Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP6612

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
200.063.581
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BW 7:369, 7:370 en 7:377.

Welke eisen te stellen aan motivering van verzet tegen pachtopzegging? Beperkte speelruimte bij beëindigingsgrond van bestemmingswijziging.

Art. 7:369 BW schrijft voor dat de pachter bij gelegenheid van zijn verzet tegen de opzegging de redenen opgeeft “waarop hij dit verzet grondt”. De wet omschrijft niet van welke aard die redenen moeten zijn en formuleert ook niet, in ieder geval niet met zoveel woorden, de eis dat de pachter ingaat op de door de verpachter gebezigde opzeggingsgrond(en). Zonder een duidelijke wettelijke grondslag acht het hof het niet juist om aan het verzet door de pachter niettemin een zodanige eis te stellen. In dit verband is van belang dat het verzet een partijhandeling is, in de zin dat zij door de pachter zelf kan en veelal ook zal worden verricht, zonder tussenkomst van een juridische professional.

Gelet op het verplichte karakter van de ontbindingsgrond van art. 7:377 BW moet worden aangenomen dat de pachtrechter ook in het geval van de toepasselijkheid van de beëindigingsgrond van art. 7:370 lid 1 aanhef en onder e BW slechts een beperkte beoordelingsspeelruimte heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.063.581

(zaaknummer rechtbank 608647)

arrest van de pachtkamer van 15 februari 2011

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Holding Kapellerput B.V.,

gevestigd te Heeze, gemeente Heeze-Leende,

appellante in het principaal beroep,

geïntimeerde in het (voorwaardelijk) incidenteel beroep,

advocaat: mr. D.M.H.M. van Dijk,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellant in het (voorwaardelijk) incidenteel beroep,

advocaat: mr. J.M.M. Menu.

1 Het verloop van het geding

1.1 Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van 31 augustus 2010 verwijst het hof naar dat arrest.

1.2 Ingevolge genoemd arrest heeft het hof met partijen gecompareerd. Voorafgaand aan de comparitie hebben partijen ingevulde vragenlijsten in het geding gebracht, wat betreft [geïntimeerde] met bijlagen. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich bij de stukken.

1.3 Partijen hebben andermaal de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en het hof heeft arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

2.2 [geïntimeerde] heeft sinds 15 december 1985 van (de rechtsvoorgangster van) Kapellerput op grond van een schriftelijke en bij de grondkamer voor Noord-Brabant op 15 februari 1986 ingekomen en op 25 maart 1986 goedgekeurde pachtovereenkomst in gebruik een perceel cultuurgrond, kadastraal bekend gemeente [.......], sectie [......], nummer [.......], ter grootte van 1.21.30 ha (hierna: de pachtovereenkomst).

2.3 Reeds bij het aangaan van de pachtovereenkomst was de bestemming van het verpachte volgens het toen geldende bestemmingsplan niet-agrarisch, namelijk gebruik voor sociale en culturele doeleinden.

2.4 Bij notariële akte van 30 december 1996 is door de toenmalige verpachtster, namelijk de Stichting Kapellerput, (onder meer) het verpachte ingebracht in de vennootschap van Kapellerput, dus in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Holding Kapellerput B.V.

2.5 Kapellerput heeft bij brief van haar rentmeester van 7 november 2008 de pachtovereenkomst opgezegd en daarbij als reden voor de opzegging opgegeven het uitvoering geven aan de niet-agrarische bestemming van het verpachte.

2.6 Bij brief van 11 december 2008 heeft [geïntimeerde] zich tegen de opzegging verzet, als volgt:

“Onlangs ontvingen wij een brief waarin u de pachtovereenkomst opzegt tegen 15 december 2009.

Het gepachte perceel is van belang voor onze bedrijfsvoering.

Wij exploiteren een grondgebonden Biologisch Dynamisch melkgeitenbedrijf. Grondgebondenheid is een vereiste om het BD keurmerk “Demeter” te mogen gebruiken.

Ik verzet me tegen de pachtopzegging.”

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 In dit geding vordert Kapellerput in conventie, kort gezegd, vaststelling van het tijdstip waarop de pachtovereenkomst zal eindigen en een bevel tot ontruiming van het verpachte op straffe van een dwangsom. In (voorwaardelijke) reconventie vordert [geïntimeerde] veroordeling van Kapellerput om het verpachte aan hem aan te bieden met inachtneming van artikelen 7:378 e.v. Burgerlijk Wetboek. Bij het vonnis van 13 april 2010 heeft de pachtkamer in eerste aanleg de vordering in conventie afgewezen op de grond dat de vordering ten onrechte niet door de Stichting Kapellerput is ingesteld. Wat betreft de vordering in reconventie heeft de pachtkamer in eerste aanleg verstaan dat op die vordering niet behoeft te worden beslist.

