Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP6977

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
08-03-2011
Zaaknummer
200.080.628
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing tot toepassing van wettelijke schuldsaneringsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.080.628

(rekestnummer rechtbank: 208249/FT-RK 10.1414)

arrest van de eerste civiele kamer van 3 februari 2011

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. A.O.C.A. van Schravendijk te Arnhem.

1. Het geding in eerste aanleg

1.1 Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 10 januari 2011 is het verzoek van appellant (hierna te noemen: [appellant]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.

1.2 Het hof verwijst naar voornoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 18 januari 2011 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, op hem de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, alsmede van het faxbericht met één bijlage van 25 januari 2011 van mr. Van Schravendijk.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 januari 2011, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Van Schravendijk.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.

[appellant], 33 jaar, is gehuwd naar Turks recht met [X]. [X] heeft gelijktijdig met [appellant] een verzoek gedaan tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling en is bij vonnis van 10 januari 2011 door de rechtbank Arnhem toegelaten tot die regeling.

[appellant] en zijn echtgenote hebben samen drie kinderen. Zij ontvangen een WWB-uitkering.

Op 31 januari 2008 heeft [appellant], zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs, een aan-rijding veroorzaakt met een hem in eigendom toebehorende auto. Daarbij is schade toege-bracht aan een auto van een derde.

Bij vonnis van de politierechter te Arnhem van 30 juni 2009 is [appellant] veroordeeld voor het verlaten van de plaats van het ongeval tot een werkstraf voor de duur van 15 uren subsidiair 7 dagen hechtenis, voor het niet tot stilstand brengen van zijn auto binnen de afstand waar-over hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was tot een werkstraf voor de duur van 10 uren subsidiair 5 dagen hechtenis en voor het ontbreken van een door de daartoe bevoeg-de autoriteit afgegeven rijbewijs voor het besturen van zijn auto tot hechtenis voor de duur van 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede een werkstraf voor de duur van 15 uren subsidiair 7 dagen hechtenis. Als gevolg van de aanrijding is een schuld ontstaan aan ASR Verzekeringen (hierna te noemen: ASR) van € 4.336,80.

3.2 De schuldenlast van [appellant] bedraagt volgens het bij de Verklaring Schuldsanering gevoegde schuldenoverzicht van 12 november 2010 in totaal € 22.615,59 en bestaat naast de hiervoor onder 3.1 genoemde schuld aan ASR onder meer uit een schuld aan Menzis Zorg en Inkomen van in totaal € 5.183,96 en een schuld aan gemeente Arnhem van € 4.150,09.

3.3 De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] tot toelating tot de wettelijke schuldsane-ringsregeling afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden, met name wat betreft de schuld aan ASR, in de vijf jaar vooraf-gaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

3.4 Het hof stelt voorop dat, nu het vonnis van de politierechter van 30 juni 2009

onherroepelijk is geworden ([appellant] heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld), moet worden uitgegaan van de juistheid van dat vonnis. Dat volgens [appellant] op de dag van de aanrijding sprake is geweest van een noodsituatie - de gezondheid van zijn moeder was in het geding en hij kon op dat moment geen beroep doen op iemand die over een geldig rijbewijs beschikte en een auto voor hem kon besturen - is niet, althans onvoldoende, aannemelijk geworden.

Dit leidt het hof tot het oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de met de aanrijding verband houdende schuld aan ASR. Reeds hierom kan [appellant] niet worden toegelaten tot de wettelijke schuld-saneringsregeling.

3.5 [appellant] heeft een beroep gedaan op de omstandigheid dat zijn echtgenote op 10 januari 2011 wèl is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en dat niet-toelating van hem tot die regeling tot in lengte van jaren dramatische gevolgen zal hebben voor de schuldenpositie van zijn gezin. Daartoe overweegt het hof als volgt.

De enkele omstandigheid dat tussen (voormalige) echtelieden een gemeenschap van goederen bestaat (of bestond) en dat zij de schulden waarvoor sanering wordt verzocht zijn aangegaan tijdens hun huwelijk brengt niet mee dat de toewijzing van het verzoek van de ene echtgenoot dient te leiden tot hetzelfde resultaat voor de andere echtgenoot. Ten aanzien van ieder van hen dient individueel te worden bezien of het verzoek kan worden toegewezen. Daargelaten dat geen, althans onvoldoende, inzicht bestaat in de omstandigheden waaronder de rechtbank de echtgenote van [appellant] heeft toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsrege-ling, kan het beroep van [appellant] dus niet slagen.

3.6 Het hoger beroep faalt derhalve. Nu ook van (overige) bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek van [appellant] desondanks zou moeten worden toegewezen onvoldoende is gebleken, dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 10 januari 2011.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Smeeïng-van Hees, A.A. van Rossum en H.L. Wattel, en is op 3 februari 2011 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.