Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP6648

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-03-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
24-001826-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2008:BE8664, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het betoog van de raadsman dat ontneming op grond van artikel 36e, derde lid van het Wetboek van Strafrecht slechts mogelijk is indien er aanwijzingen zijn die moeten blijken uit wettige bewijsmiddelen dat er andere strafbare feiten zijn begaan, vindt geen steun in het recht. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 14 september 1999 (LJN: ZD1534) moet aannemelijk zijn dat de in artikel 36e lid 3 Sr bedoelde strafbare andere feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Enige betrokkenheid van veroordeelde bij de andere strafbare feiten die tot voordeelsverkrijging hebben geleid hoeft niet te worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001826-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-230193-04

Arrest van 3 maart 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 juli 2008, in de zaak strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen:

[veroordeelde],

geboren op [1973] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.J. Hardonk, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft bij voormeld vonnis, op tegenspraak gewezen, onder verwijzing naar het vonnis de dato 27 januari 2005 van voormelde rechtbank Zwolle-Lelystad in de strafzaak met parketnummer 07-230193-04, het door veroordeelde door middel van en/of uit baten van de door hem gepleegde en bewezenverklaarde strafbare feiten en andere strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 69.844,- en hem de verplichting opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen, ter ontneming van dat voordeel.

Gebruik van het rechtsmiddel

De veroordeelde is op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormelde uitspraak in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het door veroordeelde behaalde geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt op een bedrag van € 69.844,- en hem de verplichting oplegt een bedrag van € 67.344,- aan de Staat te betalen, ter ontneming van dat voordeel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

onderliggende strafzaak

De veroordeelde is bij vonnis van rechtbank Zwolle-Lelystad (parketnummer 07-230193-04) veroordeeld tot straf ter zake van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de periode van 24 augustus 2004 tot en met 4 oktober 2004 in de gemeente Lelystad.

grondslag voor ontneming is artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht

Gelet op het strafrechtelijk financieel onderzoek is aannemelijk dat de betrokkene, die is veroordeeld wegens misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, ook uit andere strafbare feiten op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Het betoog van de raadsman dat ontneming op grond van artikel 36e, derde lid van het Wetboek van Strafrecht slechts mogelijk is indien er aanwijzingen zijn die moeten blijken uit wettige bewijsmiddelen dat er andere strafbare feiten zijn begaan, vindt geen steun in het recht. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 14 september 1999 (LJN: ZD1534) moet aannemelijk zijn dat de in artikel 36e, derde lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde strafbare andere feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Enige betrokkenheid van veroordeelde bij de andere strafbare feiten die tot voordeelsverkrijging hebben geleid hoeft niet te worden vastgesteld.

wettige bewijsmiddelen waaraan de schatting wordt ontleend

Aan de inhoud van de volgende wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 66.046,64. Veroordeelde heeft in zijn verhoren1 bij de politie verklaard over de uitgaven die hij heeft gedaan in de jaren 2002 tot en met 2004. Hetgeen veroordeelde heeft verklaard is door de verbalisanten schematisch weergegeven op dossierpagina 663. Dit overzicht is aan de veroordeelde getoond en hij heeft op dossierpagina 658 van het voornoemde proces-verbaal verklaard dat dit overzicht klopt, met uitzondering van de post "sigaretten". Daarover heeft hij verklaard dat hij niet altijd twee pakjes per dag rookte, maar dat hij dat alleen deed gedurende zijn detentie. Het hof zal er bij de vaststelling van de uitgaven vanuit gaan dat veroordeelde geen twee maar slechts één pakje sigaretten per dag oprookte in voornoemde periode.

Het hof zal de verklaringen die veroordeelde heeft afgelegd bij de politie gebruiken voor het bewijs. Uit deze processen-verbaal blijkt dat veroordeelde gedetailleerd heeft geantwoord op de aan hem gestelde vragen over zijn inkomsten en uitgaven. Hij heeft uitgebreid verklaard over basale uitgaven, die het hof niet onredelijk voorkomen. Indien er volgens veroordeelde onjuistheden in het proces-verbaal stonden vermeld, heeft hij dit direct aan de verbalisanten gemeld. Immers heeft veroordeelde tijdens het verhoor van 5 november 2005 kenbaar gemaakt dat het aantal pakjes sigaretten dat hij per dag oprookte volgens het schema gehalveerd diende te worden. Het hof hecht geen waarde aan de verklaring van veroordeelde ter zitting van het hof dat hij onjuist heeft verklaard bij de politie, nu veroordeelde eerst ter zitting en zonder enige onderbouwing zijn eerdere verklaring heeft weersproken.

