Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP6984

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
08-03-2011
Zaaknummer
21-002707-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtmatige uitoefening van bediening als bedoeld in art. 180 WvSr. Voldoen aan verplichting als bedoeld in art. 447e WvSr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002707-10

Uitspraak d.d.: 4 maart 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 22 juni 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1983],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 februari 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. J.M. Keizer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 17 maart 2009 te Utrecht, toen een aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaar verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en), had aangehouden en had vastgegrepen, althans vast had, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn of haar bediening, heeft verzet door te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof had verdachte toen hij werd aangehouden wegens het niet voldoen aan de verplichting als bedoeld in artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden reeds aan die verplichting voldaan.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 19 april 2009 blijkt dat verdachte - toen hem door de politie naar zijn identiteitsbewijs werd gevraagd - er aanvankelijk van uit ging dat hij geen identiteitsbewijs bij zich had. Verdachtes vriendin merkte echter direct op dat hij wel een dergelijk bewijs in zijn jas had zitten. Toen verbalisante [naam] vervolgens vroeg of zij bij verdachte in zijn jaszakken mocht kijken, gaf verdachte daartoe toestemming. In de jaszak werd vervolgens door de verbalisante het paspoort van verdachte aangetroffen.

Naar het oordeel van het hof kon verdachte daarna niet meer wegens het niet voldoen aan de verplichting als bedoeld in artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht worden aangehouden. Op het moment dat dat wel gebeurde waren de politieambtenaren niet meer in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr R. de Groot, voorzitter,

mr H. Abbink en mr J.D. den Hartog, raadsheren,

in tegenwoordigheid van P. Heinst, griffier,

en op 4 maart 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.