Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP6469

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
200.052.442
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijkse voorwaarden met niet nagekomen periodiek verrekenbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.052.442

(zaaknummers rechtbank 70588/FARK 05-1068 en 89668/FARK 07-2038)

beschikking van de familiekamer van 15 februari 2011

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, hierna: “de vrouw”,

advocaat: mr. H.A.M. Ritsma-Hartman te Zutphen,

en

de erven van [de man],

gewoond hebbende te [woonplaats],

verweerders in hoger beroep, hierna: “de erven”,

advocaat: mr. C.A. Spekschoor te Lochem.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zutphen van 10 november 2005, 18 januari 2006, 14 november 2007, 15 oktober 2008, 29 april 2009 en 30 september 2009, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 21 december 2009, is de vrouw in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 15 oktober 2008, 29 april 2009 en 30 september 2009. De vrouw verzoekt het hof haar beroep ontvankelijk te verklaren, de tussenbeschikkingen van 15 oktober 2008 en 29 april 2009 en de eindbeschikking van

30 september 2009 te vernietigen en, opnieuw beschikkende:

I. te bepalen dat de erven € 90.756,04 aan de vrouw betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de door de rechtbank vastgestelde peildatum, 7 juni 2005, althans vanaf de dag dat dit hoger beroep is ingesteld althans vanaf een datum die het hof juist acht;

II. te bepalen dat de vrouw een vordering op de erven heeft ter grootte van de helft van het vermogen van de man op de peildatum, althans een zodanige vordering als het hof juist acht;

III. te bepalen dat de erven aan de vrouw de wettelijke rente verschuldigd zijn over de door het hof vast te stellen verrekenvordering vanaf de door de rechtbank vastgestelde peildatum, 7 juni 2005, althans vanaf de dag dat dit hoger beroep is ingesteld, althans vanaf een datum die het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 februari 2010, hebben de erven het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. De erven verzoeken het hof de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoek ongegrond te verklaren en de bestreden beschikkingen te bekrachtigen en zonodig de rechtsgronden te verbeteren en/of aan te vullen met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 14 september 2010 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen bijgestaan door hun advocaten. De vier erven zijn [A.], [B.], [C.] en [D.].

3. De vaststaande feiten

3.1 De vrouw is op 17 juli 1970 op huwelijkse voorwaarden gehuwd met [de man] (hierna: “de man”).

3.2 Krachtens de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden van 15 juli 1970 zijn zij met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd geweest, zulks in combinatie met een periodiek verrekenbeding. Dit beding, opgenomen in artikel 3 lid 5 van de huwelijkse voorwaarden luidt:

“(….)

Artikel 3

(…)

5. Na verloop van elk kalenderjaar voegen de echtgenoten ter verdeling bij helfte bijeen hetgeen van hun inkomsten van dat jaar onverteerd is. Zodra de gemeenschappelijke huishouding feitelijk ophoudt te bestaan, eindigt de verplichting tot bijeenvoeging en verdeling, zoals in de vorige volzin omschreven. (….)”

3.3 In een akte van 24 oktober 1990, verleden voor notaris mr. A. Schellenbach, hebben de man en de vrouw onder verwijzing naar dit beding verklaard:

“(….) De comparant sub 2 (hof, de man) verklaarden in het verleden verzuimd te hebben van dit verrekingsbeding gebruik te maken ten behoeve van de comparante sub 1 (hof, de vrouw). In verband hiermee verklaarde de comparant sub 2 wegens ter leen ontvangen gelden schuldig te zijn aan de comparante sub 1 een bedrag van tweehonderdduizend gulden (f. 200.000,-).(…)”

3.4 Na 24 oktober 1990 heeft nooit enige verrekening van onverteerde inkomsten plaatsgevonden.

3.5 Uit het huwelijk zijn vijf, thans meerderjarige kinderen geboren.

3.6 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 7 juni 2005, heeft de vrouw verzocht, voor zover hier van belang, de echtscheiding tussen haar en de man uit te spreken.

3.7 Bij aanvullend verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 15 augustus 2005, heeft de vrouw verzocht bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat het te verrekenen vermogen van de man wordt beschreven;

II. te benoemen een deskundige ter bepaling van de waarde van de onderneming, de woning en het pand aan de [adres];

III. te bepalen dat aan de man zal worden toegescheiden en gedeeld alle aanwezige activa en passiva van het te verrekenen vermogen, onder de verplichting dat de man de hypothecaire schulden geheel en al dient te voldoen onder vrijwaring van de vrouw terzake van deze schulden en het bedrag vast te stellen dat de man wegens overbedeling aan de vrouw dient te voldoen binnen twee maanden na de betekening van de te wijzen beschikking, dan wel vonnis, althans een zodanige verdeling vast te stellen als de rechtbank juist acht, zulks ten overstaan van een notaris.

3.8 Bij tussenbeschikking van 10 november 2005 heeft de rechtbank partijen opgeroepen te verschijnen ter zitting van 21 december 2005 en beide partijen verzocht een aantal bewijsstukken over te leggen.

3.9 Bij beschikking van 18 januari 2006 heeft de rechtbank Zutphen de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 26 augustus 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.10 Bij tussenbeschikking van 14 november 2007 heeft de rechtbank de behandeling ten aanzien van de (aanvullende) verzoeken van de vrouw inzake beschrijving van het vermogen van de man, de benoeming van een deskundige en de uitvoering van het periodieke verrekenbeding tot de terechtzitting van 12 december 2007 pro forma aangehouden voor het overleggen van de gevraagde overzichten en nadere bewijsstukken en vervolgens tot de terechtzitting van 9 januari 2008 pro forma aangehouden voor een reactie op de overzichten en bewijsstukken van de wederpartij en voor opgave verhinderdata voor februari en maart 2008.

3.11 De man is op 1 januari 2008 overleden. De erven hebben de procedure voortgezet.

3.12 Bij tussenbeschikking van 15 oktober 2008 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de zaak aangehouden tot de pro forma zitting van woensdag 12 november 2008 voor overlegging van stukken door beide partijen.

3.13 Bij tussenbeschikking van 29 april 2009 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, een onderzoek door een deskundige bevolen en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.14 Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde eindbeschikking van 30 september 2009 heeft de rechtbank bepaald dat de erven aan de vrouw € 75.206,45 dienen te betalen in verband met de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden die tussen de vrouw en de man hebben gegolden, bepaald dat de vrouw aan de erven de helft van het bedrag dient te vergoeden dat de erven na 7 juni 2005 aan de Belastingdienst hebben betaald in verband met de inkomstenbelasting 2004 en 2005 van de man in privé en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.15 Tot het vermogen van de man behoorden onder andere:

- de onroerende zaak gelegen aan de [adres] (hierna: het winkelpand), en

- de onroerende zaak gelegen aan de [adres] (hierna: het woonhuis).

4. De motivering van de beslissing

4.1 Tussen partijen is in geschil hoe de huwelijkse voorwaarden tussen de man en de vrouw moeten worden afgewikkeld en wat de omvang van het te verrekenen vermogen is.

Het geschil in hoger beroep concentreert zich (samengevat weergegeven) op de navolgende zaken:

- de door de rechtbank aangelegde maatstaf en de daarbij behorende stelplicht en bewijslastverdeling;

- de vraag of procesrechtelijke regels zijn geschonden;

- de omvang van de aanspraken van de vrouw op de waarde van het woonhuis;

- de hoogte van de vordering van de vrouw op de erven, en

- de door de rechtbank bepaalde belastinglatentie.

Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat 7 juni 2005 als peildatum geldt.

4.2 Blijkens de eis in haar beroepschrift verzoekt de vrouw de erven te veroordelen tot betaling van f. 200.000,- (€ 90.756,04) uit hoofde van de afspraken neergelegd in de akte van 24 oktober 1990 (zie hiervoor onder 3.3). In de toelichting op grief XI stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte de erven daartoe niet heeft veroordeeld. De erven voeren aan dat zij dit bedrag ter uitvoering van de eindbeschikking aan de vrouw hebben voldaan. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw dat bevestigd en deze eis en grief ingetrokken.

4.3 Met de grieven I, II en VII komt de vrouw op tegen de door de rechtbank gehanteerde maatstaf in de tussenbeschikkingen van 15 oktober 2008 en 29 april 2009. De vrouw doet een beroep op artikel 1:141 lid 3 BW.

4.4 Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:141 lid 1 BW bepaalt dat indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk en over dat tijdvak niet is afgerekend, de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand blijft en deze zich uitstrekt over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan. Op grond van het derde lid van dit artikel wordt, indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

4.5 Tegen het bewijsvermoeden van lid 3 staat tegenbewijs open. Voor het leveren van tegenbewijs is voldoende dat het bewijsvermoeden wordt ontzenuwd. Anders dan de vrouw lijkt te betogen, is niet vereist dat de erven het tegendeel bewijzen. Het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW beoogt de afwikkeling van periodieke verrekenbedingen te vergemakkelijken. De bepaling brengt in beginsel geen verschuiving mee ten aanzien van de bewijslast en het bewijsrisico. Dit leidt ertoe dat indien de echtgenoot slaagt in voornoemd tegenbewijs het op de weg van de andere echtgenoot ligt om te stellen en bij betwisting, te bewijzen, dat sprake is van vermogen dat is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Gezien het voorgaande falen de grieven I, II en VII. Voor zover de vrouw klaagt dat de erven een vermogensopstelling van het vermogen van de man op de peildatum moeten overleggen, verwerpt het hof dat betoog. Uit de door partijen (uiteindelijk) overgelegde stukken volgt voldoende duidelijk welke vermogensbestanddelen er waren op de peildatum en hoe deze moeten worden gewaardeerd.

4.6 Het hof is van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag of, en in hoeverre het vermoeden van artikel 1:141 lid 3 door de erven is ontzenuwd, rekening gehouden dient te worden met hetgeen de man en de vrouw op 24 oktober 1990 zijn overeengekomen (zie onder 3.3). Tussen partijen is niet in geschil dat het winkelpand en het woonhuis door de man zijn gekocht en op 24 oktober 1990 aan hem (al dan niet via zijn onderneming) in eigendom toebehoorden. Op 24 oktober 1990 hebben de vrouw en de man hun tot die datum overgespaarde inkomen verrekend en zijn zij overeengekomen dat de man nog een bedrag van f. 200.000,- aan de vrouw verschuldigd was. Vanaf 24 oktober 1990 is tussen de man en de vrouw een nieuwe periode aangebroken waarvan moet worden beoordeeld of de vrouw op grond van artikel 1:141 lid 1 BW aanspraak kan maken op verrekening.

4.7 Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de erven zijn geslaagd in het tegenbewijs tegen het wettelijke vermoeden dat het volledige vermogen op de peildatum is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, nu tot 24 oktober 1990 tussen de man en de vrouw is afgerekend. De grieven III en IV falen in zoverre.

4.8 Voorgaand oordeel leidt ertoe dat het vervolgens op de weg van de vrouw ligt om te stellen en, aangezien de erven haar stellingen gemotiveerd betwisten, te bewijzen dat sprake is van vermogen dat is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Indien na 24 oktober 1990 overgespaard inkomen is geïnvesteerd in het winkelpand of het woonhuis of overgespaard inkomen bijvoorbeeld is aangewend ter aflossing van de daarop rustende hypothecaire geldleningen kan de vrouw ingevolge artikel 1:141 lid 1 BW aanspraak maken op verrekening. Zij heeft op basis van de door de erven en de door haar in het geding gebrachte stukken voldoende gemotiveerd gesteld dat na 24 oktober 1990 overgespaard inkomen in deze onroerende zaken is geïnvesteerd dan wel is aangewend voor de aflossing van hypothecaire leningen met betrekking tot deze onroerende zaken. De rechtbank heeft dit niet miskend en haar daarin naar het oordeel van het hof, behoudens de hierna te behandelen grieven, grotendeels gevolgd.

4.9 Met grief VIII komt de vrouw op tegen de verwijzing van de rechtbank naar artikel 1:141 lid 4 BW in haar tussenbeschikking van 29 april 2009. De grief berust op een verkeerde lezing van de beschikking. De rechtbank noemt dit artikel in het kader van haar oordeel dat de winsten uit de onderneming onder het inkomstenbegrip vallen, zoals door de vrouw en de man was overeengekomen. Het hof is van oordeel dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, de vrouw geen belang heeft bij deze grief nu het oordeel van de rechtbank leidt tot een door de vrouw beoogde verrekening van de winsten. Daarnaast laat de vrouw na te motiveren wat zij met deze grief beoogt of wat het rechtsgevolg dient te zijn van het slagen van haar grief. Grief VIII faalt dus.

4.10 Met de grieven III, IV en VI betoogt de vrouw dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden doordat de rechtbank heeft aangegeven welke stukken de erven moeten overleggen. De erven voeren gemotiveerd verweer. Het hof is van oordeel dat van beide procespartijen verlangd mag worden dat zij vermogensopstellingen en de daarbij behorende onderliggende stukken in het geding brengen. Op grond van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Bovendien miskent de vrouw met haar betoog dat, zodra de erven zijn geslaagd in het tegenbewijs het op haar weg ligt haar stellingen nader te onderbouwen en bij betwisting zonodig te bewijzen. De grieven III en IV zijn derhalve tevergeefs voorgesteld. Voor het overige verwijst het hof naar de behandeling van de grieven V, IX, X en XII.

4.11 Met grief VI betoogt de vrouw dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Het hof volgt de vrouw daar niet in. Beide partijen zijn genoegzaam in de gelegenheid gesteld de door hen in het geding gebrachte stukken toe te lichten en te reageren op de stukken die de wederpartij in het geding heeft gebracht. Mocht al sprake zijn van schending van dit beginsel, dan heeft de vrouw in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad alsnog haar standpunt toe te lichten en verweer te voeren. Uit haar betoog in hoger beroep volgt dat het voor haar voldoende duidelijk was waartegen zij zich had te verweren, zodat ook in zoverre haar bezwaren ongegrond zijn.

4.12 Ook de stelling van de vrouw dat de rechtbank artikel 24 Rv heeft geschonden, gaat niet op. Voor zover zij betoogt dat de rechtbank ten onrechte stukken heeft opgevraagd, verwijst het hof naar het hierboven gegeven oordeel. De door haar aangevoerde voorbeelden maakt het oordeel van het hof niet anders nu in die voorbeelden de rechtbank meegaat in de stellingen van de vrouw en het systeem van de wet. Nadat de rechtbank terecht had vastgesteld dat de erven in het tegenbewijs waren geslaagd, is de rechtbank nagegaan of de vrouw desalniettemin aanspraak kon maken op de waardevermeerdering van het winkelpand en het woonhuis. Dit zou het geval zijn indien daarin overgespaarde inkomsten zijn geïnvesteerd of zijn aangewend ter financiering of aflossingen van de daarop rustende hypotheken. Daartoe is noodzakelijk een reconstructie te maken van het verloop van onder meer de hypotheekschuld en de (wijze van financiering) van de verbouwingen van het winkelpand. Grief VI faalt.

4.13 Grief IX komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat aan de stelling van de vrouw dat de hypothecaire lening ten bedrage van f. 61.600,- is afgelost uit overgespaard inkomen voorbij dient te worden gegaan (pagina 5 van de tussenbeschikking van 29 april 2009). De vrouw stelt dat de erven het tegendeel niet hebben gesteld. De erven betwisten dit.

4.14 Het hof oordeelt dat voor zover de hypothecaire lening na 24 oktober 1990 is afgelost met overgespaard inkomen, de waarde van het woonhuis naar rato daarvan verrekend dient te worden (vgl. HR 6 december 2002, NJ 2005, 125; HR 27 januari 2006, NJ 2008, 564; HR 10 juli 2009, NJ 2009, 377). Zoals reeds is overwogen, dient de vrouw het voorgaande te stellen en te bewijzen (zie hiervoor onder 4.8).

4.15 De vrouw onderbouwt haar stelling dat het bedrag van f. 61.600,- is afgelost met overgespaard inkomen niet, althans onvoldoende. De erven voeren gemotiveerd en onderbouwd aan dat die schuld niet is afgelost uit overgespaard inkomen. Uit een stuk met het opschrift “Toelichting vermogen 1998” van accountantskantoor I.G.M. Waenink B.V. bij de aangifte 1997 volgt dat in 1998 de hypothecaire lening met betrekking tot het woonhuis f. 61.600,- bedroeg (productie 22 bij brief van 13 januari 2009 van de erven). De vrouw bestrijdt dat niet. Uit het daarop volgende stuk, ook overgelegd als productie 22 bij die brief, met het opschrift “Toelichting vermogen 1999” van dezelfde accountant bij de aangifte 1998 volgt dat in 1999 de hypothecaire lening met betrekking tot het woonhuis in totaal f. 290.000,- bedroeg, uitgesplitst in f. 260.000,- (vermeld als “hypotheek rabo”) en f. 30.000,- (vermeld als “hypotheek Amev”). De erven voeren aan dat de hypothecaire lening van f. 61.600,- is afgelost met de nieuwe, hogere hypotheek van f. 260.000,-. Daarop volgt in zoverre een nuancering dat van dit bedrag van f. 260.000,- een bedrag van f. 170.000,- als zakelijke schuld en het restant van f. 90.000,- als privé-schuld beschouwd dient te worden, zodat feitelijk het bedrag van f. 61.600,- is afgelost met een nieuwe hypothecaire schuld van f. 90.000,-. De erven verwijzen daarbij naar het stuk met het opschrift “Toelichting vermogen 2000” van voormeld accountantskantoor (ook overgelegd als productie 22 bij brief van 13 januari 2009 van de erven). Deze uitsplitsing weerspreekt de vrouw niet en zij richt ook geen grieven tegen het daarmee corresponderende oordeel van de rechtbank. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het verweer van de erven voldoende is onderbouwd. Het ligt vervolgens op de weg van de vrouw om haar stellingen nader te onderbouwen en te motiveren, hetgeen zij nalaat, ook in hoger beroep. Zij kan niet volstaan met de blote betwisting, zoals opgenomen in haar faxbericht van 11 februari 2009. Grief IX faalt.

4.16 Grief X van de vrouw richt zich tegen de door de rechtbank gehanteerde rekenmethode in haar tussenbeschikking van 29 april 2009 ter bepaling van het bedrag dat verrekend dient te worden met betrekking tot het woonhuis. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevoerd dat zij, uitgaande van het oordeel van de rechtbank, aanspraak heeft op € 39.750,-. De erven betwisten dit.

4.17 Het hof oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat het woonhuis in 1976 door de man is gekocht voor een bedrag van f. 135.000,- en dat dit bedrag voor f. 90.000,- is gefinancierd en dat de rest van de koopsom uit eigen middelen van de man is voldaan. De vrouw voert onbetwist aan dat ten behoeve van een verbouwing omstreeks 1979/1980 de man een nieuwe hypothecaire lening is aangegaan voor een bedrag van f. 165.000,-, waarmee de toen nog bestaande schuld is afgelost. Op de nieuwe lening van f. 165.000,- werd jaarlijks afgelost, aldus de vrouw. Ook dit betwisten de erven niet.

4.18 Bepaald dient te worden hoe hoog de hypothecaire schuld op 24 oktober 1990 was.

De vrouw heeft het oordeel van de rechtbank (pagina 5 van haar tussenbeschikking van 15 oktober 2008) dat in de jaren 1990 tot en met 1997 jaarlijks een bedrag van f. 5.600,- werd afgelost en uitgaande van maandelijks gelijke bedragen in november en december 1990 f. 933,33 niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. Ervan uitgaande dat in 1998 de hypothecaire lening f. 61.600,- bedroeg en op de hypothecaire schuld jaarlijks f. 5.600,- werd afgelost, heeft de rechtbank de hypothecaire lening per 24 oktober 1990 terecht begroot op f. 101.733,33 (zijnde € 46.164,57).

