Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP8682

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
21-002766-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2008:BD5597, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ4477, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ4477
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een ex-politieagent is veroordeeld tot 200 uur werkstraf wegens het seksueel binnendringen van een 14 jarig meisje. De verdediging heeft de geloofwaardigheid van aangeefster en van getuigen betwist. Het hof twijfelt niet aan de geloofwaardigheid. De verklaring van aangeefster wordt bevestigd door een aantal getuigen en door de inhoud van enkele e-mailberichten. Bij het bepalen van de straf heeft het hof ermee rekening gehouden dat de strafzaak al tot het ontslag van verdachte heeft geleid. De straf is gelijk aan de straf die door de rechtbank te Arnhem is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002766-08

Uitspraak d.d.: 22 maart 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van

27 juni 2008 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 1 juli 2009, 20 juli 2010, 17 januari 2011 en 8 maart 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr A.H.J.G. van Voorthuizen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met 10 juli 2006 te [pleegplaats], (telkens) buiten echt ontuchtige handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten (telkens) het met de penis en/of een of meer vingers en/of de tong binnendringen in de vagina en/of likken aan en/of betasten van de vagina en/of met de tong binnendringen in de mond en/of betasten van de borsten en/of laten aftrekken, althans laten betasten, van zijn, verdachtes, penis, heeft gepleegd met

[aangeefster], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweren

Breedbandonderzoek naar de persoonlijkheid van aangeefster.

De raadsman heeft bepleit dat door een deskundige, bijvoorbeeld dr R. Bullens, een zogenoemde breedbandprocedure met betrekking tot [het slachtoffer] wordt uitgevoerd. Een dergelijk onderzoek houdt in -kort weergegeven- dat niet alleen aan de hand van de beeldopnamen van de verhoren van [aangeefster] bij de politie en de rechter-commissaris de betrouwbaarheid van haar verklaringen wordt beoordeeld, maar ook een onderzoek naar de psychische gesteldheid van [aangeefster] in combinatie met een interview met haar over het (vermeende) seksueel misbruik plaatsvindt.

Bij tussenarrest d.d. 15 juli 2009 heeft het hof het noodzakelijk geoordeeld dat dr R. Bullens wordt benoemd om de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] te beoordelen, terwijl het verzoek van de raadsman voor het overige werd afgewezen.

De raadsman heeft laatstbedoeld verzoek nadien ter zitting van het hof herhaald.

Het hof blijft bij de eerder genomen beslissing op dit punt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat dr. Bullens in zijn rapport onder 2.2.1 weliswaar vermeldt dat er wel factoren zijn die het afleggen van een betrouwbare verklaring bemoeilijken, met name dat [aangeefster] een meisje is dat van anderen veel aandacht vraagt en graag in het middelpunt van de belangstelling wil staan. Op zichzelf staand, is dit kenmerk echter onvoldoende om een verklaring - enkel op basis daarvan - minder betrouwbaar of onbetrouwbaar te achten. Bovendien had [aangeefster] ten tijde van de aangifte ook al de aandacht van haar nieuwe vriendje, waardoor dit aandachtspunt aan kracht inboet, aldus de deskundige.

Er zijn ook thans door de verdediging geen nieuwe argumenten aangevoerd die het hof tot een ander oordeel brengen. Slotsom is dat het hof de noodzaak voor een dergelijk onderzoek naar de persoonlijkheid van aangeefster niet aanwezig acht.

Strijd met artikel 6 EVRM

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad om de opnamen van de verhoren van de diverse getuigen op de meest optimale manier te bekijken en te beoordelen, te weten op het kantoor van de raadsman.

Het hof constateert dat de raadsman dit verweer uitdrukkelijk niet heeft willen voeren in het kader van een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof merkt op dat de opnamen van de verhoren van de diverse getuigen in het belang van de privacy van aangeefster, de getuigen en de verbalisanten, niet in kopie aan de verdediging zijn verstrekt, doch dat dit niet betekent dat er in het onderhavige geval in strijd met artikel 6 EVRM is gehandeld. De verdediging heeft immers ruimschoots de gelegenheid gehad en heeft daarvan ook gebruik gemaakt om die opnamen te bekijken.

De raadsman heeft voorts nog gesteld:

- dat er in strijd is gehandeld met het bepaalde in artikel 167a Sv.

- dat er geen onderzoek is gedaan naar het mogelijk illegaal tappen door BIZ.

- dat de rechter-commissaris het stellen van sommige vragen aan de deskundige belet heeft.

Ook hier stelt het hof vast dat de raadsman deze verweren uitdrukkelijk niet heeft willen voeren in het kader van een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Bij gebreke aan nadere onderbouwing, specificatie en een duidelijke conclusie, volstaat het hof met kennisneming van deze door de raadsman genoemde punten.

De verweren worden derhalve verworpen.

Betrouwbaarheid van de verklaringen

De raadsman heeft ernstige kritiek geuit op het opsporingsonderzoek. Aan deze kritiek heeft de raadsman de conclusie verbonden dat de verklaringen van [A], [B], [C] en van aangeefster niet betrouwbaar zouden zijn en dat ze voor het bewijs zouden moeten worden uitgesloten. Naar zijn mening zijn de verklaringen op elkaar afgestemd, althans is er ruis ontstaan toen tussen deze personen contact is geweest naar aanleiding van de aangifte van [aangeefster]. Zijn veronderstelling is dat er toen verhalen door elkaar zijn gaan lopen en dat achteraf niet meer precies duidelijk is te krijgen wie wat heeft gezegd.

Verdachte ontkent dat hij seksuele handelingen met [aangeefster] heeft gepleegd. Hij vindt dat [aangeefster] hem vals heeft beschuldigd. Namens verdachte is -kort gezegd- betoogd dat de verklaringen van de getuigen niet betrouwbaar zijn en dat ze daarom voor het bewijs moeten worden uitgesloten. [aangeefster] zou het verhaal hebben verzonnen en dit verhaal zou min of meer klakkeloos door getuigen zijn gevolgd.

Het hof oordeelt hierover als volgt.

Verdachte, genaamd [voornaam verdachte], ging in het voorjaar van 2006 om met [aangeefster], de toen 14-jarige dochter van [A], een vriendin van [B], de toenmalige vriendin van verdachte. Verdachte hielp [aangeefster] met praktische zaken, zoals met een laptop, en [aangeefster] kon goed met hem praten over haar thuissituatie. In het dossier zitten enkele e-mailberichten waaruit deze vriendschappelijke contacten kunnen worden afgeleid.

[aangeefster] heeft in oktober 2006 aangifte gedaan van hetgeen tussen haar en verdachte in de periode van 1 juni 2006 tot en met 10 juli 2006 is voorgevallen. Deze aangifte kwam voort uit het feit dat [aangeefster] in een werkstuk voor school had beschreven dat zij door een 44-jarige man is misbruikt en dat zij bijna zwanger van hem is geworden.

Blijkens deze aangifte hebben [aangeefster] en verdachte - kort gezegd - een steeds verdergaand fysiek contact met elkaar gehad, dat aanvankelijk onschuldig begon maar steeds verder is gegaan, waarbij tussen hen allerlei seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, zoals strelen, vingeren en tongzoenen. Op 10 juli 2006 zou verdachte met [aangeefster] gemeenschap hebben gehad, iets waarmee [aangeefster] overigens had ingestemd.

Op 10 juli 2006 is [aangeefster] op vakantie gegaan. In die vakantie leerde zij [D] kennen, met wie zij bevriend raakte en aan wie [aangeefster] heeft verteld over haar vriendschap met [voornaam verdachte] en ook over het feit dat zij en verdachte gemeenschap met elkaar hebben gehad.

Verschillende getuigen hebben verteld wat zij van [aangeefster] en van verdachte hebben gehoord.

[A], de moeder van [aangeefster], heeft verklaard dat zij van [aangeefster] hoorde dat het om [voornaam verdachte] ging, dat het met zoenen is begonnen en dat het langzamerhand steeds verder is gegaan. Dat [aangeefster] meerdere keren naakt op [voornaam verdachte] heeft gelegen en dat hij één keer bij haar naar binnen is gegaan.

[B], de toenmalige vriendin van verdachte, heeft bij de politie verklaard dat [voornaam verdachte] zijn seksuele relatie met [aangeefster] aan haar heeft toegegeven. Zij heeft ook verklaard dat zij [voornaam verachte] had gewaarschuwd voor het feit dat [aangeefster] verliefd op hem zou zijn. Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat [B] dit inderdaad tegen hem heeft gezegd. In hoger beroep is de getuige bij de rechter-commissaris gehoord en daar is zij bij haar verklaring gebleven. [voornaam verdachte] had haar verteld dat hij twee keer met [aangeefster] heeft zitten zoenen en dat hij het een keer echt heeft gedaan.

Getuige [C] was bevriend met verdachte. Zij heeft in 2007 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij verdachte al langere tijd (12 jaar) kende en dat zij [aangeefster] noch haar moeder kende. Zij verklaarde dat zij niet bij de politie gehoord wilde worden, omdat verdachte een goede vriend van haar was. Zij vond het vervelend om nu ten overstaan van de rechter-commissaris te moeten “klikken” over iets dat iemand haar in vertrouwen had gezegd. Volgens [C] heeft verdachte haar in oktober 2006 gebeld en haar verteld dat het uit was met [B]. Op haar vraag waarom dit zo was, vertelde hij haar dat hij was vreemdgegaan met de dochter van een vriendin van [B]. Het meisje was 16. Later had zij van [B] gehoord dat het meisje geen 16 maar 14 was.

Het hof hecht in dit verband ook veel waarde aan e-mailberichten van 1, 6 en 8 augustus 2006 tussen [aangeefster] en [D], waaruit valt te lezen dat [aangeefster] tegenover [D] uitte dat zij bang was dat, nu haar menstruatie uitbleef, zij zwanger zou zijn en dat dit van [voornaam verdachte] zou (kunnen) zijn. In hoger beroep is [D] gehoord en hij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [aangeefster] redelijk snel in hun relatie had verteld dat ze seks met [voornaam verdachte] had gehad, meerdere keren.

Tevens is een rapport opgemaakt over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] door de deskundige dr R. Bullens. Voorts is de deskundige op de zitting van het hof gehoord. Uit dit rapport kan worden afgeleid dat er naar aanleiding van het onderzoek door de politie, de wijze van bevraging door de politie en het tijdsverloop tussen de gebeurtenissen en het verhoor enige ruimte is geweest voor het ontstaan van ‘ruis’. Wat de kans op ruis echter doet afnemen is dat [aangeefster] consistent is wat betreft de centrale gebeurtenissen omtrent het (vermeende) seksueel misbruik en dat er geen sprake is van een incrementeel karakter (in de zin dat haar verklaring steeds meer zou ‘uitdijen’) van haar verklaring, aldus de deskundige.

Het hof is van oordeel dat de door de deskundige geschetste argumenten ‘pro en contra’ die in gedragswetenschappelijk opzicht betrekking hebben op de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaring van [aangeefster], bij de weging in het voordeel van aangeefster moeten worden opgevat. Het hof gaat dan ook uit van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster.

Het hof deelt de stelling van de raadsman dat de verklaringen van de genoemde getuigen onbetrouwbaar zijn, niet. De genoemde getuigen verklaren voor een groot deel niet alleen over hetgeen zij van [aangeefster] hebben gehoord, maar ook over hetgeen verdachte hen zelf heeft verteld. Bovendien vinden de verklaringen steun in bijvoorbeeld de genoemde

e-mailberichten tussen [aangeefster] en [D] over de angst voor een zwangerschap veroorzaakt door verdachte.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hof geen geloof hecht aan het alibi van verdachte over de gebeurtenissen op 10 juli 2006.

Het hof is van oordeel dat de verklaringen van de getuigen betrouwbaar zijn en heeft op basis van deze bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met 10 juli 2006 te [pleegplaats], (telkens) buiten echt ontuchtige handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten (telkens) het met de penis en/of een of meer vingers en/of de tong binnendringen in de vagina en/of likken aan en/of betasten van de vagina en/of met de tong binnendringen in de mond en/of betasten van de borsten en/of laten aftrekken, althans laten betasten, van zijn, verdachtes, penis, heeft gepleegd met

[aangeefster], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Verdachte, destijds politieagent, heeft als 44-jarige volwassen man meerdere keren ontuchtige handelingen gepleegd met een toen pas 14-jarig meisje. Deze handelingen bestonden onder meer uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Verdachte was er door een getuige op geattenteerd dat [aangeefster] verliefd op hem was. Verdachte had dit signaal moeten oppikken en had afstand moeten houden. Desalniettemin is verdachte een seksuele relatie met [aangeefster] aangegaan. In artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht is strafbaar gesteld het plegen van ontuchtige handelingen die bestaan of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam met minderjarigen tussen de 12 en 16 jaren. Ook als dergelijke handelingen met instemming van een aangeefster hebben plaatsgevonden, is dit strafbaar. De bescherming van de minderjarige staat hierbij immers centraal. Slachtoffers van dergelijke delicten worden soms pas na verloop van tijd met de gevolgen geconfronteerd, hetgeen ook in de slachtofferverklaring van [aangeefster] valt te lezen. Naar het oordeel van het hof betreft dit een ernstig feit waardoor de rechtsorde is geschokt.

Verdachte is als gevolg van deze handelingen zijn baan als politie-ambtenaar kwijt geraakt.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding om naast de onvoorwaardelijke werkstraf nog een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van

200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door

100 (honderd) dagen hechtenis.

Bepaalt dat bij de uitvoering van de taakstraf 6 (zes) uren in mindering worden gebracht wegens de tijd door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten totaal 3 (drie) dagen.

Aldus gewezen door

mr M. Barels, voorzitter,

mr H.W. Koksma en mr W.R. Rosingh, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.R.M. Roetgerink, griffier,

en op 22 maart 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.