Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP9082

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
200.063.589/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2010:BL5411, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De onderhavige onrechtmatige gedragingen van de vennoot moeten in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van de vennootschap worden aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wetboek van Koophandel
Wetboek van Koophandel 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2011/409
JOR 2011/142 met annotatie van mr. J.M. Blanco Fernández
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 15 maart 2011

Zaaknummer 200.063.589/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

advocaat: mr. A.H.J. Damminga, kantoorhoudende te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.J. Voors, kantoorhoudende te Zwolle.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 24 augustus 2010 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

[appellant] heeft een memorie van grieven genomen, met als conclusie:

"bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 20 januari 2010 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] jegens [de V.O.F.] en [appellant] af te wijzen, zulks met zijn veroordeling in de proceskosten."

[geïntimeerde] heeft een memorie van antwoord genomen, met als conclusie:

"om op de bovengenoemde gronden, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, appellante niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen in hoger beroep, althans hem die te ontzeggen en het vonnis waarvan beroep te bevestigen, met veroordeling van appellant in de kosten van de procedure in beide instanties."

Vervolgens hebben partijen ieder een akte genomen.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft zeven grieven opgeworpen

De beoordeling

De feiten

1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.13) een aantal in deze zaak vaststaande feiten weergegeven. Hieromtrent bestaat tussen partijen geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Samengevat en voor zover in dit hoger beroep van belang, gaat het om het volgende.

1.1. In april 2003 heeft de SNS Bank aan [Y] en [Z] een hypothecaire geldlening verstrekt ten bedrage van EUR 210.000,00. Tot zekerheid voor de nakoming van de hieruit voortvloeiende verplichtingen hebben [Y] en [Z] aan de SNS Bank een recht van hypotheek verleend op hun woning.

Bij de aanvraag was onder meer een werkgeversverklaring overgelegd waaruit bleek dat [Y] in dienst was van [bedrijf X].

1.2. Op 11 juli 2006 hebben [Y] en [Z] een aanvraag ingediend voor de oversluiting en verhoging van hun in 2003 verkregen hypothecaire lening. Daarbij zijn een werkgeversverklaring, een arbeidsovereenkomst en salarisspecificaties overgelegd waaruit zou blijken dat [Z] in loondienst was van [bedrijf X]. Voorts zijn ten aanzien van [Y] overgelegd een werkgeversverklaring, een arbeidsovereenkomst, salarisspecificaties en bankafschriften, waaruit zou blijken dat [Y] als architect een dienstverband voor onbepaalde tijd had bij de vennootschap onder firma [de V.O.F.]

1.3. Van deze v.o.f. waren [vennoot 1] (die in de stukken en in het tussenarrest ook wel met zijn voornaam [vennoot 1] wordt aangeduid) en [appellant] destijds de vennoten. Deze v.o.f. is op 25 juli 2006 ontbonden.

1.4. Hierop is door de SNS Bank een tweetal offertes uitgebracht. Tegelijkertijd heeft zij aan [Y] en [Z] een tijdelijk krediet toegestaan voor een limiet van EUR 21.700,00. [Y] en [Z] hebben daarop op 20 juli 2006 twee maal een bedrag van EUR 10.000,00 opgenomen van de betreffende rekening.

1.5. Uit onderzoek door de SNS Bank bleek sprake te zijn van oplichting en valsheid in geschrift bij de aanvragen in zowel 2003 als in 2006. Het volgende is gebleken:

- de werkgeversverklaring van 11 februari 2003 is onjuist: [Y] was op 11 februari 2003 niet (meer) in dienst bij [geïntimeerde];

- de werkgeversverklaring van 24 juni 2006, de arbeidsovereenkomst van 1 januari 2006, de salarisspecificaties en bankafschriften waaruit zou blijken dat [Z] in dienst was bij [geïntimeerde] zijn vals. [Z] is nooit bij [geïntimeerde] in dienst geweest;

- de gegevens waaruit zou blijken dat [Y] bij [de V.O.F.] zou werken waren eveneens vals.

1.6. De constatering dat verschillende van de stukken vals waren, heeft er toe geleid dat de aanvraag voor een (hernieuwde) hypothecaire geldlening door de SNS Bank is afgewezen.

1.7. [Y] is op 10 september 2007 verhoord door een financieel rechercheur van de Regiopolitie IJsselland. Hij heeft, onder meer, verklaard:

Ik heb nooit bij [de V.O.F.] of voor [appellant]/[vennoot 1] gewerkt. (…) Omdat ik een werkgeversverklaring nodig had voor het verkrijgen van een nieuwe hypotheek heb ik aan [vennoot 1] gevraagd of hij voor mij een stempel onder de werkgeversverklaring wilde zetten en loon wilde overmaken van [de V.O.F.] naar mijn bankrekening zodat ik die kon gebruiken voor de hypotheek. In eerste instantie wilde [vennoot 1] dat niet, maar na aandringen van mij is hij er toch mee akkoord gegaan. (…) Ik heb zelf de werkgeversverklaring ingevuld en de gegevens die heb ik van internet gehaald. (…) Voordat ik de gegevens had ingevuld heeft [vennoot 1] er een bedrijfsstempel onder gezet. Ik heb zelf de handtekening van [appellant] gezet.

1.8. [vennoot 1] is op 19 november 2007 verhoord door een brigadier van de Regiopolitie IJsselland. Hij heeft, onder meer, verklaard:

In 2006 kwam [Y] bij mij en vertelde dat hij een hypotheek wilde afsluiten, maar dat hij daar de nodige formulieren voor nodig had. Hij vroeg aan mij of ik er aan mee wilde werken om o.a. een werkgeversverklaring af te geven waaruit moest blijken dat hij in dienst van [de V.O.F.] was. (…) Uiteindelijk heb ik met de grootste tegenzin een door hem aangedragen blanco werkgeversverklaring gedeeltelijk ingevuld met gegevens die hij daarin wilde hebben. Hij heeft de bedragen ingevuld en de naam van [appellant] er onder gezet. De stempel op het formulier heb ik gezet. (…)

Hetzelfde geldt voor de arbeidsovereenkomst die u mij toont, waaruit zou blijken dat er een arbeidsovereenkomst zou bestaan tussen [de V.O.F.] en [Y]. [Y] heeft hem opgesteld en ik heb hem getekend. (…)

U vraagt mij hoe het is gegaan met de zogenaamde loonstortingen vanaf de bankrekening van [de V.O.F.] naar de bankrekening van [Y]. Het is zo dat [Y] mij contant geld gaf en aan mij vroeg of ik dat geld wilde overboeken op zijn bankrekening met daarbij de omschrijving “loon” of zoiets. Hij vertelde dat hij dit nodig had voor het verkrijgen van de hypotheek. Ik zei dat ik het geld wel voor hem wilde overboeken vanaf de rekening van [de V.O.F.], maar niet met een verdere omschrijving. Hij heeft mij toen twee keer geld gegeven wat ik voor hem heb overgemaakt op zijn bankrekening. (…)

1.9. De SNS Bank is overgegaan tot executoriale verkoop van de woning van [Y] en [Z]. De woning is op 10 juli 2007 verkocht voor een lagere waarde dan door de betrokken taxateur [de taxateur] was getaxeerd, waardoor de hypothecaire lening niet geheel uit de opbrengst kon worden afgelost. Daarnaast waren [Y] en [Z] nog bedragen vanwege de achterstallige hypotheekbetalingen en het door hen opgenomen krediet aan de SNS Bank verschuldigd.

1.10. Bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 29 juli 2009 in de zaak met zaaksnummer 146276 is [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van de door de SNS Bank geleden schade ad EUR 77.906,93, vermeerderd met de wettelijke rente.

De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg

2. In de onderhavige vrijwaringszaak heeft [geïntimeerde] [Y], [Z], [de V.O.F.], [vennoot 1], [appellant] en [de taxateur] gedagvaard voor de rechtbank Zwolle-Lelystad en gevorderd dat zij hoofdelijk worden veroordeeld aan [geïntimeerde] te betalen al hetgeen waartoe [geïntimeerde] in de hoofdzaak jegens de SNS Bank mocht worden veroordeeld en daarbij in goede justitie vast te stellen voor welk percentage een ieder in het geheel zal moeten bijdragen, met veroordeling van [Y], [Z], [de V.O.F.], [vennoot 1], [appellant] en [de taxateur] in de kosten van de hoofdzaak en de vrijwaring.