Tevens geldt dat het bedrag van f. 61.600,- is afgelost met een andere lening en dat op die lening geen aflossingen zijn gedaan, althans de vrouw heeft dat laatste onvoldoende gemotiveerd weersproken. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat een bedrag van f. 40.133,33 (f. 101.733,33 – f. 61.000,-) (zijnde € 18.211,71) uit overgespaard inkomen is afgelost. Dit oordeel is als zodanig ook niet bestreden.

4.19 In hoger beroep zijn geen grieven aangevoerd tegen de taxatiewaarden van het woonhuis. Per 24 oktober 1990 bedroeg de waarde van het woonhuis € 176.000,- (f. 387.852,96). Op 7 juni 2005 is de waarde van het woonhuis op € 426.000,- begroot.

4.20 Het hof neemt bij zijn oordeel voorts tot uitgangspunt hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 27 januari 2006, NJ 2008, 564, in samenhang gelezen met zijn arrest van 10 juli 2009, NJ 2009, 377. Het bedrag dat tussen partijen verrekend moet worden, kan als volgt worden bepaald.

Het bedrag dat uit overgespaarde inkomsten is afgelost op de lening is de teller van de breuk. Om de evenredigheidsmaatstaf te bepalen, dus het percentage waarmee de vrouw deelt in de waarde van het woonhuis, zal in de noemer van de breuk de totale investering dienen te worden opgenomen. Dat is in dit geval de waarde van de woning op 24 oktober 1990. Deze breuk bepaalt het deel van de investering in de waarde van het goed op de peildatum dat als opbrengst van de investering dient terug te keren in het vermogen van de echtgenoot die zich op verrekening beroept, in dit geval de vrouw. Het bedrag dat tussen partijen verrekend moet worden, wordt bepaald door deze breuk te vermenigvuldigen met de waarde van het woonhuis op de peildatum.

In het onderhavige geval komt het voorgaande neer op € 44.080,62 (zijnde (€ 18.211,71 / € 176.000,-) x € 426.000,-). De vrouw heeft aanspraak op de helft daarvan, dus € 22.040,31. De rechtbank gaat ook uit van dit bedrag, zodat grief X faalt.

4.21 Het voorgaande in overweging nemende, heeft de vrouw onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij nog aanspraken op de man heeft uit hoofde van het periodieke verrekeningbeding. De aan grief XII ten grondslag liggende gedachtegang van de vrouw, namelijk dat zij aanspraak kan maken op de helft van het vermogen van de man op de peildatum is, zoals uit het bovenstaande volgt, niet juist. Grief XII is tevergeefs voorgesteld.

4.22 Met grief V komt de vrouw op tegen het in de tussenbeschikking van 15 oktober 2008 door de rechtbank genoemde bedrag aan belastinglatentie van € 96.516,-. De vrouw heeft in eerste instantie aangevoerd dat nergens uit blijkt dat deze latentie bestaat, noch voor deze omvang. De erven hebben bij verweerschrift in hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd en aangevoerd dat deze latentie – betrekking hebbende op de huwelijkse periode – definitief is vastgesteld op € 80.030,-. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw aangegeven daartegen geen verweer te voeren, zodat ervan kan worden gegaan dat de belastinglatentie op de peildatum € 80.030,- bedroeg. Tussen partijen is niet in geschil dat met deze latentie rekening gehouden dient te worden en dat de helft van deze belastingschuld voor rekening van de vrouw komt.

De erven hebben aangevoerd dat de definitieve aanslagen Inkomstenbelasting over de jaren 2004 en 2005 op nihil zijn gesteld en dat derhalve over die perioden geen verrekening meer hoeft plaats te vinden. Gezien het voorgaande heeft de vrouw geen belang meer bij de behandeling van deze grief.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikkingen voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen familie van elkaar zijn.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Zutphen van 15 oktober 2008, 29 april 2009 en 30 september 2009;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.J.S. de Vries Robbé-de Roy van Zuydewijn, J.G. Luiten en M.H.H.A. Moes, bijgestaan door mr. C. den Besten als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de jongste raadsheer en is op 15 februari 2011 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.