Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP7338

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-03-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
24-001290-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is mishandeling. Veroordeelde heeft specifieke recidive t.a.v. dit delict.

Volgt een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, alsmede een werkstraf voor de duur van veertig uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-001290-10;

parketnummer eerste aanleg: 07-460689-09

Arrest van 10 maart 2011 van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 mei 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 20 november 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), één of meer kopstoten heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan hetgeen aan hem is ten laste gelegd. Meer in het bijzonder heeft de verdachte ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij weliswaar een woordenwisseling heeft gehad met [slachtoffer], dat hij in een opgefokte toestand naar die [slachtoffer] toekwam en dat hij een frontale beweging met zijn bovenlichaam heeft gemaakt in de richting van die [slachtoffer], met zijn armen opgeheven naast zijn lichaam, in een zogenaamde foto-finish-houding, maar dat hij die [slachtoffer] daarbij niet heeft geraakt. De verdachte heeft voorts verklaard dat die [slachtoffer] zich hierdoor mogelijk bedreigd heeft gevoeld en dat deze actie van hem door anderen mogelijk onjuist is gezien of geïnterpreteerd als het toebrengen van een kopstoot aan die [slachtoffer].

Het hof acht, voor zover de verdachte betoogt dat hij [slachtoffer] niet heeft geraakt, deze lezing van de feiten van de verdachte niet geloofwaardig en grondt dit op het volgende.

Aangever [slachtoffer] heeft blijkens het proces-verbaal van aangifte van

21 november 2009 onder meer bij de politie verklaard dat hij een kopstoot heeft gehad van een man die hij kent als [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]).

De getuige [getuige] heeft blijkens het proces-verbaal van verhoor van 21 november 2009 onder meer bij de politie verklaard dat zij heeft gezien dat een getinte man (het hof begrijpt: [verdachte]) een kopstoot toebracht aan een andere man (het hof begrijpt: [slachtoffer]).

Het hof heeft geen enkele aanwijzing bekomen op grond waarvan de verklaringen van de aangever [slachtoffer] en de getuige [getuige] als niet accuraat, niet betrouwbaar, dan wel ongeloofwaardig kunnen worden bestempeld.

Op grond van het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde, zoals hieronder nader aangegeven in de bewezenverklaring.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 november 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], één kopstoot heeft gegeven, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

mishandeling.

Strafbaarheid

Het hof acht de verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer].

De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van die [slachtoffer] en heeft hem pijn toegebracht. Het hof hanteert ter zake van een dergelijk delict een oriëntatiepunt voor straftoemeting dat in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf impliceert.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 december 2010 blijkt - ten nadele van de verdachte - dat hij reeds drie keer eerder is veroordeeld ter zake van mishandeling. Het hof merkt hierbij op dat het onderhavige feit is gepleegd in een lopende proeftijd.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Het hof is op grond van het bovenstaande en uit oogpunt van normhandhaving en met het oog op speciale preventie, alsmede ter vergelding van het door de verdachte begane strafbare feit van oordeel dat de strafsoort die door de politierechter is opgelegd en die eveneens is gevorderd door de advocaat-generaal, passend en geboden is. Het hof zal derhalve eveneens overgaan tot oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van hierna te melden duur, alsmede een onvoorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf, van een eveneens nader te noemen duur.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken;

beveelt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van veertig uren, met het bevel dat, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van

twintig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier.