Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP9833

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
200.070.403
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie, limitering oud geval, de WLA heeft tot uitgangspunt dat de alimentatieverplichting niet onbeperkt behoort voort te duren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof Arnhem 200.070.403

(zaaknummer rechtbank Maastricht 118549 / FA RK 07-405

zaaknummer gerechtshof ’s-Hertogenbosch 103.009.865/01)

beschikking van de familiekamer van 8 maart 2011

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. P.J.H.C. Glenz te Landgraaf,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. G.D. Jongen te Heerlen.

1. Het geding voor de verwijzing door de Hoge Raad

Het hof verwijst voor het geding voor de verwijzing door de Hoge Raad naar de beschikking van de Hoge Raad van 11 juni 2010, uitgesproken onder zaaknummer 09/01855.

2. Het geding na de verwijzing door de Hoge Raad

2.1 De vrouw heeft bij brief van 30 juni 2010, ingekomen ter griffie van het hof op 1 juli 2010, een kopie van de beschikking van de Hoge Raad van 11 juni 2010 gezonden en, zo begrijpt het hof, het hof verzocht de zaak in behandeling te nemen.

2.2 De man heeft een stuk met als aanhef ‘verweerschrift, tevens inhoudende incidenteel hoger beroep’, ingekomen ter griffie van het hof op 8 september 2010, ingediend. De man verzoekt het hof in het principaal hoger beroep primair de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek en subsidiair het verzoek van de vrouw af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep opnieuw beschikkende de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw te beëindigen met ingang van 14 juli 2007.

2.3 Daarop heeft de vrouw een stuk met als aanhef ‘memorie na verwijzing’ ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 22 oktober 2010, waarin zij het hof verzoekt primair de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in het incidenteel hoger beroep en te bepalen dat de onderhoudsverplichting van de man voortduurt tot de datum waarop de vrouw de leeftijd van 65 jaren zal bereiken, te weten [geboortedatum] 2021, met de mogelijkheid van verlenging van die termijn op die datum en subsidiair, voor het geval het hof het incidenteel hoger beroep leest als een memorie na verwijzing, het verzoek in hoger beroep van de man af te wijzen en de beschikking van de rechtbank Maastricht van 23 oktober 2007, verder te noemen “de bestreden beschikking”, te bekrachtigen.

2.4 Ter griffie van het hof zijn voorts binnengekomen:

- op 20 januari 2011 een brief van mr. Jongen van 19 januari 2011 met drie bijlagen;

- op 24 januari 2011 een brief van mr. Glenz van 20 januari 2010 met als bijlage onder meer een stuk met als aanhef ‘akte wijziging van eis tevens overlegging producties met toelichting’;

- op 24 januari 2011 een brief van mr. Jongen van dezelfde datum;

- op 28 januari 2011 een brief van mr. Glenz van dezelfde datum.

2.5 De mondelinge behandeling heeft op 3 februari 2011 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen bijgestaan door hun advocaten.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 23 oktober 1981 met elkaar gehuwd. De rechtbank Maastricht heeft bij vonnis van 4 juni 1992 zechtscheiding tussen hen uitgesproken. Het echtscheidingsvonnis is op 14 juli 1992 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [kind 1] (verder te noemen “[kind 1]”), op [geboortedatum] 1984, en

- [kind 2] (verder te noemen “[kind 2]”), op [geboortedatum] 1988.

3.3 Bij echtscheidingsconvenant, ondertekend op 19 maart 1992, zijn partijen, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:

“Artikel 1. Levensonderhoud

1.1 De man geniet een inkomen uit arbeid van plusminus ƒ 74.000,= bruto per jaar exclusief vakantietoeslag, terwijl de vrouw uit deeltijdarbeid een inkomen geniet ad ƒ 17.167,= bruto per jaar exclusief vakantietoeslag.

1.2 De man is in staat en bereid maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw te betalen een bedrag van ƒ 1.800,= als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, te voldoen bij vooruitbetaling voor de eerste dag van iedere maand middels overschrijving op de bankrekening van de vrouw.

1.3 Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 402 a Boek 1 BW.

1.4 Ten aanzien van eventuele eigen inkomsten van de vrouw geldt het navolgende:

Indien het netto-inkomen van de vrouw tengevolge van uitbreiding van het aantal uren dat zij werkzaam is stijgt, zal het bruto alimentatiebedrag dat de man dient te betalen worden verminderd met een bedrag dat gelijk is aan hetgeen de vrouw netto meer verdient. Voorbeeld ter adstructie: indien uitbreiding van werkzaamheden leidt tot een netto-inkomstenstijging ad ƒ 100,=, dan wordt de alimentatie van de man met een bedrag ad ƒ 100,= bruto verminderd.

De vrouw zal de hoogte van haar inkomsten jaarlijks aantonen door overlegging van bewijsstukken aan de man (…)

Artikel 2. De kinderen (…)

2.3 De man zal als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw betalen een bedrag van ƒ 350,= voor het oudste kind en ƒ 300,= voor het jongste kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en voor de eerste dag van de maand. Op deze bijdrage is van toepassing de indexering als vermeld in artikel 1 sub 1.3.”

3.4 Bij vonnis van 4 juni 1992 heeft de rechtbank Maastricht voorts, voor zover hier van belang, de man veroordeeld om met ingang van 4 juni 1992 aan de Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht te betalen ƒ 350,- per maand voor [kind 1] en ƒ 300,- per maand voor [kind 2], bij vooruitbetaling te voldoen, te vermeerderen met het bedrag van iedere uitkering welke hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van de minderjarigen zal of kan worden verleend en aan de vrouw tot levensonderhoud uit te keren ƒ 1.800,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

3.5 Bij beschikking van 20 april 2004 heeft de rechtbank Maastricht het vonnis van die rechtbank van 4 juni 1992 gewijzigd, voor zover de man bij dat vonnis werd veroordeeld tot een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2], en die bijdrage met ingang van 1 september 2003 nader bepaald op € 300,- per maand.

3.6 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Maastricht op 27 maart 2007, heeft de man de rechtbank verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zijn verplichting tot bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, zoals vastgelegd in het vonnis van de rechtbank Maastricht van 4 juni 1992, te beëindigen met ingang van 4 juni 2007, dan wel met ingang van een datum als de rechtbank juist acht, kosten rechtens. De vrouw heeft verweer gevoerd en de rechtbank verzocht te bepalen dat de onderhoudsverplichting van de man voortduurt tot de datum waarop zij de leeftijd van 65 jaar bereikt, te weten [geboortedatum] 2021, met de mogelijkheid van verlenging van die termijn op die datum, en subsidiair dat de onderhoudsverplichting van de man voortduurt tot de datum waarop zij de leeftijd van 65 jaar bereikt, waarbij de alimentatieverplichting vanaf dat moment wordt afgebouwd volgens een afbouwpatroon als de rechtbank juist acht.

3.7 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Maastricht het verzoek van de man tot beëindiging afgewezen, bepaald dat wanneer de vrouw 65 jaar oud wordt de mogelijkheid open blijft om verlenging te verzoeken van de termijn dat de man alimentatie aan de vrouw zal moeten betalen en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.8 Bij verzoekschrift, ingekomen bij het hof ’s-Hertogenbosch op 17 januari 2008, heeft de man het hof verzocht om de beschikking van de rechtbank Maastricht van 23 oktober 2007 te vernietigen en opnieuw beschikkende de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 14 juli 2007 op nihil te bepalen en deze verplichting met ingang van deze datum te beëindigen, subsidiair de verplichting te beëindigen met ingang van een datum als het hof juist acht, meer subsidiair deze verplichting te verlagen tot een bedrag als het hof juist acht en met ingang van een einddatum als het hof juist acht en meer subsidiair een afbouwregeling vast te stellen, kosten rechtens. De vrouw heeft verweer gevoerd.

3.9 Bij beschikking van 11 februari 2009 heeft het hof ’s-Hertogenbosch de bestreden beschikking vernietigd en opnieuw beschikkende het op 4 juni 1992 door de rechtbank Maastricht tussen partijen gewezen vonnis, het op 19 maart 1992 door partijen gesloten echtscheidingsconvenant en voor zover nodig ook de eventuele latere overeenkomst tussen partijen gewijzigd en met ingang van 14 juli 2007 de alimentatieverplichting van de man ten opzichte van de vrouw beëindigd.

3.10 Tegen deze beschikking heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld waarbij zij de Hoge Raad heeft verzocht de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 11 februari 2009 te vernietigen, kosten rechtens. De man heeft geen verweer gevoerd.

3.11 Bij beschikking van 11 juni 2010 heeft de Hoge Raad de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 11 februari 2009 vernietigd en het geding naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing.

Ten aanzien van de man

3.12 De man, geboren op [geboortedatum] 1956, is op 30 december 1997 gehuwd met [A.] (verder te noemen “[A.]”). Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 1998 [B.] geboren. Bij beschikking van 1 december 2010 heeft de rechtbank Maastricht echtscheiding tussen de man en [A.] uitgesproken. Daarbij zijn de bijdragen van de man in de kosten van levensonderhoud van [A.] en in de kosten van verzorging en opvoeding van [B.] op nihil vastgesteld. De echtscheidingsbeschikking is op 29 december 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Het belastbare loon van de man bedroeg in 2006 volgens de jaaropgave 2006 € 53.050,- en in 2009 volgens de jaaropgave 2009 € 56.340,-. Het inkomen van de man bedroeg in 2010 volgens de salarisspecificatie over oktober 2010 € 4.453,64 per maand, te vermeerderen met € 35,63 bruto per maand 0,8% loonruimte VPL, vakantietoeslag en de door de werkgever afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 194,98 per maand.

3.13 De lasten van de man bedragen ingaande 1 september 2010 per maand:

- € 781,62 aan hypotheekrente voor de voormalig echtelijke woning van de man en [A.] waarin [A.] met [B.] woont;

- € 187,38 aan premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten;

- € 340,- aan huur voor de woning waarin de man woont;

- € 304,87 aan ziektekosten:

- € 87,52 premie basisverzekering ZVW,

- € 51,62 premie aanvullende verzekering,

- € 13,75 eigen risico,

- € 194,98 door werkgever afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 43,- per maand voor een alleenstaande.

Ten aanzien van de vrouw

3.14 De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1956, vormde tot eind 2010 een gezin met [kind 2] en is sindsdien alleenstaand.

Haar inkomen bestaat uit een WAO-uitkering van het UWV en een uitkering van PGGM. Blijkens de jaaropgaven van het UWV bedroeg de WAO-uitkering in 2006 € 12.703,- en in 2007 € 13.430 en volgens de jaaropgave van PGGM van 2006 bedroeg die uitkering in dat jaar € 999,-. Daarnaast werkt de vrouw sinds 1 april 2009 6 uur per week bij [...] B.V. (voorheen [...]). Haar inkomen bedraagt blijkens de salarisspecificatie van periode 10 en 12 van 2010 € 280,- bruto per 4 weken, te vermeerderen met vakantiegeld en de door de werkgever afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 19,28 per 4 weken.

3.15 De woonlasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 562,51 aan hypotheekrente;

- € 45,38 aan premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten.

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 924,- per jaar.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel 424 Rv zet de rechter, naar wie het geding door de Hoge Raad is verwezen, de behandeling daarvan voort en beslist de rechter met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.

4.2 Ter mondelinge behandeling heeft de man verklaard en de vrouw beaamd dat thans voorligt het verzoek in hoger beroep van de man, zoals door hem is ingediend bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch zoals vermeld hiervoor onder 3.8. Het hof dient te beslissen op het verzoek van de man dat het hof zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw met ingang van 14 juli 2007 zal beëindigen, althans met ingang van een datum zoals het hof juist acht, dan wel de verplichting zal verlagen tot een bedrag en met ingang van een datum als het hof juist acht, althans een afbouwregeling zal vaststellen, en het verweer daartegen van de vrouw ertoe strekkende dat het hof de verzoeken van de man zal afwijzen en een verlengbare termijn zal vaststellen totdat zij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.

4.3 Het hof stelt voorop dat in een geding na verwijzing door de Hoge Raad de rechter is gebonden aan de beslissing van de Hoge Raad. Ook is het hof gebonden aan beslissingen van het hof ’s-Hertogenbosch die in cassatie niet bestreden zijn.

4.4 Ingevolge artikel II, lid 2 van de overgangsbepalingen, behorende bij de Wet limitering van alimentatie van 28 april 1994, Stb. 324 (verder te noemen: “het overgangsrecht bij de WLA”), beëindigt de rechter op verzoek van degene, die op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken deze verplichting, indien deze op of na dat tijdstip vijftien jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot uitkering gerechtigd is kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de tot uitkering gerechtigde alsnog een termijn vast. De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst al dan niet mogelijk is.

4.5 Vast staat dat de verplichting van de man tot betaling van alimentatie op 14 juli 2007 vijftien jaren heeft geduurd, hetgeen tot gevolg heeft dat het verzoek van de man tot beëindiging van de uitkering met ingang van 14 juli 2007 in beginsel toewijsbaar is.

4.6 Vast staat ook dat de beëindiging van de alimentatieverplichting voor de vrouw ingrijpend is, nu dit oordeel van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in cassatie niet is bestreden.

4.7 Het hof dient te beoordelen of beëindiging van de alimentatieverplichting zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden.

4.8 Bij de beoordeling van deze vraag houdt de rechter in ieder geval rekening met:

- de leeftijd van degene die tot uitkering gerechtigd is;

- de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;

- de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin deze de verdiencapaciteit van de

betrokkenen heeft beïnvloed;

- de omstandigheid dat de tot de uitkering gerechtigde geen recht heeft op uitbetaling van een

deel van het ouderdomspensioen van degene die tot uitkering is gehouden.

Voorts dient de rechter rekening te houden met alle overige omstandigheden van het geval, niet alleen aan de zijde van de vrouw maar ook aan die van de man, waarbij op de vrouw de stelplicht en de bewijslast rusten van de omstandigheden aan haar zijde.

4.9 Het hof houdt aan de zijde van de vrouw rekening met de volgende omstandigheden die de man niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden. De vrouw is thans 54 jaar. Tijdens het huwelijk was sprake van een taakverdeling tussen partijen, waarbij de vrouw een groot deel van de zorg voor de kinderen en de huishouding op zich nam en de man voltijds werkte en daarmee het grootste deel van het gezinsinkomen verwierf. De vrouw was sinds 1975 werkzaam als operatieassistente, na de geboorte van de kinderen in deeltijd. Ten tijde van de echtscheiding in 1992 was de vrouw 35 jaar oud. De kinderen waren op dat moment acht en vier jaar oud en de vrouw werkte toen 15 uur per week als operatieassistente. Kinderopvang was na het huwelijk van partijen nog niet zo uitgebreid als tegenwoordig het geval is. De vrouw moest daarom tijdens alle vrije dagen en schoolvakanties van de kinderen thuis zijn. De man ving de kinderen in de zomervakantie gedurende één week op. Het was de bedoeling dat de vrouw meer uren zou gaan werken wanneer de kinderen naar de middelbare school zouden gaan. Toen de kinderen in 1996 meer uren naar school gingen, heeft de vrouw haar uren uitgebreid tot 20 uur per week. Op 14 mei 1998 is de vrouw uitgevallen en raakte zij arbeidsongeschikt wegens nek- en rugklachten en depressieve klachten. Zij werkte op dat moment 19,47 uur per week. De vrouw heeft zonder positief resultaat diverse re-integratietrajecten doorlopen. In de eindrapportage re-integratietraject van 6 februari 2006 is te lezen dat gedurende de bemiddeling een hevige toename van klachten bij de vrouw werd gesignaleerd en dat de vrouw na een herkeuring volledig is afgekeurd, waarop het re-integratietraject is beëindigd.

4.10 In de casssatieprocedure heeft de Hoge Raad beslist dat de vrouw in hoger beroep onbetwist heeft gesteld dat zij niet in aanmerking komt voor een aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat zij tijdens het huwelijk in deeltijd werkte, hetgeen een rechtstreeks gevolg was van de in onderling overleg tot stand gekomen taakverdeling. Voorts heeft de Hoge Raad beslist dat de vrouw in hoger beroep heeft gesteld - door de man niet bestreden - dat de pijnklachten die in 1999 tot haar volledige arbeidsongeschiktheid hebben geleid al in 1991/1992 bestonden en dat zij met deze pijnklachten veel te lang heeft doorgewerkt. Voor zover de man een en ander nog in zijn schriftelijke stukken na de beslissing van de Hoge Raad en ter mondelinge behandeling op 3 februari 2011 heeft bestreden, is dit tardief. Bij de vrouw is thans sprake van verouderde werkervaring en een beperkte verdiencapaciteit, welke laatste mede een gevolg is van een keuze van partijen tijdens het huwelijk. Anders dan de man is het hof van oordeel dat de vrouw zich na de scheiding en tot juli 2007 voldoende heeft ingespannen om inkomen uit arbeid te verwerven. De vrouw heeft geen recht op een deel van het ouderdomspensioen van de man nu partijen in het echtscheidingsconvenant onder 3.7 zijn overeengekomen dat partijen over en weer van verrekening van de opgebouwde pensioenaanspraken afzien in verband met de toescheiding van de voormalige echtelijke woning aan de vrouw waarbij de man uitdrukkelijk afzag van uitkering van enige overwaarde.

4.11 Aan de zijde van de man houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de man in eerste aanleg noch in hoger beroep bij het hof ’s-Hertogenbosch heeft gesteld dat de geldende alimentatie die op 1 januari 2010 € 1.277,60 per maand bedraagt zijn draagkracht te boven ging. Voor zover de man na de verwijzing door de Hoge Raad heeft gesteld dat hem de draagkracht wel ontbreekt, passeert het hof deze stelling als tardief, wat betreft de periode voor het uiteengaan van de man en [A.]. Daarmee staat vast dat de draagkracht van de man in ieder geval tot dat moment betaling van de alimentatie toeliet.

4.12 Al deze omstandigheden in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat beëindiging van de uitkering per 14 juli 2007 zo ingrijpend is voor de vrouw dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar gevergd kan worden. Dat de man stelt dat betaling van de alimentatie hem psychisch zwaar valt, maakt dit oordeel niet anders. Dit betekent dat het hof het verzoek van de man tot beëindiging van de uitkering per 14 juli 2007 zal afwijzen.

4.13 Ten aanzien van het verzoek van de vrouw een termijn vast te stellen tot [geboortedatum] 2021 gedurende welke de onderhoudsverplichting van de man voortduurt, al dan niet verlengbaar, overweegt het hof het volgende. Aan de zijde van de vrouw houdt het hof rekening met de volgende omstandigheden. De leeftijd van de vrouw, thans 54 jaar, haar verouderde werkervaring als operatieassistente en beperkte verdiencapaciteit, maar ook de omstandigheid dat de vrouw sinds enige tijd een aantal uren per week kan werken waarmee zij enig extra inkomen verwerft, zij sinds december 2010 alleenstaand is en zij de woning waarin zij woont op termijn zou kunnen verkopen waardoor zij over enig vermogen zou kunnen beschikken als aanvulling op haar inkomen uit arbeidsongeschiktheidsuitkering en arbeid zoals in 3.14 vermeld. In het echtscheidingsconvenant hebben partijen de wens geuit om de woning te behouden voor de vrouw, zodat de kinderen daar konden blijven wonen. Dat doel is inmiddels bereikt, zodat voor de vrouw niet langer de noodzaak bestaat in de woning te blijven wonen. Dat die overwaarde is verminderd doordat de vrouw tussen 2002 en 2006 de hypotheekschuld met circa € 100.000,- tot € 150.000,- heeft verhoogd, laat het hof voor rekening van de vrouw nu zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een dergelijk bedrag noodzakelijk was om de woning aan de eisen van de tijd aan te passen, voor studiekosten van de dochter van partijen en het rijbewijs van de kinderen, zoals de vrouw stelt en de man gemotiveerd betwist. De vrouw heeft een aantal rekeningen overgelegd uit de jaren 1999 tot 2005 tot een bedrag van circa € 49.000,- waarbij het hof één nota buiten beschouwing laat omdat die niet gedateerd is. De werkzaamheden hadden betrekking op

aanschaf van een cv ketel in 1999 voor fl 6.024,- nr. 1, het installeren van ramen, kozijnen en rolluiken en voordeur voor fl. 35.682,- nr. 2, en het stralen van voor- en achtergevel voor fl 2.784,- nr. 3. In 2000 is een dak-, vliering- en gedeeltelijke gevelisolatie uitgevoerd voor fl 23.970,- nr 4. In 2001 is een radiator geplaatst voor fl 1.600,- nr. 5 en het parket geschuurd en gebeitst voor fl 1.633,- nr. 6. De vrouw heeft 2 nota’s van 2004 overgelegd, een verzamelnota van € 12.766,32 nr. 7 die contant is betaald en een nota van € 3.968,- nr. 8. Beide nota’s vermelden niet welke werkzaamheden zijn verricht. De noodzaak van de werkzaamheden waarop de nota’s nrs. 2, 3, 6, 7 en 8 betrekking hebben, staat geenszins vast. Ook de stelling dat zij hoge studiekosten had voor de dochter van partijen heeft de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, die er op heeft gewezen dat het een tweejarige kappersopleiding betrof die ten hoogste € 5.000,- extra kan hebben gekost.

