Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP6598

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
200.052.953
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rv 118.

Vervolg van LJN BO5267. Na zijn oproeping ex art. 118 Rv maakt de voorgestelde medepachter een voegingsincident aanhangig. Incidentele vordering afgewezen wegens gebrek aan belang. In de hoofdzaak beveelt het hof een comparitie van partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.052.953

(zaaknummer rechtbank 356599)

arrest van de pachtkamer van 22 februari 2011

inzake

de rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:2 lid 1 BW

Protestantse Gemeente Beemster,

gevestigd te Beemster,

appellante,

tevens verweerder in het incident,

advocaat: mr. P. Sipma,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.P. Abma,

en met als opgeroepen partij:

[zoon geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

tevens eiser in het incident,

advocaat: mr. H.P. Abma.

1. Het verloop van het geding

1.1 Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van 23 november 2010 verwijst het hof naar dat arrest.

1.2 Vervolgens heeft [geïntimeerde] bij exploot van 2 december 2010 [zoon geïntimeerde] opgeroepen om in dit geding te verschijnen.

1.3 Op de rol van 14 december 2010 is [zoon geïntimeerde] in rechte verschenen en heeft hij een “incidentele memorie tot voeging” genomen. Bij dezelfde memorie heeft hij tevens een standpunt ingenomen in de hoofdzaak.

1.4 De Protestantse Gemeente heeft bij akte op de onder 1.3 bedoelde memorie gereageerd.

1.5 Vervolgens hebben partijen gefourneerd voor arrest en is door de rolraadsheer “arrest in het incident” bepaald.

2. Voortgezette motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Ten onrechte, want overbodig, is door [zoon geïntimeerde] een incidentele vordering tot voeging ingesteld. Door zijn oproeping op de voet van artikel 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering werd hij (reeds) partij in het geding. Als opgeroepen partij is hij in de gelegenheid om zijn standpunt aan het hof ter beoordeling voor te leggen, waarvan [zoon geïntimeerde] ook gebruik heeft gemaakt. Door [zoon geïntimeerde] is niet toegelicht wat voeging hieraan zou kunnen toevoegen. Bij zijn incidentele vordering heeft hij dus geen belang, zodat die vordering dient te worden afgewezen.

2.2 Op proceseconomische gronden zal het hof bij dit arrest ook op de hoofdzaak ingaan. Het hof acht het voor de beoordeling van de vordering in reconventie noodzakelijk om nadere inlichtingen van partijen te verkrijgen. In verband daarmee zal het hof een comparitie van partijen bevelen. Het hof draagt [zoon geïntimeerde] op om zoveel mogelijk gespecificeerd opgave te doen zowel van zijn werkzaamheden binnen het bedrijf van de vennootschap onder firma sinds 2000, als van zijn beroepsverleden en landbouwkundige ervaring buiten bedoeld bedrijf. Bij een en ander gaat het niet alleen om de ervaring van [zoon geïntimeerde] met de dagelijkse praktische bedrijfsvoering, maar ook om zijn inzicht en bijdrage wat betreft de bedrijfsstrategie en financiële en administratieve aspecten.

2.3 Het hof zal aan [geïntimeerde] opdragen om het hof te voorzien van voldoende kopieën van het procesdossier. In dat verband merkt het hof op dat de conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie incompleet is in het voorafgaand aan dit arrest door [geïntimeerde] overgelegde dossier.

2.4 Als de in het ongelijk gestelde partij dient [zoon geïntimeerde] de kosten van het incident te dragen. In verband met de omstandigheid dat de Protestantse Gemeente in haar akte op de incidentele vordering niet is ingegaan en zich heeft beperkt tot een bespreking van de hoofdzaak, zal het hof de kosten van het incident echter begroten op nihil.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het incident:

wijst de incidentele vordering af;

veroordeelt [zoon geïntimeerde] in de kosten van het incident, maar begroot de aan de zijde van de Protestantse Gemeente gevallen kosten op nihil;

in de hoofdzaak:

bepaalt dat [geïntimeerde] en [zoon geïntimeerde] in persoon en de Protestantse Gemeente door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor deze kamer, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door de voorzitter te bepalen dag en tijdstip, zulks tot het geven van inlichtingen als onder 2.2 aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden maart, april en mei 2011 zullen opgeven op de rol van 8 maart 2011, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de voorzitter zullen worden vastgesteld;

draagt aan [geïntimeerde] op om eveneens op de rol van 8 maart 2011 het hof te voorzien van zes kopieën van het procesdossier;

bepaalt dat [zoon geïntimeerde] de stukken als bedoeld onder 2.2 in het geding dient te brengen en dat hij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van die stukken hebben ontvangen;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, G.P.M. van den Dungen en H.L. van der Beek en de deskundige leden ing. L.L.M. de Lorijn en ir. H.B.M. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 2011.