3.2 In het principaal beroep stelt Kapellerput de toewijsbaarheid van de vordering in conventie opnieuw aan de orde en in het (voorwaardelijke) incidenteel beroep [geïntimeerde] de toewijsbaarheid van de vordering in reconventie.

3.3 Thans betwist [geïntimeerde] niet langer dat Kapellerput eigenaresse van het verpachte en dus verpachtster is (memorie van antwoord in het principaal beroep onder 14). Daaruit volgt dat de grief in het principaal beroep slaagt en dat de voorwaarde is vervuld waaronder het incidenteel beroep en de reconventionele vordering zijn ingesteld. Het hof zal de toewijsbaarheid van de vorderingen in conventie en in reconventie opnieuw beoordelen.

3.4 Met zijn vordering in reconventie ziet [geïntimeerde] eraan voorbij dat volgens het toenmalige artikel 56f lid 1 Pachtwet (overeenkomend met het huidige artikel 7:381 lid 1 Burgerlijk Wetboek) geen voorkeursrecht bestaat indien aan het verpachte bij een bestemmingsplan een andere dan landbouwkundige bestemming is gegeven. Dat dit het geval is en ook ten tijde van de inbreng van het verpachte in Kapellerput het geval was, is niet in geschil. De vordering van [geïntimeerde] is dus niet toewijsbaar.

3.5 Wat betreft de vordering in conventie heeft Kapellerput zich primair op het standpunt gesteld dat het onder 2.6 bedoelde verzet geen werking heeft omdat het geen opgave bevat van de redenen waarop [geïntimeerde] zijn verzet tegen de opzegging grondt. Volgens Kapellerput kon [geïntimeerde] niet volstaan met het uiteenzetten van zijn belang bij verlenging van de pachtovereenkomst en had hij in moeten gaan op de door Kapellerput gebezigde opzeggingsgrond, namelijk het uitvoering geven aan de niet-agrarische bestemming van het verpachte (onder meer inleidende dagvaarding onder 4 en 5).

3.6 Het hof oordeelt als volgt. Het eerste lid van artikel 7:369 Burgerlijk Wetboek schrijft voor dat de pachter bij gelegenheid van zijn verzet tegen de opzegging de redenen opgeeft “waarop hij dit verzet grondt”. De wet omschrijft niet van welke aard die redenen moeten zijn en formuleert ook niet, in ieder geval niet met zoveel woorden, de eis dat de pachter ingaat op de door de verpachter gebezigde opzeggingsgrond(en). Zonder een duidelijke wettelijke grondslag acht het hof het niet juist om aan het verzet door de pachter niettemin een zodanige eis te stellen. In dit verband is van belang dat het verzet een partijhandeling is, in de zin dat zij door de pachter zelf kan en veelal ook zal worden verricht, zonder tussenkomst van een juridische professional. [geïntimeerde] heeft bij gelegenheid van zijn verzet zijn belang bij voortzetting van de pachtovereenkomst uiteengezet. Daarmee heeft hij overeenkomstig artikel 7:369 lid 1 Burgerlijk Wetboek opgave gedaan van de redenen waarop het verzet is gegrond. Het primaire standpunt van Kapellerput is dus ondeugdelijk.

3.7 Kapellerput heeft het voornemen, zo volgt uit haar nadere mededelingen ter gelegenheid van de comparitie van partijen, om het verpachte deels te bestemmen tot parkeerplaats en voor het overige tot “parkachtig uitloopgebied”. Gelet op de door Kapellerput overgelegde stukken, waaronder het bestemmingsplan “Buitengebied Heeze-Leende” (producties 8 tot en met 11 bij de memorie van antwoord in het incidenteel beroep), zoals met partijen besproken ter gelegenheid van de comparitie van partijen, dient ervan te worden uitgegaan dat die bestemming in overeenstemming is met een onherroepelijk bestemmingsplan en volgens de tweede volzin van het eerste lid van artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek daarmee met het algemeen belang. Voor zover [geïntimeerde] zijn standpunt dat de voorgenomen bestemming in strijd is met de toepasselijke bestemmingsplanvoorschriften nog handhaaft, is dat standpunt in het licht van de inhoud van de bedoelde stukken onvoldoende gemotiveerd. Het hof acht bedoeld voornemen ook voldoende concreet en uitvoerbaar. Dat betekent dat de beëindigingsvordering van Kapellerput toewijsbaar is overeenkomstig artikel 7:370 lid 1 aanhef en onder e Burgerlijk Wetboek, in verbinding met artikel 7:377 van dat wetboek.

3.8 Gelet op het verplichte karakter van de ontbindingsgrond van artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek moet worden aangenomen dat de pachtrechter ook in het geval van de toepasselijkheid van de beëindigingsgrond van artikel 7:370 lid 1 aanhef en onder e van dat wetboek slechts een beperkte beoordelingsspeelruimte heeft. In verband daarmee kan aan de toewijsbaarheid van de beëindigingsvordering van Kapellerput niet afdoen dat het verpachte al meer dan twintig jaar bij [geïntimeerde] in gebruik is (onder meer conclusie van antwoord onder 5), dat Kapellerput ook elders op haar terrein parkeerplaatsen kan aanleggen (idem onder 6) en dat [geïntimeerde] een wezenlijk belang heeft bij voortzetting van de pacht in verband met het grondgebonden karakter van zijn bedrijf (idem onder 7), terwijl hem door Kapellerput uiteindelijk geen “ruilgrond” ter beschikking is gesteld (onder conclusie van dupliek onder 3).

3.9 Gelet op de fasering van de uitvoering van het werk, zoals ter zitting van de zijde van Kapellerput toegelicht, zal het hof de beëindiging voor het gedeelte van het verpachte dat voor de parkeerplaats nodig is op een eerdere datum vaststellen dan voor het resterende gedeelte.

3.10 De vordering tot ontruiming is eveneens toewijsbaar. Het hof zal de gevorderde dwangsom maximeren.

3.11 In verband met het in het eerste lid van artikel 7:369 Burgerlijk Wetboek bepaalde zal het hof zijn arrest wat betreft de beëindiging van de pachtovereenkomst en de ontruiming van het verpachte niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

3.12 Het hof ziet aanleiding om overeenkomstig het derde lid van artikel 7:373 Burgerlijk Wetboek een bedrag te bepalen, dat Kapellerput aan [geïntimeerde] moet betalen indien later mocht blijken dat de wil om aan het verpachte de hiervoor bedoelde bestemming te geven in werkelijkheid niet aanwezig is geweest.

3.13 Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de kosten van het principaal beroep. Een kostenveroordeling in het incidenteel beroep zal achterwege blijven omdat dit beroep onnodig was. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep was, in verband met het slagen van de grief in het principaal beroep, de toewijsbaarheid van de vordering in reconventie immers ook zonder het incidenteel beroep aan de orde. De kosten van de eerste aanleg zal het hof compenseren op de grond dat de uitkomst van die instantie mede berust op nalatigheid van de zijde van Kapellerput, namelijk het niet verschijnen ter gelegenheid van de door de rechtbank bevolen comparitie van partijen.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Boxmeer, van 13 april 2010 en doet opnieuw recht;

stelt vast dat de pachtovereenkomst met betrekking tot het perceel landbouwgrond kadastraal bekend gemeente [.......], sectie [......], nummer [.......], ter grootte van 1.21.30 ha, eindigt, wat betreft het op de aangehechte tekening met enkele arcering aangegeven gedeelte op 1 november 2011 en wat betreft het op die tekening met arcering met kruisende lijnen aangegeven gedeelte op 1 november 2012;

beveelt [geïntimeerde] het verpachte bij gelegenheid van het einde van de pachtovereenkomst te ontruimen en ontruimd te houden, op verbeurte van een dwangsom van € 250,— voor iedere dag dat [geïntimeerde] met de uitvoering van dit arrest na de betekening ervan in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,—, en machtigt Kapellerput om in dat geval de ontruiming zelf te (doen) bewerkstelligen, zo nodig met hulp van de sterke arm van politie en justitie;

bepaalt dat Kapellerput aan [geïntimeerde] een bedrag ad € 45.000,— moet betalen indien later mocht blijken dat de wil om aan het verpachte de onder 3.7 bedoelde bestemming te geven in werkelijkheid niet aanwezig is geweest;

compenseert de kosten van de eerste aanleg, aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het principaal beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Kapellerput begroot op € 1.788,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, op € 263,— voor griffierecht en op € 80,89 voor de kosten van de appeldagvaarding en verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, D.J. van Dijk en E.J. van der Poel en de deskundige leden ing. L.L.M. de Lorijn en ir. H.B.M. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 februari 2011.