Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP7359

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
200.066.469/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW9234, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BW9234
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verplichting levering varkensrechten aan verpachter gaat niet van rechtswege over bij eigendomsovergang. Nieuwe pachtcontract schept geen verbintenis tot levering varkensrechten aan verpachter. Ook geen 'packagedeal'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2012/156

Uitspraak

Arrest d.d. 1 februari 2011

Zaaknummer 200.066.469/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. A.A.M. van Exsel, kantoorhoudende te Boxtel, die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. O.C. Struif, kantoorhoudende te Drachten, die ook heeft gepleit.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 16 december 2009 door de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 8 januari 2010 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 1 juni 2010.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"te vernietigen het vonnis, op 16 december 2009, door de rechtbank Zwolle-Lelystad tussen partijen gewezen, en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Geïntimeerde alsnog in zijn vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen;

2. Geïntimeerde te veroordelen om al hetgeen appellant ter uitvoering van het bestreden vonnis aan geïntimeerde heeft voldaan en aan geïntimeerde heeft geleverd aan appellant terug te betalen en terug te leveren, vermeerderd met de wettelijke rente daarover van de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

3. Geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant van de gevolgschade, die appellant lijdt en /of zal lijden ten gevolge van de uitvoering van het bestreden vonnis;

4. Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties en in de wettelijke rente over deze kosten, indien hij die niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest zal hebben voldaan.

De conclusie van de memorie van grieven, tevens wijziging van eis, luidt:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. te vernietigen het vonnis van 16 december 2009, door de rechtbank Zwolle-Lelystad uitgesproken tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser;

b. opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] alsnog te veroordelen conform de eis in de appeldagvaarding, daaronder begrepen een bedrag van € 400,12 wegens de gelegde beslagen, met dien verstande, dat indien [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot teruglevering van de varkensrechten aan [appellant], [geïntimeerde] het aanvraagformulier "Overdracht Productierechten"binnen 14 dagen na het in dezen te wijzen arrest ingevuld en ondertekend aan [appellant] dient te hebben overhandigd, bij gebreke waarvan [geïntimeerde] jegens [appellant] een dwangsom verbeurt van € 5.000,00 voor elke dag op een gedeelte daarvan, dat hij daarmee in gebreke is."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"het vonnis van de rechtbank te Zwolle van 16 december 2009 zonodig onder verbetering een aanvulling van gronden te bekrachtigen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep."

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten door hun advocaten aan de hand van pleitnotities. Daarbij zijn namens [appellant] 5 producties overgelegd.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd op het pleitdossier.

De grieven

[appellant] heeft zes grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 16 december 2009 in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.12) de in deze zaak vaststaande feiten weergegeven. Hieromtrent bestaat tussen partijen geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Deze komen, aangevuld met wat overigens in hoger beroep is komen vast te staan, op het volgende neer.

1.1 [geïntimeerde] is - tezamen met [naam BV] - vennoot van de v.o.f. [naam v.o.f. geïntimeerde] (hierna: [v.o.f. geïntimeerde]), gevestigd te Wijhe, gemeente Olst-Wijhe.

1.2 [v.o.f. geïntimeerde] heeft in 2003 een varkensvermeerderingsbedrijf met erf en ongeveer één hectare cultuurgrond gepacht van [verpachter] te Raalte. Het bedrijf is gelegen te Wijhe.

1.3 De pachtovereenkomst is aangegaan voor de duur van drie jaar, ingaande 1 januari 2003 en eindigend op 31 december 2005 en goedgekeurd door de Grondkamer op 22 mei 2003.

1.4 Bij gelegenheid van de pacht heeft [verpachter] aan [v.o.f. geïntimeerde] varkensrechten ter beschikking gesteld. In de pachtovereenkomst is daarover in artikel 16 het volgende opgenomen:

"Per 1 januari 2003 worden door de verpachter aan de pachter 785,8 verhandelbare varkensrechten fokzeugen, 3 verhandelbare varkensrechten niet-fokzeugen en 15 niet-verhandelbare varkensrechten niet-fokzeugen kosteloos overgeschreven. Wanneer de pacht wordt beëindigd, is de pachter verplicht om deze rechten kosteloos terug te doen komen op naam van de verpachter of, in geval de overheid regelgeving rond varkensrechten wijzigt, is de pachter, daaruit voortkomende, verplicht om kosteloos voorwaarden te scheppen dat op het bedrijf 294 fokzeugen gehouden kunnen worden, tenzij in overleg met de verpachter anders wordt overeengekomen."

1.5 Op 14 juni 2004 heeft [verpachter] zijn bedrijf aan [appellant] verkocht. In de koop waren begrepen: het fokzeugenbedrijf, bestaande uit een vrijstaande bedrijfswoning met tuin, erf en vier varkensschuren, een werktuigenberging met werkplaats, erf met toegangsweg alsmede aanhorige grond, ter grootte van circa 1.25.00 ha. De koopprijs voor het totaal bedroeg € 435.000,- kosten koper. Hiervan is een bedrag ad € 70.000,- gespecificeerd voor de varkensrechten en € 25.000,- voor de inventaris en de roerende zaken. Aldus resteerde een bedrag ad € 340.000,- voor de onroerende zaak. De koopovereenkomst is getekend op 23 juni 2004. Artikel 6.1 van de koopakte bepaalt dat pachtvrij geleverd zal worden.

[verpachter] en [appellant] hebben deze overeenkomst niet uitgevoerd en [verpachter] heeft niet kunnen leveren, omdat de bank al in april 2004 een executoriale verkoop had aangezegd en in de krant van 29 mei 2004 gepubliceerd. Op 12 juli 2004 is de onroerende zaak executoriaal verkocht aan een lasthebber van [appellant] voor een bedrag ad € 497.000,-. Deze koop omvatte alleen de onroerende zaak en niet ook de varkensrechten, de inventaris, de roerende zaken of de levende have. Op 20 juli 2004 is de onroerende zaak aan [appellant] geleverd.

1.6 Tussen [v.o.f. geïntimeerde] en [appellant] is vervolgens een nieuwe pachtovereenkomst gesloten, die door de Grondkamer is goedgekeurd. Deze nieuwe pachtovereenkomst heeft een duur tot 31 december 2014 en is overigens nagenoeg identiek aan de oude pachtovereenkomst. De nieuwe pachtovereenkomst bevat eenzelfde artikel 16 als die in de tussen [v.o.f. geïntimeerde] en [verpachter] gesloten pachtovereenkomst.

1.7 [verpachter] heeft op 7 augustus 2004 het bedrijf verlaten. Op of omstreeks deze datum is [v.o.f. geïntimeerde] teruggekeerd op het bedrijf en heeft in overleg met [appellant] het bedrijf geëxploiteerd tot 1 januari 2005. Op 1 mei 2005 heeft [v.o.f. geïntimeerde] de varkensrechten per 1 januari 2005 over doen schrijven op naam van [appellant], die vanaf de overdracht van de onroerende zaak tot 1 januari 2005 verpachter was.

1.8 [verpachter] heeft procedures tegen [v.o.f. geïntimeerde] en [appellant] aangespannen, omdat hij van mening was dat de varkensrechten aan hem hadden moeten worden teruggeleverd. De procedure tegen [appellant] droeg evenwel een voorwaardelijk karakter in die zin dat [verpachter] de vorderingen tegen [appellant] niet wenste te vervolgen indien het hof Arnhem in de procedure tussen [v.o.f. geïntimeerde] en [verpachter] zou komen tot een toewijzing van de vordering tot teruglevering van de varkensrechten. Deze procedures hebben geresulteerd in twee arresten van de Pachtkamer van het hof Arnhem (hierna: de Pachtkamer) van 7 oktober 2008. In de zaak van [verpachter] tegen [v.o.f. geïntimeerde] overwoog de Pachtkamer in rechtsoverweging 4.13:

Gelet op een en ander brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid mee dat [v.o.f. geïntimeerde] bij het einde van de pacht de varkensrechten aan [verpachter] diende aan te bieden, in die zin dat de rechten op naam van [verpachter] zouden worden overgeschreven, dan wel de rechten te zijnen behoeve aan een derde zouden worden verkocht, met als gevolg dat de vermogenswaarde die de varkensrechten vertegenwoordigden, naar [verpachter] zou terugkeren.

1.9 In dezelfde zaak overwoog de Pachtkamer in rechtsoverweging 4.15:

[v.o.f. geïntimeerde] is tekortgeschoten in de op haar rustende verbintenis tot overschrijving van de varkensrechten.

1.10 De Pachtkamer heeft [v.o.f. geïntimeerde] en haar vennoten, waaronder [geïntimeerde], hoofdelijk veroordeeld om binnen twee weken na betekening van het arrest aan [verpachter] te leveren een zodanig aantal varkensrechten dat daarmee 294 fokzeugen gehouden kunnen worden.

1.11 Gelet op het voorwaardelijke karakter van de zaak tegen [appellant] en de toewijzing van het gevorderde in de zaak tegen [v.o.f. geïntimeerde] verklaarde de Pachtkamer [verpachter] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep in de zaak tegen [appellant]. In rechtsoverweging 4.8 van dat arrest overwoog de Pachtkamer:

In dit verband is van belang dat [appellant] in dit geding steeds de opvatting heeft verdedigd dat [v.o.f. geïntimeerde] de varkensrechten terecht op zijn naam heeft doen overschrijven, in plaats van op naam van [verpachter]. Bij arrest van heden heeft het hof in de zaak met nummer 104.004.196 die opvatting verworpen, naar welk arrest het hof in dit verband verwijst. In zoverre valt [appellant] aan te merken als de in dit hoger beroep in het ongelijk gestelde partij. Het hof zal in verband daarmee de proceskosten van [appellant] voor diens rekening laten.

1.12 [geïntimeerde] heeft [appellant] verzocht en gesommeerd om de aan hem geleverde varkensrechten terug te leveren, hetgeen [appellant] tot aan het vonnis in eerste aanleg heeft geweigerd.

1.13 Na veroordeling daartoe in eerste aanleg heeft [appellant] aan [geïntimeerde] een zodanig aantal varkensrechten geleverd dat daarmee 294 fokzeugen gehouden kunnen worden.

De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg

2. [geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard voor de rechtbank Zwolle-Lelystad en gevorderd, samengevat, primair veroordeling tot levering van een zodanig aantal varkensrechten dat daarmee 294 fokzeugen gehouden kunnen worden op straffe van verbeurte van een dwangsom en subsidiair tot betaling van schadevergoeding. De rechtbank heeft de primaire vordering toegewezen, met maximering van de dwangsom en met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

De bespreking van de grieven

3. Grief 1 houdt in dat de rechtbank haar beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd.

Grief 2 houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] geen inhoudelijke argumenten heeft aangevoerd, die aantonen dat hetgeen in de arresten van de Pachtkamer is overwogen, onjuist is.

Grief 3 houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] zich jegens [geïntimeerde] schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een onrechtmatige daad, bestaande uit de weigering van [appellant] om mee te werken aan het terugleveren van de varkensrechten aan [geïntimeerde].

Grief 4 houdt in dat de rechtbank ten onrechte [appellant] heeft veroordeeld de varkensrechten aan [geïntimeerde] te leveren.

Grief 5 houdt in dat de rechtbank rechtsoverweging 4.13 van het arrest van de Pachtkamer in de zaak [verpachter] tegen [v.o.f. geïntimeerde] op onjuiste wijze heeft geïnterpreteerd.

Grief 6 houdt in dat de rechtbank geen dan wel onvoldoende aandacht heeft besteed aan de implicaties van rechtsoverweging 4.13 van het arrest van de Pachtkamer in de zaak [verpachter] tegen [v.o.f. geïntimeerde]

4. In de toelichtingen op deze grieven stelt [appellant] centraal dat de rechtbank geen of onvoldoende onderscheid heeft gemaakt tussen de drie verschillende rechtsverhoudingen, te weten enerzijds die tussen hem en [v.o.f. geïntimeerde] en anderzijds die tussen hem en [verpachter] en die tussen [verpachter] en [v.o.f. geïntimeerde]. Ten aanzien van de rechtsverhouding tussen hem en [v.o.f. geïntimeerde] is volgens [appellant] van belang dat een nieuwe pachtovereenkomst is gesloten met daarin een artikel 16 dat gelijkluidend is aan artikel 16 in de pachtovereenkomst tussen [verpachter] en [v.o.f. geïntimeerde], echter met dien verstande dat thans [v.o.f. geïntimeerde] de verpachter is als bedoeld in dat artikel. Voorts is volgens [appellant] in het kader van de beëindiging van de pachtrelatie tussen hem en [v.o.f. geïntimeerde] een "packagedeal" gesloten, waarbij [v.o.f. geïntimeerde] zich verbond tot levering van de varkensrechten aan [appellant] en waartegenover [appellant] jegens [v.o.f. geïntimeerde] een pakket verplichtingen aanging dat een gelijke waarde vertegenwoordigde als de varkensrechten, namelijk een bedrag van € 70.000,-.

Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

5. Volgens de uitspraak van de Pachtkamer in de zaak tussen [verpachter] en [v.o.f. geïntimeerde] staat de verplichting van [v.o.f. geïntimeerde] om bij het einde van de pacht de varkensrechten kosteloos "terug te doen komen op naam van de verpachter" niet in onmiddellijk verband met het verschaffen van het gebruik van het gepachte en evenmin in onmiddellijk verband met de verplichting van de pachter tot het betalen van de pachtprijs. Nu aldus een onmiddellijk verband tussen genoemde verplichting met de kernverplichtingen van verpachter en pachter ontbreekt, gaat die verplichting niet van rechtswege mee over in geval van eigendomsovergang van het gepachte, aldus de Pachtkamer. Vervolgens oordeelt de Pachtkamer dat genoemde partijen ook niet zijn overeengekomen dat in geval van eigendomsovergang de varkensrechten na beëindiging van de pacht aan de nieuwe eigenaar geleverd moeten worden. Voor wat betreft de vraag wat rechtens is inzake de varkensrechten na eigendomsovergang van het gepachte bevat de overeenkomst tussen [v.o.f. geïntimeerde] en [verpachter] volgens de Pachtkamer een leemte, die op de voet van het eerste lid van artikel 6:248 Burgerlijk Wetboek door aanvulling van de overeenkomst dient te worden weggenomen. Gelet op een aantal door de Pachtkamer genoemde feiten en omstandigheden concludeert de Pachtkamer dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [v.o.f. geïntimeerde] in een zodanig geval bij het einde van de pacht de varkensrechten aan [verpachter] dient aan te bieden, in die zin dat de rechten op naam van [verpachter] zouden worden overgeschreven, dan wel de rechten te zijnen behoeve aan een derde zouden worden verkocht, met als gevolg dat de vermogenswaarde die de varkensrechten vertegenwoordigden naar [verpachter] zou terugkeren.

6. Nu [appellant] in de procedure tussen [v.o.f. geïntimeerde] en [verpachter] geen partij was en haar rechtsverhouding tot [v.o.f. geïntimeerde] inderdaad moet worden onderscheiden van die tussen [v.o.f. geïntimeerde] en [verpachter], staat het hem op zichzelf vrij om in de onderhavige zaak met kracht van argumenten te betogen dat door de eigendomsovergang van het gepachte het recht op levering van de varkensrechten wel van rechtswege op hem is overgegaan en/of dat de overeenkomst tussen [v.o.f. geïntimeerde] en [verpachter] er wel toe strekte dat bij eigendomsovergang de varkensrechter aan de nieuwe eigenaar geleverd moesten worden. Dit wordt niet anders door wat de Pachtkamer in het kader van de beslissing over de proceskosten heeft overwogen in de procedure tussen [appellant] en [verpachter]. Het hof volgt [appellant] dan ook in zijn standpunt dat de arresten van de Pachtkamer niet reeds zonder meer impliceren dat [appellant] onrechtmatig jegens [v.o.f. geïntimeerde] heeft gehandeld, zoals de rechtbank heeft aangenomen.

7. Vastgesteld moet echter worden dat [appellant] ook in hoger beroep geen enkele grond heeft aangedragen waarom de oordelen van de Pachtkamer inzake de overeenkomst tussen [verpachter] en [v.o.f. geïntimeerde] en de vraag of door de eigendomsovergang van het gepachte de rechten uit hoofde van artikel 16 van die overeenkomst op [appellant] zijn overgegaan onjuist zijn. Ook ambtshalve ziet het hof geen aanleiding op deze punten anders te oordelen dan de Pachtkamer heeft gedaan. Het hof neemt deze oordelen van de Pachtkamer over en maakt die tot de zijne. De stelling van [appellant] dat [v.o.f. geïntimeerde] niet in cassatie is gegaan van het arrest van de Pachtkamer en aldus haar schade niet heeft beperkt is daarmee zonder betekenis geworden.

8. Het hof begrijpt [appellant] voorts aldus dat het voorgaande onverlet laat dat tussen hem en [v.o.f. geïntimeerde] een nieuwe pachtovereenkomst is opgenomen waarin een gelijkluidend artikel 16 is opgenomen, maar waarin [appellant] de verpachter is als bedoeld in dat artikel. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

9. In artikel 16 van het nieuwe pachtcontract tussen [v.o.f. geïntimeerde] en [appellant] is artikel 16 van het oude pachtcontract tussen [v.o.f. geïntimeerde] en [verpachter] "één op één" overgenomen. Uit het over en weer gestelde blijkt dat de reden hiervoor was dat zowel [v.o.f. geïntimeerde] als [appellant] er vanuit ging dat door de eigendomsovergang van het gepachte het recht op teruglevering van de varkensrechten van rechtswege was overgegaan van [verpachter] op [appellant]. [appellant] heeft onder 10 van zijn conclusie van antwoord in dit verband verwezen naar een brief van 23 juli 2004 van mr. H.C.F. Bot als gemachtigde van [v.o.f. geïntimeerde] aan [naam gemachtigde appellant], de gemachtigde van [appellant] (productie 5 bij voornoemde conclusie). In die brief schrijft Bot:

Na eigendomsovergang van het verpachte op de heer [naam appellant] volgt deze op grond van artikel 34 Pachtwet in alle rechten en verplichtingen van de voormalige verpachter op. Een en ander betekent dat onze cliënte na beëindiging van de onderhavige pachtovereenkomst de varkensrechten in kwestie zal overdragen aan de heer [naam appellant].

Onder 40 van de conclusie van antwoord stelt [appellant] dat hij geen reden had aan de inhoud van deze brief van mr. Bot te twijfelen en dat zijn opvatting zeer plausibel was.

10. Uit het voorgaande volgt dat partijen met het opnemen van artikel 16 in het nieuwe pachtcontract niet bedoeld hebben een nieuwe verbintenis in het leven te roepen, maar dat zij daarmee de rechtstoestand hebben beschreven zoals die naar hun toenmalige mening was ontstaan als gevolg van de eigendomsovergang van het verpachte. Zij gingen er beide vanuit dat dientengevolge het recht op levering van de varkensrechten bij beëindiging van de pacht overeenkomstig artikel 16 van het oude pachtcontract van rechtswege op van [appellant] was overgegaan. Hiervoor is echter vastgesteld dat die opvatting rechtens onjuist is. Een en ander impliceert dat artikel 16 van het nieuwe pachtcontract betekenis mist, in die zin dat het geen rechtsgrond vormt op basis waarvan [v.o.f. geïntimeerde] gehouden was tot levering van de varkensrechten aan [appellant]. Dit zou slechts anders zijn geweest indien partijen ter beëindiging van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt tot een vaststelling daarvan waren overgegaan (artikel 7:900 BW). In dat geval zou hun vaststelling omtrent wat rechtens was in beginsel hebben geprevaleerd. Gesteld noch gebleken is echter dat van een zodanige situatie sprake was.

11. Hiermee komt het hof toe aan de stelling van [appellant] dat partijen in het kader van de beëindiging van de pacht een zogenaamde packagedeal hebben gesloten waarbij [v.o.f. geïntimeerde] zich verbond tot levering van de varkensrechten aan [appellant] en waartegenover [appellant] jegens [v.o.f. geïntimeerde] een pakket verplichtingen aanging dat een gelijke waarde vertegenwoordigde als de varkensrechten, namelijk een bedrag van € 70.000,-.

12. Deze stelling is niet goed te rijmen met het gegeven dat beide partijen er destijds van uitgingen dat als gevolg van de eigendomsovergang [v.o.f. geïntimeerde] verplicht was bij het einde van de pacht de varkensrechten om niet aan [appellant] te doen toekomen. [appellant] stelt ook zelf onder 7 van de memorie van grieven dat [v.o.f. geïntimeerde] de varkensrechten om niet aan hem heeft geleverd op grond van artikel 16 van de pachtovereenkomst. Mede in het licht daarvan heeft [appellant] onvoldoende feitelijk geadstrueerd dat een packagedeal in de door hem bedoelde zin tussen partijen is gesloten. Hij stelt niet op welke datum, wanneer, hoe en tussen wie die afspraak concreet tot stand is gekomen. Hij verwijst naar een brief van de heer [naam directeur] (directeur van [naam BV], een der vennoten van [v.o.f. geïntimeerde]) aan mr. Bot voornoemd d.d. 13 september 2004 en de akte van cessie gedateerd november 2004 (producties 8 en 9 bij de conclusie van antwoord). Naar het oordeel van het hof valt in die stukken geenszins te lezen dat een packagedeal in de gestelde zin is gesloten. Nu [appellant] de gestelde packagedeal overigens niet heeft onderbouwd, gaat het hof aan die stelling voorbij.

13. Een en ander brengt het hof tot de slotsom dat [v.o.f. geïntimeerde] zonder rechtsgrond de varkensrechten aan [appellant] heeft geleverd. Aldus is sprake geweest van onverschuldigde betaling en is de vordering van [v.o.f. geïntimeerde] op die grond toewijsbaar. De vraag of [appellant] (ook) onrechtmatig jegens [v.o.f. geïntimeerde] heeft gehandeld is daarom niet verder van belang.

14. De grieven stuiten uiteindelijk af op het vorenstaande en kunnen dan ook niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. Zij behoeven voor het overige geen afzonderlijke behandeling. Het vonnis van beroep zal met verbetering van gronden worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep (wat betreft het aan de zijde van [geïntimeerde] te liquideren salaris van de advocaat te begroten op 3 punten in tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 314,-- aan verschotten en € 2.682,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus mrs. L. Janse, voorzitter, M.M.A. Wind, E.W.J. de Groot, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 1 februari 2011.