Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP7424

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-02-2011
Datum publicatie
11-03-2011
Zaaknummer
21-002014-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof spreekt verdachte vrij ter zake van een “carjacking” in Enschede omdat niet buiten redelijke twijfel wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte dat feit heeft gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002014-10

Uitspraak d.d.: 11 februari 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Almelo van 25 mei 2010 in de strafzaak tegen

[Verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 januari 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr R.F. Speijdel, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 27 januari 2010, in de gemeente Enschede, op of aan de openbare weg, de Hengelosestraat, althans op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto (van het merk Toyota, type Avensis), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangeefster], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

* (terwijl die [aangeefster] in haar auto was gezeten en met die auto voor een verkeerslicht stond te wachten) in die auto is/zijn gaan zitten, en/of

* die [aangeefster] een wapen/pistool heeft/hebben getoond/laten zien, en/of

* (dreigend) tegen die [aangeefster] heeft/hebben gezegd: "je gaat gewoon rijden en je gaat gewoon mee bitch", althans woorden van soortelijke (dreigende) aard of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is vast komen te staan dat op 27 januari 2010 op de Hengelosestraat in Enschede door drie personen door middel van (bedreiging met) geweld een auto is gestolen van aangeefster [aangeefster].

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is een aantal aanwijzingen naar voren gekomen waaruit de betrokkenheid van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] bij de ten laste gelegde “carjacking” zou kunnen worden afgeleid.

Immers, medeverdachte [medeverdachte 2] - die in eerste aanleg onherroepelijk is veroordeeld voor de “carjacking” - heeft bij de politie en als getuige ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de “carjacking” samen met verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gepleegd. Voorts komt de beschrijving die aangeefster geeft van één van de daders overeen met het uiterlijk van medeverdachte [medeverdachte 1]. Getuige [getuige 1] heeft de gestolen auto zien verongelukken. Zij zag onder meer dat de bestuurder een blanke man was die uit de auto stapte en een pijnlijk been had waarmee hij sleepte. Deze verklaring komt overeen met de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3], die hebben verklaard dat verdachte op 27 januari 2010 ’s avonds de kamer van [getuige 2] binnenkwam en vertelde dat hij opgejaagd was en dat hij last had van zijn benen. De politie heeft gerelateerd dat onderzoek was gedaan bij de verongelukte auto en in de sneeuw een opvallend schoenspoor was aangetroffen. Dit spoor werd door de politie gevolgd tot de poort van het perceel aan de [adres]. Daar trof de politie buiten een man aan, die schoenen aanhad die ogenschijnlijk dezelfde afdruk maakten als de afdruk die werd aangetroffen bij de gestolen auto. Deze man bleek medeverdachte [medeverdachte 1] te zijn, die prompt werd aangehouden. Ten slotte is uit verkeersgegevens gebleken dat [medeverdachte 2] diezelfde avond met zijn mobiele telefoon meermalen met verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gebeld.

Er is echter ook gebleken van de hierna te noemen, verdachte ontlastende, feiten en omstandigheden. Dat zijn, niet limitatief, de volgende.

- Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] hebben zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg alsook ter terechtzitting in hoger beroep stelselmatig ontkend dat zij de “carjacking” hebben gepleegd.

- De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep verschilt op wezenlijke onderdelen van zijn verklaring bij de politie. Hij heeft onder meer wisselend verklaard over het in de auto stappen van de daders en het uit de auto gaan van aangeefster. Ook heeft hij ter terechtzitting anders verklaard over het verlaten van de woning van [getuige 2] na de diefstal en heeft hij in hoger beroep verklaard dat hij reeds eerder die avond in de woning van [getuige 2] was geweest.

- De verklaringen van [medeverdachte 2] over zijn aanwezigheid samen met verdachte en [medeverdachte 1] in de woning van [getuige 2] aan [adres] in de avond van 27 januari 2010 worden niet bevestigd door de getuigen [getuige 2] en [getuige 3], die die avond in de bewuste woning bij [getuige 2] op bezoek was. Integendeel, de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] hebben verklaard dat alleen [verdachte] in de woning van [getuige 2] is geweest. Over het roken van wiet in de woning van [getuige 2] zoals door [medeverdachte 2] is verklaard, verklaren zij evenmin.

- De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte omstreeks 21.30 uur bij haar thuis kwam, terwijl aangeefster heeft verklaard dat de diefstal van haar auto omstreeks diezelfde tijd plaatsvond. [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte om ongeveer half negen à negen uur bij [getuige 2] was gekomen.

- Aangeefster heeft verklaard dat één van de daders haar met een pistool bedreigde. Dit wapen is niet onder de verdachten of in de buurt van de auto aangetroffen evenmin als de gebreide muts die volgens de aangeefster werd gedragen door de man die haar met een pistool bedreigde. Dat zou dan medeverdachte [medeverdachte 1] moeten zijn geweest, die kort na het plegen van het feit werd aangehouden, in het bezit van al zijn bezittingen, in een sporttas. Daar zat het bewuste petje niet in, terwijl dat misschien wel in de rede zou hebben gelegen.

- Van het in de sneeuw aangetroffen schoenspoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] en van de zolen van zijn schoenen bevinden zich geen foto’s in het dossier.

- Voor de hand liggend (technisch) onderzoek dat verdachte zou kunnen belasten, is door de politie niet verricht, althans daarvan is op grond van het dossier niet gebleken. Hierbij zou kunnen worden gedacht aan onderzoek naar vingerafdrukken in de auto, onderzoek naar het letsel van verdachte en onderzoek naar andere voetsporen (van verdachte) in de sneeuw.

- Er is DNA-onderzoek verricht aan de airbags van de gestolen auto. De conclusie van dit onderzoek is slechts dat de aanwezigheid van celmateriaal van verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] niet kan worden uitgesloten. Anders dan de advocaat-generaal kennelijk betoogt, kan dit gegeven niet voor het bewijs worden gebruikt.

Bij deze stand van zaken is naar het oordeel van het hof de betrokkenheid van verdachte bij de “carjacking” in onvoldoende mate vast komen te staan. De verklaringen van [medeverdachte 2] zijn wisselend en onderling tegenstrijdig en worden op belangrijke onderdelen niet ondersteund door andere getuigenverklaringen. Voorts zijn de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3], gezien de door hen genoemde tijden, eerder ontlastend dan belastend voor verdachte. Ten slotte is er geen technisch bewijs tegen verdachte voorhanden. Derhalve is niet buiten redelijke twijfel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde diefstal met geweld heeft gepleegd.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.097,85. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde partij], in haar vordering niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,

mr H. Abbink en mr B.W.M. Hendriks, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr W.B. Kok, griffier,

en op 11 februari 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.