3. [geïntimeerde] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat hij in de hoofdzaak door de SNS Bank is aangesproken tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad, maar dat ook de hiervoor genoemde partijen onrechtmatig jegens de SNS Bank hebben gehandeld en daarom mede hoofdelijk voor de schade aansprakelijk zijn. [Y] en [Z] hebben zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en oplichting en [vennoot 1] heeft daaraan meegewerkt, aldus [geïntimeerde]. Ook [de taxateur] heeft volgens [geïntimeerde] onrechtmatig jegens de SNS Bank gehandeld. Nu [geïntimeerde] door de SNS Bank is aangesproken, zoekt hij ex artikel

6:10 en 6:12 BW verhaal op de genoemde hoofdelijk verbonden medeschuldenaren voor het gedeelte van de schuld dat hen in hun onderlinge verhouding aangaat. Ten aanzien van [de V.O.F.] en [appellant] stelt [geïntimeerde] dat de vervalsing door [vennoot 1] op c.q. uit naam van [de V.O.F.] is gepleegd. Het onrechtmatig handelen van [vennoot 1] heeft zich daarmee binnen vennootschapssfeer voorgedaan. Aldus is sprake van een vennootschapsschuld jegens de SNS Bank en betreft ook de verhaalsvordering van [geïntimeerde] een vennootschapsschuld, waarvoor [vennoot 1] en [appellant] uit hoofde van artikel 18 Wetboek van Koophandel hoofdelijk verbonden zijn, terwijl daarnaast verhaal mogelijk is op het afgescheiden vennootschapsvermogen, zo begrijpt het hof het standpunt van [geïntimeerde].

4. [Y], [Z], [de V.O.F.], [vennoot 1] en [Y] hebben in eerste aanleg verstek laten gaan. [de taxateur] is verschenen en heeft verweer gevoerd.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de door de SNS Bank geleden schade een gevolg is van omstandigheden die aan zowel [geïntimeerde] als [Y], [Z], [de V.O.F.], [appellant], [vennoot 1] en [de taxateur] kunnen worden toegerekend. Ten aanzien van de onderlinge draagplicht heeft de rechtbank overwogen dat deze afhangt van de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden aan de schade heeft bijgedragen. Het aandeel van [de taxateur] daarin heeft de rechtbank vastgesteld op 10%. Het aandeel van de andere betrokkenen (inclusief dat van [geïntimeerde] zelf) heeft de rechtbank op gelijke delen van 22,5 % vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat [vennoot 1] en [appellant] als vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het aandeel in de schade van [de V.O.F.] Aldus is [appellant] samen met [de V.O.F.] en [vennoot 1] hoofdelijk veroordeeld om 22,5 % van EUR 77.906,93 en 22,5 % van EUR 51.696,08, beide bedragen vermeerderd met rente, alsmede 22,5% van de proceskosten ad EUR 1.859,80 en 22,5 % van de kosten van de hoofdzaak ad EUR 3.588,44 aan [geïntimeerde] te betalen.

De bespreking van de grieven

5. Grief 2 bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de door de SNS Bank geleden schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan [de V.O.F.] en [appellant] kunnen worden toegerekend.

Grief 3 bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat [vennoot 1] en [appellant] als vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het aandeel in de schade van [de V.O.F.]

Grief 4 bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat ook [de V.O.F.] en [appellant] hoofdelijk tot betaling van 22,5 % van het bedrag dat [geïntimeerde] in de hoofdzaak aan SNS dient te betalen zullen moeten worden veroordeeld.

Grief 5 richt zich tegen de veroordeling van [de V.O.F.] en [appellant] in de kosten van de vrijwaringsprocedure.

Grief 6 klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ook [de V.O.F.] en [appellant] zullen moeten worden veroordeeld 22,5% van het in hoofdsom toegewezen bedrag (aan proceskosten) aan [geïntimeerde] te betalen.

Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

6. [appellant] voert in de toelichting op de grieven het volgende aan. [vennoot 1] heeft, zonder [appellant] daarin te betrekken of hem daarvan in kennis te stellen, een door [Y] opgestelde valse arbeidsovereenkomst ondertekend en een valse werkgeversverklaring van een bedrijfsstempel van [de V.O.F.] voorzien, uit welke stukken zou moeten blijken dat er tussen [de V.O.F.] en [Y] een arbeidsovereenkomst is gesloten. Deze handelingen hebben niet “op c.q. uit naam” van [de V.O.F.] plaatsgevonden en kunnen reeds daarom niet aan [de V.O.F.] worden toegerekend. Bovendien wist [geïntimeerde] voorafgaand aan de procedure dat [appellant] niet bij de door [vennoot 1] gepleegde vervalsing betrokken was. Met deze wetenschap kon [geïntimeerde] in redelijkheid niet menen dat de onrechtmatige gedragingen van [vennoot 1] als gedragingen van [de V.O.F.] hebben te gelden, aldus nog steeds [appellant].

