Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP8664

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-03-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
24-002690-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is ter zake van wederspannigheid en bedreiging veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 20 uren. Bewijsoverweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002690-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-480079-09

Arrest van 18 maart 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 oktober 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1990] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van verdachte is bij akte rechtsmiddel beperkt tot de veroordeling ter zake van de feiten 2 en 3.

Derhalve is nog slechts het onder 2 en 3 ten laste gelegde aan hoger beroep onderworpen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep van belang - ten laste gelegd, dat:

feit 2:

hij op of omstreeks 01 februari 2009 in de gemeente [gemeente] toen de aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) verdachte op verdenking van het overtreden van één of meer op heterdaad ontdenkt(e) strafbare feiten, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin de ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden en/of zijn handen terug te trekken terwijl de verbalisant(en) probeerde(n) hem, verdachte, de boeien om te doen;

feit 3:

hij op of omstreeks 01 februari 2009 in de gemeente [gemeente] [verbalisant 2] hoofdagent van politie IJsselland District Zuid en/of [verbalisant 1] agent van politie IJsselland District Zuid, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 2] en/of [verbalisant 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik snij je keel door", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft in de eerste plaats aangevoerd, dat het niet nodig was om verdachte aan te houden ter zake van belediging, omdat de identiteitsgegevens van verdachte reeds bekend waren en hij daarvoor geverbaliseerd had kunnen worden. Het hof overweegt dat artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de bevoegdheid verleent de verdachte aan te houden. Daaraan verbonden is de plicht ervoor te zorgen dat de aangehoudene ten spoedigste voor de officier van justitie of een hulpofficier wordt geleid. Het hof ziet niet in dat er sprake is van misbruik van die bevoegdheid of van een onjuiste keuze van de verbalisanten, mede gegeven de - op zijn minst - onrustige situatie van het moment.

In de tweede plaats heeft de raadsman betoogd, dat de verdachte in strijd met artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (Ambtsinstructie) is geboeid.

Artikel 22 van de Ambtinstructie luidt:

"1. De ambtenaar kan een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het vervoer handboeien aanleggen.

2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden getroffen, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.

3. De in het tweede lid bedoelde feiten of omstandigheden kunnen slechts gelegen zijn in:

a. de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of

b. de aard van het strafbare feit op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, één en ander in samenhang met de wijze waarop en de situatie waarin het vervoer plaatsvindt."

Het proces-verbaal van aanhouding vermeldt in dit verband:

"Bij de verdachte zijn de handboeien aangelegd ten behoeve van het vervoer.

Dit in verband met:

Gevaar voor vlucht

Het aanleggen van de boeien was noodzakelijk i.v.m. het gedrag van de verdachte en de uitlatingen in de richting van desbetreffende verbalisanten.

Dit in samenhang met het feit, dat het dienstvoertuig niet specifiek was ingericht voor dit vervoer."

De raadsman betwijfelt of het boeien noodzakelijk was in verband met gevaar voor vlucht. Maatgevend daarvoor is in zijn visie, dat verdachte - uiteindelijk - zijn vluchtpoging na zijn betrapping op het wildplassen heeft opgegeven. Een en ander brengt echter niet mee dat hij zich niet aan zijn aanhouding ter zake van belediging zou willen onttrekken. Dat dat niet rationeel zou zijn geweest maakt dat niet zodanig onwaarschijnlijk dat de verbalisanten daar geen rekening mee hoefden te houden, gelet op zijn eerdere poging zich aan de confrontatie met de verbalisanten te onttrekken en de omstandigheid, dat hij onder invloed was van alcoholhoudende drank. De door verbalisant [verbalisant 1] gemaakte afweging is niet zodanig dat deze strijd met artikel 22 van de Ambtsinstructie oplevert.

Het hof gaat ervan uit, dat verdachte zich heeft verzet, zoals in het proces-verbaal van aanhouding is weergegeven en door verbalisant [verbalisant 1] in haar verklaring bij de rechter-commissaris nader is geconcretiseerd, met name dat hij niet zijn armen wilde spreiden toen hij tegen de politieauto werd gezet. Voorts gaat het hof ervan uit, dat daarop door de verdachte de bedreiging is geuit als in feit 3 bewezenverklaard. In aanmerking nemend, dat de verbalisanten te maken hadden met een recalcitrante verdachte onder invloed van alcohol in een uitgaansgebied omstreeks half vijf 's nachts was er voor de verbalisanten in ieder geval geen reden om alsnog af te zien van het aanleggen van de handboeien. Niet in discussie is dat het dienstvoertuig niet specifiek was ingericht voor het vervoer.

Voor zover de raadsman met hetgeen hij heeft aangevoerd bedoeld heeft aan te voeren, dat vrijspraak zou dienen te volgen ter zake van het onder 2 ten laste gelegde, omdat de verbalisanten niet werkzaam zouden zijn in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, wordt het verweer verworpen.

Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsman vrijspraak bepleit, omdat niet kan worden aangenomen, dat de betrokken politieambtenaren daadwerkelijk vrees zouden hebben gehad, dat hij zijn bedreiging om hen de keel door te snijden ten uitvoer zou leggen.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is - voor zover hier van belang - vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.

Ten aanzien van de omstandigheden waaronder deze bedreiging met enig misdrijf tegen het leven van de politieambtenaren is geuit, overweegt het hof het volgende. Zoals hiervoor reeds aangegeven werd de uitlating gedaan door een recalcitrante verdachte onder invloed van alcohol in een uitgaansgebied omstreeks half vijf 's nachts. Van een voorafgaande veiligheidsfouillering blijkt niet. In aanmerking nemend, dat niet ongebruikelijk is dat in het nachtelijk uitgaansleven personen zijn voorzien van messen, is geen sprake van omstandigheden waarin de bedreiging niet serieus te nemen zou zijn.

Daaraan kan niet afdoen, dat een van beide verbalisanten tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft aangegeven van de bedreiging niet onder de indruk te zijn geweest.

Ook dit verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 2:

hij op 1 februari 2009 in de gemeente [gemeente] toen de aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren verdachte op verdenking van het overtreden van één of meer op heterdaad ontdekte strafbare feiten, hadden aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin de ambtenaren verdachte trachtten te geleiden en zijn handen terug te trekken terwijl de verbalisanten probeerden hem, verdachte, de boeien om te doen;

feit 3:

hij op 1 februari 2009 in de gemeente [gemeente][verbalisant 2], hoofdagent van politie IJsselland District Zuid en [verbalisant 1] agent van politie IJsselland District Zuid, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 2] en [verbalisant 1] dreigend de woorden toegevoegd : "Ik snij je keel door".

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

2.

wederspannigheid;

3.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 1 februari 2009 schuldig gemaakt aan wederspannigheid en bedreiging van twee politieambtenaren. Door zijn handelen heeft verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect jegens de opsporingsambtenaren van de politie en het gezag van de politie ondermijnd.

In het voordeel van verdachte spreekt dat hij, blijkens het Uittreksel uit de Justitiële documentatie van 23 december 2010, nog niet eerder veroordeeld is.

De raadsman heeft gepleit voor strafvermindering, omdat een van beide verbalisanten zonder noodzaak bij de aanhouding geweld heeft gebruikt. Door verbalisant [verbalisant 2] is verklaard, dat hij met de vlakke linkerhand tegen de rechterkant van het hoofd van de verdachte heeft geslagen om een schrikeffect te bewerkstellingen waardoor verdachte zijn verzet tegen het boeien zou staken. Hoewel het hof ervan uitgaat, dat het op een of andere wijze een schrikreactie, dan wel een lichte pijnprikkel, veroorzaken bij een zich verzettende verdachte een geoorloofde techniek betreft, is het in het onderhavige geval van oordeel dat, gelet op hetgeen daaromtrent ter terechtzitting is gebleken, sprake is geweest van onnodig en te zwaar geweld. Het hof zal daarmee rekening houden bij het bepalen van de strafmaat en de straf geheel voorwaardelijk opleggen.

Gelet op het voorgaande acht het hof de oplegging van een geheel voorwaardelijke werkstraf van 20 uren een passende sanctie.

Ten aanzien van het niet aan hoger beroep onderworpen door de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad bij vonnis d.d. 12 oktober 2009 onder 1 bewezen verklaarde feit zal het hof de straf, op de voet van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering en in navolging van het voorstel van de advocaat-generaal, bepalen op een geheel voorwaardelijke werkstraf van 10 uren, subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 180, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van twintig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt de straf, verdachte bij vonnis opgelegd ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit, op:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tien uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijf dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A. Dijkstra, voorzitter, mr. J.A.A.M. van Veen en mr. F.W.J. den Ottolander, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier, zijnde mr. F.W.J. den Ottolander buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.