4.14 Aan de zijde van de man houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de betaling van alimentatie en de jarenlange procedures daarover de man en zijn gezin psychisch belast hebben, hetgeen, zo stelt de man ter mondelinge behandeling - onbetwist door de vrouw - heeft geleid tot een echtscheiding tussen hem en [A.] en voorts dat de lasten van de man zijn gewijzigd vanaf het moment dat de man en [A.] gescheiden zijn gaan wonen, in september 2010.

In een alimentatieprocedure als de onderhavige kan de man een dergelijk nieuw feit ook na verwijzing door de Hoge Raad aan de orde stellen. De vrouw is in de gelegenheid geweest hierop te reageren, heeft daarvan gebruik gemaakt en heeft commentaar geleverd op de draagkrachtberekening van de man overgelegd bij het stuk met de aanhef “verweerschrift, tevens inhoudende incidenteel beroep”. Dit betekent dat het hof de draagkracht van de man ingaande 1 september 2010 dient vast te stellen.

4.15 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van het hiervoor onder 3.12 vermelde inkomen van de man over oktober 2010 en van de onder 3.13 vermelde lasten van de man.

4.16 Daarbij houdt het hof, anders dan de man, rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60 omdat de man thans geen bijdrage levert in de kosten van [B.] anders dan middels betaling van de woonlasten van de woning waarin [A.] met [B.] woont.

4.17 Het hof houdt geen rekening met de door man gestelde kosten van € 142,75 per maand voor woon- werkverkeer omdat de man volgens zijn verklaring 10 à 15 kilometer van zijn werk woont en van zijn werkgever een vergoeding ontvangt van € 46,73 per maand netto.

4.18 Het hof houdt evenmin rekening met de door de man betaalde premie voor een studieverzekering voor [B.], nu dit geen wettelijk verplichting betreft die voorrang dient te hebben boven de alimentatie voor de vrouw.

4.19 Met een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind 2] houdt het hof geen rekening omdat de man ter mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij deze bijdrage sinds maart 2010 niet langer betaalt en [kind 2] inmiddels 22 jaar oud is.

4.20 Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties van een en ander heeft de man met ingang van 1 september 2010 draagkracht voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 1.010,- per maand.

4.21 Naast de in 4.13 en 4.14 genoemde feiten en omstandigheden houdt het hof rekening met de duur van het huwelijk, 10,5 jaar, de omstandigheid dat de beide kinderen van partijen meerderjarig zijn en de duur van de alimentatiebetaling en neemt het hof voorts in aanmerking dat de WLA tot uitgangspunt heeft dat de alimentatieverplichting niet onbeperkt behoort voort te duren (HR 5 september 2003, LJN AF8274, NJ 2003, 618). Alle omstandigheden tegen elkaar afwegend is het hof van oordeel dat een niet verlengbare termijn van 14 juli 2007 tot 31 december 2014 redelijk is en van de vrouw gevergd kan worden. Daarmee heeft de vrouw voldoende gelegenheid zich op die nieuwe situatie voor te bereiden. De vrouw heeft weliswaar toegelicht dat zij verlenging tot [geboortedatum] 2021 verzoekt omdat dan haar woning vrij zal zijn van hypotheek maar een verlenging van nog 7 jaar langer acht het hof gelet op hetgeen hiervoor onder 4.13 is overwogen omtrent de verhoging van de hypotheek jegens de man niet redelijk. De hoogte van de alimentatie zal het hof met ingang van 1 september 2010 vaststellen conform de draagkracht van de man.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te beslissen als volgt.

5.2 Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 23 oktober 2007 en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de man tot beëindiging van de onderhoudsverplichting met ingang van 14 juli 2007 af;

verlengt de termijn gedurende welke de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw voortduurt van 14 juli 2007 tot 31 december 2014;

bepaalt dat verlenging van die termijn niet mogelijk is;

wijzigt het vonnis van de rechtbank Maastricht van 4 juni 1992 en stelt de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 september 2010 vast op € 1.010, - per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.M. Mens, G.J. Rijken en A.J.H. Blaisse-Ozinga, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 8 maart 2011 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.