7. Het hof stelt voorop dat [appellant] niet heeft betwist dat het aandeel van de onrechtmatige gedragingen van [vennoot 1] in het ontstaan van de schade op 22,5 % kan worden gesteld. Wel is in geschil of die gedragingen aan [de V.O.F.] kunnen worden toegerekend en [appellant] uit hoofde van artikel 18 Wetboek van Koophandel naast [vennoot 1] hoofdelijk tot betaling van de met dit aandeel corresponderende bedragen moet worden veroordeeld.

8. Ingevolge artikel 18 van het Wetboek van Koophandel is ieder van de vennoten in een vennootschap van firma hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap. Deze hoofdelijke verbondenheid strekt zich uit tot alle schulden van de vennootschap, ongeacht of deze zijn ontstaan uit overeenkomst, onrechtmatige daad of enige andere bron van verbintenissen. Indien één der vennoten jegens een derde een onrechtmatige daad pleegt, zal moeten worden beoordeeld of er omstandigheden zijn om deze onrechtmatige daad aan de vennootschap toe te rekenen. Indien dat het geval is, is de andere vennoot hoofdelijk voor de schuld verbonden en is de vordering verhaalbaar op zowel het afgescheiden vennootschapsvermogen als op de privévermogens van de vennoten.

9. In het onderhavige geval heeft [vennoot 1], destijds samen met [appellant] vennoot van [de V.O.F.], valselijk een werkgeversverklaring waarin staat dat [Y] bij [de V.O.F.] in dienst is, van een bedrijfsstempel van [de V.O.F.] voorzien. Ook heeft hij valselijk een arbeidsovereenkomst ondertekend waarin staat dat [Y] bij [de V.O.F.] in dienst is. Ten slotte heeft hij, zoals hij tegenover de politie heeft verklaard en welke verklaring bevestiging vindt in die van [Y], zogenaamde loonstortingen gedaan vanaf de rekening van [de V.O.F.] op de rekening van [Y].

10. Deze (onrechtmatige) gedragingen moeten naar het oordeel van het hof in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van de vennootschap worden aangemerkt. Hiervoor is redengevend dat, zoals door [geïntimeerde] terecht is benadrukt, [vennoot 1] uitsluitend in zijn hoedanigheid van vennoot van [de V.O.F.] - en dus niet als privépersoon - de (valse) schijn kon wekken van het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen [Y] en [de V.O.F.] Uitsluitend omdat hij vennoot was van [de V.O.F.] had zijn handtekening onder de arbeidsovereenkomst tussen [Y] en [de V.O.F.] bewijswaarde ten opzichte van derden. Ook kon hij als vennoot beschikken over het bedrijfsstempel en de rekening van [de V.O.F.] waarvan de valse loonstortingen zijn gedaan. Gesteld noch gebleken is dat het ondertekenen van een arbeidsovereenkomst, het afgeven van de werkgeversverklaring en het doen van loonbetalingen handelingen zijn die buiten de normale taakvervulling van [vennoot 1] als vennoot lagen. Aldus heeft de omstandigheid dat [vennoot 1] en [appellant] hun bedrijf in een v.o.f. uitoefenen en [vennoot 1] als een der vennoten namens de v.o.f. naar buiten toe optreedt, de kans op het toebrengen van schade als de onderhavige vergroot.

Het gegeven dat [appellant] zelf niet bij deze handelingen betrokken was, noch daarvan in kennis was gesteld doet daar niet aan af. Die omstandigheid is slechts van belang bij de verdeling van de onderlinge draagplicht tussen [vennoot 1] en [appellant].

11. Niet valt in te zien hoe de omstandigheid dat [geïntimeerde] voor aanvang van de procedure wist dat [appellant] niet bij de door [vennoot 1] gepleegde vervalsingen betrokken was, tot een ander oordeel kan leiden.

12. Hierop stranden de genoemde grieven. De grieven 1 en 7 missen daarnaast zelfstandige betekenis. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Door [appellant] is bovendien niet een voldoende concreet en gespecificeerd bewijsaanbod gedaan.

De slotsom

Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover gewezen tussen [geïntimeerde] en [appellant] worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep (1 ½ punt in tarief III).

Het gerechtshof

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen tussen [geïntimeerde] en [appellant];

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 550,- aan verschotten en € 1.737,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de proceskostenveroordeling.

Aldus gewezen door mrs. L. Janse, voorzitter, L. Groefsema, en G. Van Rijssen,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 15 maart 2011 in bijzijn van de griffier.