De verklaringen van veroordeelde over zijn uitgaven, alsmede gegevens van de belastingdienst en gegevens uit de boekhouding van de veroordeelde over de jaren 2002 tot en met 2004 zijn door verbalisant [verbalisant 1] in het rapport inzake het strafrechtelijk financieel onderzoek naar veroordeelde verwerkt in een kasopstelling, die is weergegeven in het onderstaande schema:

Uit dit schema blijkt dat een bedrag van € 69.844,52 ter zake van door de veroordeelde gedane uitgaven niet kan worden verklaard uit zijn legale inkomsten.

Het hof is van oordeel dat dit bedrag, minus een bedrag van ter zake van de minder gerookte sigaretten, kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde op enigerlei wijze heeft verkregen uit andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e, derde lid van het Wetboek van Strafrecht.

Het Hof stelt het bedrag van de minder gerookte sigaretten als volgt vast.

Jaar 2002 €113,06 per maand (voor 1 pakje per dag), vermenigvuldigd met 12 maanden = €1.356,72

Jaar 2003 €115,68 per maand (voor 1 pakje per dag) vermenigvuldigd met 12 maanden = €1.388,16

Jaar 2004 € 117,00 per maand (voor 1 pakje per dag) vermenigvuldigd met 9 maanden = €1.053,-

Totale correctie voor sigaretten = €1.356,72 + €1.388,16 + €1.053,- = €3.797,88

Het wederrechtelijk verkregen stelt het hof vast op €69.844,52 - €3.797,88 = €66.046,64

Het betoog van de raadsman dat het rapport van het strafrechtelijk financieel onderzoek niet bruikbaar is voor het bewijs, omdat het zich baseert op bewijsmiddelen die voor het hof niet verifieerbaar zijn, wordt verworpen. De kasopstelling is tot stand gekomen aan de hand van de verklaringen van veroordeelde alsmede aan de hand van zijn administratie en de gegevens van de belastingdienst. Al deze gegevens zijn voor het hof verifieerbaar.

Anders dan de raadsman stelt, is in voornoemd rapport niet meegenomen het voordeel dat veroordeelde heeft genoten dat afkomstig is van feiten waarvan hij is vrijgesproken.

Door veroordeelde is aangevoerd dat hij zijn uitgaven heeft kunnen doen dankzij leningen aan hem van familie en kennissen. Het hof acht die verklaring niet aannemelijk geworden nu veroordeelde niet (verifieerbaar) heeft aangegeven van wie hij welke bedragen in welke periode zou hebben geleend.

Redelijke termijn

Met het leggen van het conservatoir beslag op 19 oktober 2004 is de redelijke termijn van twee jaren aangevangen. Het vonnis van de rechtbank in de ontnemingszaak dateert van 10 juli 2008. Dit is een forse overschrijding van de redelijke termijn. Anders dan de rechtbank, zal het hof hier een consequentie aan verbinden. In hoger beroep, dat is ingesteld op 10 juli 2008, heeft ook een overschrijding van de redelijke termijn plaatsgevonden, aangezien dit arrest dateert van 3 maart 2011.

Het hof acht een vermindering van de betalingsverplichting met een bedrag van € 5.000,- redelijk.

Het hof zal de raadsman niet volgen in zijn betoog om vanwege de overschrijding van de redelijke termijn het rapport van het strafrechtelijk financieel onderzoek uit te sluiten van het bewijs, omdat dit verweer geen steun vindt in het recht.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

stelt het bedrag waarop het door veroordeelde [veroordeelde] voornoemd wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 66.046,64;

legt de veroordeelde [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van eenenzestigduizend zesenveertig euro en vierenzestig cent ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. L.T. Wemes en

mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier.