekrachtigen behoudens voor zover de rechtbank in het tussenvonnis van 2 maart 2005 er geen rekening mee heeft gehouden dat een bedrag van NLG 3.518,- niet voor verrekening in aanmerking kwam (zie rechtsoverweging 3.11). Het hof zal verder beslissen als volgt.

4.63 Het hof ziet geen aanleiding om [geïntimeerde] in de kosten te veroordelen. Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil hieruit mede voortvloeit, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart de broers en zussen niet-ontvankelijk in hun hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van 16 juni 2004 van de rechtbank Arnhem;

bekrachtigt de vonnissen van 2 maart 2005, 7 december 2005, 12 april 2006, 15 augustus 2007 en 20 februari 2008 van de rechtbank Arnhem, behoudens voor zover de rechtbank in het tussenvonnis van 2 maart 2005 geen rekening ermee heeft gehouden dat een bedrag van NLG 3.518,- (€ 1.596,-) niet voor verrekening in aanmerking kwam (zie rechtsoverweging 3.11 van dat tussenvonnis) en doet opnieuw recht:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 1.596,- aan de broers en zussen, te vermeerderen met 3,5% per jaar vanaf 28 februari 1999 tot en met de dag van betaling;

veroordeelt [geïntimeerde] tot het deponeren van de fotoalbums, losse foto’s en de administratie, voor zover nog aanwezig, behorende tot de Boedel Beugen en de Boedel [betrokkene A.] ten kantore van de advocaat van de broers en zussen en het aldaar gedurende een maand ter inzage te laten liggen ten behoeve van de broers en zussen;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van bedragen van € 206.782,41 en van € 13.286,55 aan de broers en zussen, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van de memorie van grieven (15 december 2009) tot de dag van betaling;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer en anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, B.M. Mens en W.D. Kolkman en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 maart 2011.