Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP6714

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-02-2011
Datum publicatie
04-03-2011
Zaaknummer
P10/0295
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op het dossier en het ter terechtzitting in eerste aanleg en in beroep besprokene, is het hof van oordeel dat voldoende onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Daarbij zijn verschillende instellingen benaderd. Naar het oordeel van het hof bestaat er een voldoende representatief beeld van de (on-)mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging. De noodzakelijk geachte ambulante behandeling van betrokkene blijkt vooralsnog niet tot de mogelijkheden te behoren. Het aanhoudingsverzoek zal daarom worden afgewezen. Geen sprake van disproportionaliteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P10/0295

Beslissing d.d. 14 februari 2011

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[Betrokkene]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissingen van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 februari 2010 en van 23 augustus 2010, respectievelijk houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar en afwijzing van het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- de processen-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissingen van de rechtbank van 15 februari 2010 en van 25 mei 2010;

- de beslissing van de rechtbank van 23 augustus 2010;

- de akte van hoger beroep van de terbeschikkinggestelde d.d. 27 augustus 2010;

- de aanvullende informatie van [verblijfsplaats] van 29 november 2010 met als bijlage de wettelijke aantekeningen van het derde kwartaal van 2010.

Het hof heeft ter terechtzitting van 31 januari 2011 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr L.M. Oldenburg, advocate te Amsterdam, de advocaat-generaal, mr G.J. de Haas en de getuigen-deskundigen [A], [B] en [C].

Overwegingen:

Het advies van de kliniek

Uit het verlengingsadvies van 17 december 2009 volgt dat de terbeschikkinggestelde in 1996 een PIJ-maatregel heeft opgelegd gekregen. Tijdens zijn detentie destijds heeft hij in vijf verschillende jeugdinrichtingen verbleven. In het kader van de huidige terbeschikkingstelling is hij aanvankelijk in [kliniek] opgenomen, alwaar de behandeling moeizaam is verlopen. Na herselectie is de terbeschikkinggestelde opgenomen in [verblijfplaats] alwaar hij thans verblijft.

Blijkens de actuele DSM-IV classificatie lijdt betrokkene aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Hij beschikt over een gering empathisch vermogen en heeft zowel soft- als harddrugs gebruikt. Er is sprake van een ernstige vorm van psychopathie. De kernproblematiek van de terbeschikkinggestelde is tot nu toe onbewerkt gebleven. Het risico op een met het indexdelict vergelijkbaar delict is nog onveranderd hoog. De terbeschikkinggestelde heeft zijn delicten gepleegd in een periode waarin hij maatschappelijk slecht ingebed was, fors middelen gebruikte en geen structuur in zijn leven had. Zijn delicten heeft hij impulsief en uit financiële motieven gepleegd. De verwachting is dat deze omstandigheden gemakkelijk weer zouden kunnen ontstaan als de maatregel op dit moment zou eindigen.

De terbeschikkinggestelde houdt zich bezig met zaken die ernstig in strijd zijn met de behandeldoelen. Zijn gebrek aan openheid en de strijd die hij op detailniveau aangaat maken dat van behandelinterventies geen sprake meer kan zijn. Voor het behandelteam betekent dit een onmachtige positie: het bespreken van het (delictgerelateerd) gedrag is niet mogelijk, maar het negeren en doorgaan is evenmin een optie. De impasse die is ontstaan wordt betreurd en er wordt geen andere mogelijkheid gezien dan overplaatsing naar een andere kliniek. Geadviseerd wordt de maatregel met twee jaar te verlengen.

Uit het aanvullend advies van de kliniek van 29 november 2010 blijkt dat de terbeschikkinggestelde alle samenwerking van de hand wijst en weigert deel te nemen aan programmaonderdelen. De ontstane situatie biedt weinig perspectief voor de terbeschikkinggestelde. Gezien alle ervaringen met de terbeschikkinggestelde moet rekening gehouden worden met het feit dat een interne overplaatsing mogelijkerwijs niet de resultaten oplevert die nodig zijn om verder te komen in het behandel- en resocialisatietraject. De aanmelding voor overplaatsing naar een andere kliniek [naam kliniek] blijft daarom staan. De kliniek is van mening dat een resocialisatiepoging, waar voldoende controle en toezicht is ingebouwd de enige weg is om op termijn te komen tot een beëindiging van de maatregel. Echter, omdat de problematiek in de kern nog onbewerkt is, zal dit traject complex zijn en met risico’s gepaard gaan. Zo zal het voor betrokkene moeilijk zijn om de samenwerking te behouden en zich gedurende langere tijd te onthouden van probleemgedrag. Een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel is naar de mening van de kliniek in dit stadium van de behandeling prematuur en kan onvoldoende waarborgen bieden voor de hoge mate van delictgevaarlijkheid. Derhalve volhardt de kliniek in de conclusie van het verlengingsadvies de terbeschikkingstelling met twee jaar te verlengen.

De getuigen-deskundigen [B] en [C]

Ter terechtzitting van het hof hebben de getuigen-deskundigen in overeenstemming met hun conclusies uit de pro justitia rapportages van respectievelijk 12 en 13 januari 2010 – zakelijk weergegeven – verklaard dat het recidivegevaar nog steeds hoog is maar dat dit met name het geval is op de middellange en langere termijn. Een ambulante behandeling van de terbeschikkinggestelde wordt noodzakelijk geacht om uit de ontstane impasse met de kliniek te geraken. Beide getuigen-deskundigen achten een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege aangewezen. Volgens de getuigen-deskundigen is niet afdoende geprobeerd een instelling te vinden waar de terbeschikkinggestelde de nodige ambulante behandeling kan ondergaan.

De getuige-deskundige [A]

Ter terechtzitting heeft de getuige-deskundige in overeenstemming met de conclusie van het maatregelrapport van 17 augustus 2010 – zakelijk weergegeven – verklaard dat door de reclassering een tweetal instellingen zijn onderzocht waar de terbeschikkinggestelde een ambulante behandeling zou kunnen volgen. Deze instellingen, [naam instelling] en [naam instelling] in [plaats], hebben aangegeven de terbeschikkinggestelde niet te kunnen behandelen. De reclassering ziet thans geen mogelijkheden om betrokkene in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging te begeleiden.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De terbeschikkingstelling dient volgens de advocaat-generaal met een termijn van twee jaar te worden verlengd. Het verzoek tot (het onderzoeken van de mogelijkheden van een) voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege dient te worden afgewezen. In de visie van de advocaat-generaal is de kans immers groot dat de terbeschikkinggestelde zich – mede gelet op zijn problematiek – niet aan de voorwaarden die de reclassering stelt, zal houden.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw

De raadsvrouw heeft betoogd dat het proportionaliteitsbeginsel een rol gaat spelen. Voorts heeft de raadsvrouw benadrukt dat de getuigen-deskundigen [B] en [C] hebben geadviseerd om de verpleging van overheidswege voorwaardelijk te beëindigen. Er is niet afdoende geprobeerd een instelling te vinden waar de terbeschikkinggestelde de nodige ambulante behandeling kan ondergaan. Daarom wordt verzocht de zaak aan te houden en de reclassering onderzoek te laten doen naar instellingen die de terbeschikkinggestelde wel die ambulante behandeling kunnen bieden. Die instellingen dienen in elk geval een intakegesprek met cliënt te houden. Instellingen die in elk geval moeten worden benaderd zijn [naam instelling] in [plaats], [naam instelling] in [plaats] en de instelling [naam instelling].

Het oordeel van het hof

Gelet op het dossier en het ter terechtzitting in eerste aanleg en in beroep besprokene, is het hof van oordeel dat voldoende onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Daarbij zijn verschillende instellingen benaderd. Naar het oordeel van het hof bestaat er een voldoende representatief beeld van de (on-)mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging. De noodzakelijk geachte ambulante behandeling van betrokkene blijkt vooralsnog niet tot de mogelijkheden te behoren. Het aanhoudingsverzoek zal daarom worden afgewezen.

De terbeschikkingstelling van betrokkene is ingegaan op 19 februari 2004 en loopt dus thans meer dan zes jaren. Het hof acht dit tijdsverloop gelet op de ernst van het delicten waarvoor de terbeschikkingstelling is opgelegd, te weten een drietal diefstallen met geweld en een poging tot afpersing, niet zodanig dat van disproportionaliteit sprake is. Daarbij heeft het hof ook gelet op de aard van de stoornis en het actuele recidivegevaar.

Alle deskundigen zijn van mening dat in ieder geval op middellange en langere termijn het risico op een met de indexdelicten vergelijkbaar delict nog onveranderd hoog is. Gelet op de voorgeschiedenis van betrokkene, waaronder het feit dat er reeds eerder een behandeling in het kader van een PIJ is geweest, voorts gelet op het thans nog aanwezige delictgevaar en gegeven het feit dat de problematiek van de terbeschikkinggestelde in de kern nog onbewerkt en een resocialisatiepoging complex zal zijn, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist, en wel met twee jaar. Een klinische behandeling lijkt vooralsnog aangewezen.

Daarbij geeft het hof in overweging om – wanneer besloten wordt tot een nieuwe behandelpoging in een andere kliniek – de opvolgende behandelaren, voordat zij met betrokkene contact hebben, goed in te lichten omtrent de persoon van betrokkene en hen grondig kennis te laten nemen van betrokkenes dossier en complexe problematiek die om een specialistische bewerking vraagt, opdat een nieuwe impasse voorkomen wordt.

Het hof zal de beide beslissingen waarvan beroep om technische redenen vernietigen.

Beslissing

Het hof:

Wijst af het verzoek tot aanhouding.

Wijst af het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging.

Vernietigt de beslissingen van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 februari 2010 en 23 augustus 2010 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [betrokkene].

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Aldus gedaan door

mr J.M.J. Denie als voorzitter,

mr Y.A.J.M. van Kuijck en mr E. van der Herberg als raadsheren,

en dr. L. Kaiser en dr. W. van Kordelaar als raden,

in tegenwoordigheid van mr G.J.B. van Weegen als griffier,

en op 14 februari 2011 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.